Contact Help
Afdeling 3.10 Luchtverversing van een verblijf ...
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken
0 topics gevondenNieuw topic starten


Afdeling 3.10 Luchtverversing van een verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte

§ 3.10.1 Nieuwbouw

Artikel 3.46

Het eerste lid geeft de functionele eis voor luchtverversing van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten voor nieuwbouw.

De in het tweede lid bedoelde tabellen wijzen per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 3.47 bepaalt in welke situatie er een voorziening voor luchtverversing aanwezig moet zijn (aanwezigheid);
2.artikel 3.48 bepaalt wat voor capaciteit de voorziening ten minste moet hebben (capaciteit);
3.artikel 3.49 bepaalt voor de leefzone van een verblijfsgebied de maximale luchtsnelheid van de toegevoerde lucht (thermisch comfort);
4.artikel 3.50 bevat voorschriften omtrent het kunnen regelen van de voorziening door de gebruiker (regelbaarheid);
5.artikel 3.51 bepaalt de richting van de luchtstroming van en naar de voorziening (stromingsrichting);
6.artikel 3.52 stelt eisen betreffende de plaats van de instroomopening van de toevoervoorziening (plaats van de opening), en
7.artikel 3.53 bepaalt vanwaar de verse lucht naar een verblijfsgebied of verblijfsruimte moet worden toegevoerd en waarheen deze moet worden afgevoerd (luchtkwaliteit).

Voor de gebruiksfunctie 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfunctie van toepassing is. In de tabellen 3.46.1 en 3.46.2 is de aansturing van de eisen aan de ventilatievoorziening voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). De betreffende grenswaarden gelden voor de gehele functie voor kinderopvang en niet alleen voor de ruimten waarin geslapen wordt. De vereiste waarden zijn ontleend aan de rapportage 'Bouwbesluit 2003 toegespitst op kinderopvang'. Voorts zijn in tabel 3.46.1 bij de gezondheidszorgfunctie de grenswaarden voor de bezettingsgraadklasse B4 aangepast. Voor het eerste lid van artikel 3.48 is voor een ruimte voor activiteiten die de binnenlucht verontreinigen (functie 4.2) en voor een ruimte voor aan bed gebonden patiënten (functie 4.3) de waarde teruggebracht van 1,3 tot 1. Voor een 'andere ruimte' (functie 4.4) is de waarde teruggebracht van 1,3 naar 0,5. In de tabel zijn verder de waarden voor het tweede lid van artikel 3.48 voor de functies 4.3 en 4.4 teruggebracht van 1 tot 0,8. Bovendien is voor de gehele gezondheidszorgfunctie de ten minste te realiseren capaciteit van de ventilatievoorziening voor een verblijfsruimte aangescherpt van 7 tot 10 dm3/s. Deze capaciteiten zijn daarmee in overeenstemming gebracht met die van andere gebruiksfuncties met een vergelijkbare ventilatiebehoefte.

Om te voorkomen dat de voorschriften voor een bestaande gebruiksfunctie 5a (lichte industrie) zwaarder zouden zijn dan voor nieuwbouw, stuurt tabel 3.46.2 artikel 3.53, vierde en vijfde lid, aan (Stb. 2002, 203).

Artikel 3.47

Dit artikel schrijft de aanwezigheid voor van een voorziening waarmee een verblijfsgebied, een verblijfsruimte, een toiletruimte en een badruimte langs natuurlijke of mechanische weg kunnen worden geventileerd. Op deze wijze wordt zeker gesteld dat de noodzakelijke zuurstof kan worden aangevoerd en kooldioxide, waterdamp, onaangename geurstoffen en stofdeeltjes kunnen worden afgevoerd. Verder is luchtverversing nodig om de in de lucht aanwezige schadelijke stoffen als gevolg van bijvoorbeeld formaldehyde-emissie en radonstraling te kunnen afvoeren.

