Home › Nota van toelichting op Bouwbesluit 2003 › Artikelsgewijze toelichting › Hoofdstuk 3 Voorschriften uit het oogpunt van gezondheid
Het eerste lid geeft de functionele eis voor de bescherming tegen geluid van buiten.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De voorschriften zijn beperkt tot de gebruiksfuncties wonen, kantoor, onderwijs en gezondheidszorg. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 3.2 bevat eisen betreffende de geluidwering van uit- en inwendige scheidingsconstructies van verblijfsgebieden en verblijfsruimten in bouwwerken die zijn gelegen in geluidszones, vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder rond onder meer wegen; |
| 2. | artikel 3.3 bevat eisen betreffende de geluidwering van uit- en inwendige scheidingsconstructies van verblijfsgebieden en verblijfsruimten in bouwwerken die zijn gelegen in geluidszones, vastgesteld op grond van de Luchtvaartwet rond binnenlandse luchtvaartterreinen; |
| 3. | artikel 3.4 geeft aan tot welk niveau burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen (verbouw) en |
| 4. | rtikel 3.5 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften daarvoor gelden (tijdelijke bouw). |
Voor de bijeenkomstfunctie, celfunctie, industriefunctie, logiesfunctie, sportfunctie, winkelfunctie, 'overige gebruiksfunctie' en 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is. Als gevolg van de afstemming met de Wet geluidhinder is in tabel 3.1 de gezondheidszorgfunctie verder opgesplitst. De Wet geluidhinder noemt meerdere verblijfsgebieden in verschillende typen gezondheidszorgfuncties, die hiermee tot uitdrukking zijn gebracht (Stb. 2002, 203).
Het doel van dit artikel is de geluidhinder te beperken in verblijfsgebieden en verblijfsruimten van bouwwerken. Het gaat om in de Wet geluidhinder als geluidsgevoelig aangemerkte bouwwerken (bijvoorbeeld voor wonen, gezondheidszorg en onderwijs) alsmede kantoren. De eisen betreffen de 'karakteristieke' geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie, dit met het oog op de vrije indeelbaarheid van bouwwerken. Onder karakteristieke geluidwering wordt verstaan de grootheid die het verschil weergeeft tussen geluidsniveaus aan weerszijden van die gevel. Enerzijds is dit het niveau van het invallende geluid aan de buitenzijde van de gevel en anderzijds het geluidsniveau in de ruimte die achter die gevel ligt. Voor het laatstgenoemde geluidsniveau geeft het eerste lid via de tabel grenswaarden. Bij het bepalen daarvan is uitgegaan van de hoogste geluidsniveaus die de Wet geluidhinder toestaat in geluidsgevoelige ruimten. Dit is mogelijk, omdat verblijfsgebieden en verblijfsruimten, waarop de onderhavige eisen betrekking hebben, kunnen worden aangemerkt als geluidsgevoelige ruimten. De geluidwering die het tweede lid vereist voor de buitenwanden van een woonwagen - ten minste 20 dB(A) is de maximaal haalbare. Dit betekent dat in zwaarder met geluid belaste gebieden de binnenwaarde in een woonwagen hoger kan zijn dan 35 dB(A), de waarde die in beginsel voor woonfuncties geldt. Voor een woonwagen moet de bescherming tegen geluidhinder daarom primair worden gezocht in de locatiekeuze van de standplaats. De normstelling voor deze locatiekeuze is geregeld in besluiten die berusten op de Wet geluidhinder, namelijk het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen, het Besluit grenswaarden binnen zone langs wegen, het Besluit geluidhinder spoorwegen en het Saneringsbesluit geluidhinder wegverkeer. Het derde lid geeft een grenswaarde voor het geluidsniveau in de kantoorruimte die achter de gevel ligt. Gevels van bouwwerken hebben in de regel al een geluidwering van 20 dB(A), zonder dat er extra maatregelen hoeven te worden genomen. Wanneer men deze waarde optelt bij toegelaten geluidsniveau van 40 dB(A) voor kantoorruimten, komt men op een