Contact Help
Afdeling 3.11 Spuivoorziening
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken
0 topics gevondenNieuw topic starten


Afdeling 3.11 Spuivoorziening

§ 3.11.1 Nieuwbouw

Artikel 3.60

Het eerste lid geeft de functionele eis voor spuivoorzieningen voor nieuwbouw.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.61 bepaalt in welke situatie er ten behoeve van het snel kunnen afvoeren van verontreinigde binnenlucht beweegbare constructie-onderdelen (de spuivoorziening) in de gevel aanwezig moeten zijn (aanwezigheid);
2.artikel 3.62 bepaalt welke luchtverversingscapaciteit een spuivoorziening ten minste moet hebben (capaciteit), en
3.artikel 3.63 schrijft voor hoe groot de afstand tussen een spuivoorziening en de perceelsgrens ten minste moet zijn en hoe die afstand moet worden gemeten (plaatsbepaling).

Alleen voor de woonfunctie wijst de tabel van het tweede lid voorschriften aan. Voor de overige gebruiksfuncties worden geen voorschriften aangewezen. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is. In tabel 3.60 is de aansturing van de eisen van artikel 3.61, eerste en tweede lid, voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Deze bijeenkomstfunctie moet voor het welzijn en de gezondheid van de aanwezige kinderen voldoende ventilatiecapaciteit hebben voor het incidenteel afvoeren van sterk verontreinigde lucht. Het gaat bij kinderopvang, net als bij een woning, vaak om een specifieke bron van verontreiniging, zoals de lucht van een vieze luier. Na het wegnemen van die bron zal behoefte kunnen bestaan aan het doorspuien van de betreffende ruimte.

Artikel 3.61

In een woning of een woonwagen kunnen zich soms situaties voordoen dat snel een zeer grote mate van luchtverversing (doorspuiing) moet kunnen plaatsvinden. Hieraan ontstaat vooral behoefte wanneer een hoge concentratie van schadelijke of hinderlijke gassen optreedt, zoals bij schilderwerkzaamheden. De normale ventilatie is niet afgestemd op deze tijdelijke verhoogde ventilatiebehoefte. Met het oog op zulke situaties is voorgeschreven dat er in de gevel van een woning of de buitenwand van een woonwagen beweegbare ramen, luiken of deuren aanwezig zijn. Aan artikel 3.61 is een tweede lid toegevoegd, dat rekening houdt met het feit dat in een kinderopvang (bezettingsgraadklasse B1) reeds zodanig veel reguliere ventilatiecapaciteit aanwezig is, dat een specifieke spuiventilatie geen toegevoegde waarde heeft (Stb. 2005, 1).

Artikel 3.62

Dit artikel regelt welke minimum capaciteit de doorspuivoorzieningen moeten hebben. Het uitgangspunt vormen eisen aan de totale capaciteit voor de luchtverversing van een verblijfsgebied van een woonfunctie respectievelijk de gebruiksoppervlakte van de woonwagen. Daarnaast is een eis gesteld aan de capaciteit voor de luchtverversing van een verblijfsruimte. Laatstgenoemde eis dient om te verzekeren dat wanneer het verblijfsgebied respectievelijk de gebruiksoppervlakte na realisatie wordt ingedeeld in afzonderlijke verblijfsruimten, die afzonderlijke ruimten ook aan die eisen voldoen. De eis aan de verblijfsruimte betekent feitelijk dat er in de uitwendige scheidingsconstructie daarvan ten minste een luik, raam of deur aanwezig moet zijn waarmee die ruimte kan worden doorgespuid. In het eerste lid van artikel 3.62 is 'niet-gemeenschappelijk(e)' geschrapt (Stb. 2005, 1). Dit betekent dat het voorschrift voor de capaciteit van een spuiventilatie voor zowel gemeenschappelijke als voor niet-gemeenschappelijke ruimten van toepassing is. In het tweede lid van artikel 3.62 is een uitzondering gemaakt (Stb. 2005, 1) voor een gemeenschappelijk verblijfsgebied of een gemeenschappelijke verblijfsruimte van een woonfunctie. Bezien in samenhang met het eerste lid is er geen sprake van een inhoudelijke wijziging van de voorschriften voor de woonfunctie.

Artikel 3.63

In dit artikel is aangegeven hoe groot de afstand tussen de deur, het raam of het luik dat als spuivoorziening dient en de perceelsgrens ten minste moet zijn. De bedoeling is mogelijke overlast voor aangrenzende percelen en voor voorbijgangers zoveel mogelijk te voorkomen. Beweegbare constructie-onderdelen die niet aan deze eis voldoen, mogen niet worden meegerekend bij de bepaling van de doorspuicapaciteit. In artikel 3.63 is 'woonfunctie' vervangen door 'gebruiksfunctie' omdat het voorschrift door middel van de tabel dan ook kan worden aangewezen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang (Stb. 2005, 1). Ook voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang is het van belang dat de opening van de spuivoorziening zodanig is dat hinder voor gebruikers van een aangrenzend perceel beperkt blijft.

§ 3.11.2 Bestaande bouw

Artikel 3.64

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.11.1.

Artikel 3.65

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.11.1.

Artikel 3.66

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.11.1.