Artikel 3.48

Dit artikel heeft als doel te waarborgen dat de door de mens veroorzaakte concentratie van kooldioxyde in een verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte of badruimte op een aanvaardbaar peil kan worden gehouden en geurstoffen in voldoende mate kunnen worden afgevoerd. De hoeveelheid luchtverversing van een verblijfsgebied of verblijfsruimte wordt bepaald aan de hand van zogenoemde bezettingsgraadklassen. Onder welke klasse een verblijfsgebied of een verblijfsruimte valt is afhankelijk van het gemiddeld aanwezige aantal personen per m2 vloeroppervlakte, zoals in tabel 3.46.1 vermeld. Het is de bedoeling dat de aanvrager van een bouwvergunning de klasse aangeeft die naar zijn oordeel van toepassing is. Daarbij zal de aanvrager moeten uitgaan van de hoogste bezetting waarop hij voor de betrokken bestemming rekent. Het uitgaan van een bezettingsgraadklasse voor de bepaling van de capaciteit van de ventilatievoorziening betekent in de praktijk, dat het verblijfsgebied of de verblijfsruimte door niet méér personen mag worden gebruikt dan het aantal dat bij de opgegeven klasse behoort. Dit vloeit voort uit de gebruiksvoorschriften van de gemeentelijke bouwverordening. Omvat een gebouw meerdere gebruiksfuncties, dan geldt de bezettingsgraadklasse waarvoor de zwaarste eis geldt. Wat betreft de hoogte van de eisen gaan de voor een verblijfsgebied en een verblijfsruimte voorgeschreven capaciteit van 0,9 respectievelijk 0,8 m3/s per m2 vloeroppervlakte uit van gemiddeld één persoon per 7 m2 verblijfsruimte. Voor de oppervlakte van een verblijfsgebied is voorts aangenomen dat deze gemiddeld 10% groter is dan de som van de daarbinnen gelegen verblijfsruimten. Hierin stemmen de eisen overeen met het advies van de Gezondheidsraad inzake ventilatie van 1984, waarin een minimum luchtverversing wordt aanbevolen van 25 m3/h (=7°10-3 m3/s) per persoon. Om te waarborgen dat in het kleinst denkbare verblijfsgebied of de kleinst denkbare verblijfsruimte van 4 m toch voldoende ventilatie aanwezig is zoals bedoeld in het advies van de Gezondheidsraad, is als ondergrens een capaciteit van 7°10-3 m3/s voorgeschreven. Bij het bepalen of de noodzakelijke ventilatiecapaciteit aanwezig is, moeten alle in de gebruiksfunctie aanwezige verblijfsgebieden gelijktijdig in beschouwing zijn genomen om te bereiken dat de vereiste hoeveelheid verse lucht gelijktijdig in alle verblijfsgebieden aanwezig kan zijn. Bij het stellen van de eisen ten aanzien van verblijfsruimten is er van uitgegaan dat de eisen betreffende de ventilatie van een verblijfsgebied voldoende ventilatie binnen dat gehele gebied waarborgen. De eisen gesteld aan verblijfsruimten gelden uitsluitend als vangnet.

Het voorschrift van het derde lid voor een verblijfsgebied of verblijfsruimte met een kook- of warmwatertoestel is erop gericht dat geurstoffen, bij normale verbranding vrijkomende dampen en overmatige waterdampproductie die daar kunnen ontstaan in korte tijd kunnen worden afgevoerd en verbrandingslucht kan worden toegevoerd. Door de beperking van dit voorschrift tot toestellen met een nominale belasting van 15 kW is het niet toereikend voor ruimten waarin een of meer toestellen zijn geplaatst met een grotere nominale belasting. Voor zulke gevallen is er in de regel een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer vereist. In die vergunning kunnen op de specifieke situatie toegesneden eisen worden gesteld aan de luchtverversing.

De in het vierde lid voorgeschreven capaciteit voor een toiletruimte is zodanig dat verontreinigde lucht in korte tijd kan worden afgevoerd. De voor een badruimte voorgeschreven capaciteit is afgestemd op het afvoeren van een overmaat aan waterdamp binnen zodanige tijd dat schimmelvorming wordt voorkomen.

De eisen ten aanzien van de luchtverversing van een industriefunctie zijn dusdanig dat het mogelijk is dat deze uitsluitend tot stand komt via deuren. De voorschriften inzake thermisch comfort en regelbaarheid zijn niet op de industriefunctie van toepassing.

De eisen voor de luchtverversing van een winkelfunctie verschillen in navolging van de arbeidsomstandighedenwetgeving naar gelang een verblijfsgebied of verblijfsruimte al dan niet mede is bestemd voor bezoekers. Voor ruimten die uitsluitend zijn bestemd voor personeel, de zogenoemde 'andere ruimte' uit de tabel, is een hogere ventilatienorm voorgeschreven dan voor ruimten die mede zijn bestemd voor bezoekers, die immers het merendeel van de gebruikers van die ruimten vormen.