grenswaarde van 60 dB(A)voor de geluidsbelasting van de gevel. De eisen van dit lid zijn dan ook van belang voor het bouwen van kantoren waarvan de geluidsbelasting meer is dan 60 dB(A). Het vierde lid geeft aan dat, indien krachtens de Wet geluidhinder in het verblijfsgebied van een bouwwerk een hoger geluidsniveau is toegestaan, de karakteristieke geluidwering van de buitengevel niet kleiner mag zijn dan het verschil tussen de geluidsbelasting van die gevel en het krachtens de Wet geluidhinder toegestane hogere geluidsniveau. Het vijfde lid heeft betrekking op de inwendige scheidingsconstructie tussen een verblijfsgebied en een besloten ruimte die aan de buitenlucht grenst, zoals bijvoorbeeld een serre of besloten galerij. Zo'n binnenwand moet dezelfde mate van geluidwering hebben als de gevel van een vergelijkbaar verblijfsgebied dat grenst aan de buitenlucht. Hierbij mag het positieve effect van die serre of besloten galerij worden meegerekend. Een en ander vloeit voort uit de omschrijving in het eerste hoofdstuk van het begrip 'inwendige scheidingsconstructie'. Het komt vaak voor dat een bouwaanvraag een niet-ingedeeld verblijfsgebied omvat. Na de voltooiing van het gebouw wordt dit gewoonlijk pas ingedeeld in onder meer afzonderlijke verblijfsruimten. Voor deze situatie waarborgt het zesde lid dat er in elke afzonderlijke verblijfsruimte een aanvaardbaar geluidsniveau optreedt.
Met de wijzigingen (Stb. 2006, 586) van tabel 3.1 en artikel 3.2 zijn enkele begrippen die in de uitvoeringspraktijk aanleiding gaven tot misverstanden verduidelijkt. Het betreft met name de zinsnede 'de volgens de Wet geluidhinder bepaalde geluidsbelasting'. In aansluiting met de systematiek van de Wet geluidhinder is hier bedoeld de volgens de Wet geluidhinder geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, een waarde die bij de voorbereiding van het bestemmingsplan is afgesproken. Deze geluidsbelastingwaarde is vastgelegd in het hogere waardenbesluit dat onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan. Het gaat dan om de maximaal toelaatbare geluidsbelasting op de gevel van het bouwwerk waarin de betreffende gebruiksfunctie ligt. Tevens is de term 'geluidniveau' vervangen door 'geluidsbelasting'. Daarmee sluiten deze voorschriften van het Bouwbesluit 2003 beter aan bij de begripsbepalingen van de Wet geluidhinder. Niet alleen situaties waarvoor de Wet geluidhinder grenswaarden stelt dienen te voldoen aan de eisen die dit besluit aan de geluidwering van de gevel stelt. Zo valt de beoordeling van woningbouw langs 30 km per uur wegen niet onder de Wet geluidhinder. Woningen die langs die wegen gebouwd worden dienen echter wel aan de in dit besluit opgenomen eisen voor woningen voldoen. Een andere situatie doet zich voor bij kantoorgebouwen. Bij kantoorgebouwen gaat het uitsluitend om de 'geluidsbelasting bepaald volgens de Wet geluidhinder'. Alhoewel kantoorgebouwen niet zijn aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in de Wet geluidhinder, moet voor dit soort gebouwen wel van de in die wet opgenomen bepalingsmethode gebruik worden gemaakt. In het nieuwe zevende lid zijn deze situaties geregeld. In geval geluidsgevoelige gebruiksfuncties nabij industrieterreinen of (spoor)wegen gebouwd gaan worden en er geen hogere waardenbesluit is, omdat het bestemmingsplan ontbreekt of nog niet is geactualiseerd, of daar wettelijk geen verplichting toe bestond, dan moeten die bouwwerken toch afdoende geluidisolatie hebben. In die situaties is voor de bepaling van de karakteristieke geluidwering de 'geluidbelasting zoals bepaald volgens de Wet geluidhinder' van toepassing. Dat wil zeggen dat de geluidsbelasting overeenkomstig de begripsbepaling en het reken- en meetvoorschrift van de Wet geluidhinder moet worden bepaald. Er is geen sprake van een inhoudelijke wijziging van de eisen.
Het doel van dit artikel is de geluidhinder te beperken in verblijfsgebieden en verblijfsruimten van geluidsgevoelige gebruiksfuncties die liggen in zones rond binnenlandse luchtvaartterreinen welke op grond van de Luchtvaartwet zijn vastgesteld. De maximaal toelaatbare geluidsbelasting van de gevels van bedoelde gebruiksfuncties is uitgedrukt in zogenaamde Kosteneenheden (Ke). In het Besluit geluidsbelasting grote luchtvaartterreinen is onder meer bepaald dat er maatregelen moeten worden getroffen aan geluidsgevoelige gebruiksfuncties die worden gebouwd op plaatsen waar de geluidsbelasting hoger is dan 35 Ke. Het doel van deze maatregelen is een aanvaardbaar geluidsniveau te verzekeren binnen verblijfsgebieden en verblijfsruimten (geluidsgevoelige ruimten). Het eerste lid eist voor een woonfunctie, gezondheidszorgfunctie en een onderwijsfunctie een zwaardere geluidwering voor de uitwendige scheidingsconstructie van verblijfsgebieden dan artikel 3.2, indien deze gebruiksfuncties in een gebied liggen waar sprake is van ernstige hinder door luchtvaartlawaai. Met de wijziging (Stb. 2006, 257) is het Bouwbesluit 2003 aangepast aan de wijziging van de Wet luchtvaart (Stb. 2002, 374). Kern van die wijziging is dat de inrichting en het gebruik van de luchthaven Schiphol onder de Wet luchtvaart valt. Voor de omgeving van Schiphol zijn kaarten ontwikkeld met een zonering door middel van geluidscontouren. Deze moeten in acht worden genomen bij de bepaling van de karakteristieke geluidwering van nieuw te bouwen bijzonder geluidsgevoelige gebouwen. Alhoewel de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 (RGV '97) is ontwikkeld voor de na-isolatie van bestaande bijzonder geluidsgevoelige gebouwen, biedt de Wet luchtvaart de mogelijkheid om deze regeling ook voor nieuw te bouwen bijzonder geluidsgevoelige gebouwen toe te passen. Daartoe bevat de RGV '97 de betreffende geluidskaarten rondom de luchthaven Schiphol. Voor alle andere luchthavens blijft de Luchtvaartwet van kracht. Het tweede lid regelt deze extra geluidwering voor kantoren [bij ernstige hinder door luchtvaartlawaai].
De verwijzing in artikel 3.3, eerste en tweede lid, naar de artikelen 8.32, 8.56, 8.74 en 10.24 van de Wet luchtvaart (Stb. 2009, 400) doelt op de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997. Artikel 8.32 heeft betrekking op Schiphol, de drie andere artikelen verklaren artikel 8.32 van overeenkomstige toepassing op luchthavens met een «luchthavenbesluit» (als bedoeld in artikel 1.1 Wet luchtvaart). Voor dergelijke luchthavens geldt, evenals voor Schiphol, een beperkingengebied, waar in verband met de nabijheid van de luchthaven met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting ruimtelijke beperkingen gelden. Artikel 8.56 heeft betrekking op luchthavens van regionale betekenis, artikel 8.74 op luchthavens van nationale betekenis en artikel 10.24 op militaire luchthavens.
Het derde lid is erop gericht de geluidhinder te beperken die slaapkamers van woonfuncties en ziekenkamers in de gezondheidszorgfunctie ondervinden van structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer. Voor de bepaling van de geluidsbelasting is verwezen naar de NEN 5077, omdat deze de methode bevat waarmee het binnenniveau word vastgesteld als een energetisch gewogen uitkomst voor opstijgend en landend vliegverkeer.
In artikel 3.3, derde lid, is, net als in de omschrijving van «gebruiksfunctie die bijzonder gevoelig is voor luchtvaartlawaai» in artikel 1.1, tot uitdrukking gebracht (Stb. 2009, 400) dat alleen voor de omgeving van Schiphol een LAeq-geluidszone is vastgesteld. Het derde lid is relevant voor bouwvergunningen die worden verleend voor woningen en gezondheidszorggebouwen in de LAeq-geluidszone.
De Regeling berekening nachtelijke geluidsbelasting, waar het derde lid [voor de wijziging van Stb. 2009, 400] naar verwees, is inmiddels vervallen. 5 De inhoud daarvan zal worden opgenomen in de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997.