Artikel 3.49

In dit artikel zijn voorschriften gesteld betreffende de luchtsnelheid van de ventilatielucht, met het doel tochtverschijnselen tot een minimum te beperken. Door toevoeging van het begrip 'verse' is artikel 3.49 in overeenstemming gebracht met de overige ventilatievoorschriften (Stb. 2005, 1). Hiermee is inzichtelijk gemaakt dat de beperking van de luchtsnelheid slechts betrekking heeft op de toevoer van verse, nog niet opgewarmde, ventilatielucht.

Artikel 3.50

Met de eisen betreffende de regelbaarheid van de ventilatievoorziening is beoogd de gebruikers van de gebruiksfunctie de mogelijkheid te geven zelf de voorziening op de gewenste stand in te stellen. Uit gezondheidsoogpunt is alleen de mogelijkheid uitgesloten om de ventilatie volledig stil te leggen door afsluiting van de opening van de voorziening. De nominale capaciteit van een zelfregelende voorziening als bedoeld in het eerste lid is de door de leverancier opgegeven capaciteit.

Artikel 3.51

Het voorschrift inzake de richting van de luchtstroming is gesteld om te voorkomen dat bijvoorbeeld een afvoervoorziening als toevoer gaat werken.

Artikel 3.52

Met dit artikel wordt beoogd te voorkomen dat door het gebouw zelf afgevoerde rook weer het gebouw wordt 'ingezogen'.

Artikel 3.53

Het eerste en het vierde lid van dit artikel regelen dat van de totale capaciteit aan ventilatielucht ten behoeve van een verblijfsgebied respectievelijk verblijfsruimte ten minste de helft van buiten moet worden aangezogen. Dit geldt voor de woonfunctie, uitgezonderd woonwagens en gemeenschappelijke verblijfsgebieden, en voor de logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw (bijvoorbeeld een zomerhuisje). Het restant van de toe te voeren lucht mag worden betrokken uit een ander verblijfsgebied of een verkeersruimte die tot de gebruiksfunctie behoort. Deze interne recirculatie van lucht is toegestaan, omdat ze leidt tot energiebesparing, aangezien recirculatielucht niet of nauwelijks opwarming behoeft. Voor de overige gebruiksfuncties bepaalt het derde lid dat alle verse lucht voor een al dan niet gemeenschappelijk verblijfsgebied rechtstreeks van buiten moet worden toegevoerd. Als gevolg van de wijziging van artikel 3.53, vierde lid (Stb. 2005, 1), behoeft niet meer de gehele ventilatiecapaciteit van een verblijfsruimte met kooktoestel rechtstreeks naar buiten te worden afgevoerd. Deze wijziging doet recht aan het gebruik dat slechts boven het fornuis een wasemkap is aangebracht die rechtstreeks naar buiten uitmondt. De afvoercapaciteit die uitgaat boven de 21 dm3/s mag voortaan via een andere ruimte worden afgevoerd. Het vijfde tot en met het zevende lid bevatten eisen die strekken tot het rechtstreeks naar buiten afvoeren van binnenlucht. De bedoeling hiervan is te voorkomen dat onaangename geuren of grote hoeveelheden waterdamp zich verspreiden naar andere ruimten van de gebruiksfunctie.

§ 3.10.2 Bestaande bouw

Artikel 3.54

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1. Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan de inrichting van de ventilatievoorziening. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwartikelen wordt nog het volgende opgemerkt. In tabel 3.54 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor de bestaande bouw ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor de ventilatiecapaciteit in een verblijfsruimte is uitgegaan van de grenswaarde bij de laagst toelaatbare bezettingsgraadklasse (B3) voor nieuwbouw. In de beschrijving van de specifieke ruimte van een gezondheidszorgfunctie als bedoeld in gebruiksfunctie 4.1 is 'voor activiteiten' vervangen door 'ruimte voor activiteiten' (Stb. 2005, 1). Daarmee past deze omschrijving beter in de systematiek van het Bouwbesluit 2003. Omwille van de consistentie van de voorschriften en in overeenstemming met fase 2, stuurt tabel 3.54 het tweede lid van artikel 3.56 nu ook aan voor gebruiksfunctie 5a (lichte industrie) (Stb. 2002, 203).

Artikel 3.55

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1. Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan de inrichting van de ventilatievoorziening. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwartikelen wordt nog het volgende opgemerkt. In tabel 3.54 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor de bestaande bouw ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor de ventilatiecapaciteit in een verblijfsruimte is uitgegaan van de grenswaarde bij de laagst toelaatbare bezettingsgraadklasse (B3) voor nieuwbouw. In de beschrijving van de specifieke ruimte van een gezondheidszorgfunctie als bedoeld in gebruiksfunctie 4.1 is 'voor activiteiten' vervangen door 'ruimte voor activiteiten' (Stb. 2005, 1). Daarmee past deze omschrijving beter in de systematiek van het Bouwbesluit 2003. Omwille van de consistentie van de voorschriften en in overeenstemming met fase 2, stuurt tabel 3.54 het tweede lid van artikel 3.56 nu ook aan voor gebruiksfunctie 5a (lichte industrie) (Stb. 2002, 203).

Artikel 3.56

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1. Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan de inrichting van de ventilatievoorziening. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwartikelen wordt nog het volgende opgemerkt. In tabel 3.54 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor de bestaande bouw ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor de ventilatiecapaciteit in een verblijfsruimte is uitgegaan van de grenswaarde bij de laagst toelaatbare bezettingsgraadklasse (B3) voor nieuwbouw. In de beschrijving van de specifieke ruimte van een gezondheidszorgfunctie als bedoeld in gebruiksfunctie 4.1 is 'voor activiteiten' vervangen door 'ruimte voor activiteiten' (Stb. 2005, 1). Daarmee past deze omschrijving beter in de systematiek van het Bouwbesluit 2003. Omwille van de consistentie van de voorschriften en in overeenstemming met fase 2, stuurt tabel 3.54 het tweede lid van artikel 3.56 nu ook aan voor gebruiksfunctie 5a (lichte industrie) (Stb. 2002, 203).

Het niveau van de geëiste ventilatiecapaciteit is het laagste dat in verblijfsruimten nog aanvaardbaar is uit het oogpunt van gezondheid en komt overeen met het minimum dat in de nieuwbouwvoorschriften voor verblijfsruimten is geëist. De voorschriften laten het toe dat ook naden en kieren als ventilatievoorziening worden aangemerkt.

Artikel 3.57

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1. Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan de inrichting van de ventilatievoorziening. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwartikelen wordt nog het volgende opgemerkt. In tabel 3.54 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor de bestaande bouw ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor de ventilatiecapaciteit in een verblijfsruimte is uitgegaan van de grenswaarde bij de laagst toelaatbare bezettingsgraadklasse (B3) voor nieuwbouw. In de beschrijving van de specifieke ruimte van een gezondheidszorgfunctie als bedoeld in gebruiksfunctie 4.1 is 'voor activiteiten' vervangen door 'ruimte voor activiteiten' (Stb. 2005, 1). Daarmee past deze omschrijving beter in de systematiek van het Bouwbesluit 2003. Omwille van de consistentie van de voorschriften en in overeenstemming met fase 2, stuurt tabel 3.54 het tweede lid van artikel 3.56 nu ook aan voor gebruiksfunctie 5a (lichte industrie) (Stb. 2002, 203).

Artikel 3.58

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1. Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan de inrichting van de ventilatievoorziening. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwartikelen wordt nog het volgende opgemerkt. In tabel 3.54 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor de bestaande bouw ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor de ventilatiecapaciteit in een verblijfsruimte is uitgegaan van de grenswaarde bij de laagst toelaatbare bezettingsgraadklasse (B3) voor nieuwbouw. In de beschrijving van de specifieke ruimte van een gezondheidszorgfunctie als bedoeld in gebruiksfunctie 4.1 is 'voor activiteiten' vervangen door 'ruimte voor activiteiten' (Stb. 2005, 1). Daarmee past deze omschrijving beter in de systematiek van het Bouwbesluit 2003. Omwille van de consistentie van de voorschriften en in overeenstemming met fase 2, stuurt tabel 3.54 het tweede lid van artikel 3.56 nu ook aan voor gebruiksfunctie 5a (lichte industrie) (Stb. 2002, 203).

Artikel 3.59

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1. Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan de inrichting van de ventilatievoorziening. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwartikelen wordt nog het volgende opgemerkt. In tabel 3.54 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor de bestaande bouw ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor de ventilatiecapaciteit in een verblijfsruimte is uitgegaan van de grenswaarde bij de laagst toelaatbare bezettingsgraadklasse (B3) voor nieuwbouw. In de beschrijving van de specifieke ruimte van een gezondheidszorgfunctie als bedoeld in gebruiksfunctie 4.1 is 'voor activiteiten' vervangen door 'ruimte voor activiteiten' (Stb. 2005, 1). Daarmee past deze omschrijving beter in de systematiek van het Bouwbesluit 2003. Omwille van de consistentie van de voorschriften en in overeenstemming met fase 2, stuurt tabel 3.54 het tweede lid van artikel 3.56 nu ook aan voor gebruiksfunctie 5a (lichte industrie) (Stb. 2002, 203).