Het vierde lid heeft betrekking op de inwendige scheidingsconstructie (binnenwand) tussen een verblijfsgebied en een besloten ruimte van bijvoorbeeld een aan een woning grenzende garage of buitenberging. Zo'n binnenwand moet een zelfde mate van geluidwering hebben alsof het een gevel van dat verblijfsgebied betreft. Hierbij mag het positieve effect op de geluidwering door de aanwezigheid van de garage of buitenberging worden meegerekend. Het vijfde lid waarborgt dat er in elke afzonderlijke verblijfsruimte een aanvaardbaar geluidsniveau optreedt.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor de bescherming tegen geluid van installaties.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 3.7 bevat eisen betreffende het geluidsniveau in een verblijfsgebied van een gebruiksfunctie dat wordt veroorzaakt door een installatie die zich bevindt in een aangrenzende gebruiksfunctie op een aangrenzend perceel (aangrenzend perceel); |
| 2. | artikel 3.8 bevat eisen betreffende het geluidsniveau in een verblijfsgebied van een gebruiksfunctie dat wordt veroorzaakt door een installatie die zich bevindt in een op hetzelfde perceel gelegen woonfunctie, logiesfunctie, of gemeenschappelijk verblijfsgebied (zelfde perceel); |
| 3. | artikel 3.9 geeft aan tot welk niveau burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en |
| 4. | artikel 3.10 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften daarvoor gelden (tijdelijke bouw). |
Voor de 'woonfunctie van een woonwagen' en 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis van het eerste lid evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.
Dit artikel heeft als doel geluidhinder veroorzaakt door met name genoemde installaties te beperken voor de belendingen. Enkele voorbeelden van zulke situaties zijn geluidhinder in een woonkamer als gevolg van een toilet in een aangrenzende woonfunctie of als gevolg van een liftinstallatie in een aangrenzend kantoor. Dit zowel voor niet-gemeenschappelijke (individuele) als gemeenschappelijke installaties. De wenselijkheid van deze voorschriften vloeit voort uit de omstandigheid dat mensen geluiden van buiten de eigen woning, hotelkamer, kantoor etc. als hinderlijker ondervinden dan geluiden van binnen de eigen woning etc. Dit komt mede doordat men in de regel geen of nauwelijks invloed kan uitoefenen op geluid dat van buiten de eigen gebruiksfunctie komt. Onder het begrip 'karakteristiek geluidsniveau' wordt overeenkomstig NEN 5077 verstaan de grootheid die het geluidsniveau in de ontvangstruimte weergeeft dat wordt veroorzaakt door een installatie die in werking is, herleid naar gestandaardiseerde afmetingen van de ontvangruimte. De hantering van dit begrip hangt samen met het beginsel van de vrije indeelbaarheid van een woonfunctie.
Dit artikel regelt de beperking van overlast van installaties voor op het zelfde perceel gelegen gebruiksfuncties. Het eerste lid regelt dat een installatie van een woning geen geluidsoverlast zal geven in een andere woning (bijvoorbeeld van een andere woning in het woongebouw of een onder de woning gelegen winkel). Dit geldt ook voor een gemeenschappelijke installatie van de woning (bijvoorbeeld een liftinstallatie). Een gemeenschappelijke installatie zal in geen enkele woning geluidsoverlast mogen geven. Een soortgelijke bepaling is voor logiesfuncties (bijvoorbeeld hotelkamers) opgenomen in het tweede lid. Het derde lid geeft aan dat er in een woning geen geluidsoverlast mag zijn van een installatie van een utiliteitsgebouw.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor de geluidwering tussen verblijfsruimten van één gebruiksfunctie.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De voorschriften zijn naar werking beperkt tot woonfuncties en de onderwijsfunctie voor het basis- of speciaal onderwijs. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 3.12 bevat eisen betreffende de geluidwering tussen verblijfsruimten van een woning en tussen bepaalde verblijfsruimten van een onderwijsfunctie (isolatie-index); |
| 2. | artikel 3.13 geeft aan tot welk niveau burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en |
| 3. | artikel 3.14 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften daarvoor gelden (tijdelijke bouw). |
Voor andere gebruiksfuncties dan de woonfunctie en onderwijsfunctie voor het basis- of speciaal onderwijs wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op die andere gebruiksfuncties van toepassing is. Tabel 3.11 en artikel 3.12 zijn aangepast (Stb. 2005, 1) naar aanleiding van de deregulering van eisen voor de onderwijsfunctie.
Met dit artikel wordt beoogd mogelijke hinder in verblijfsruimten van een woonfunctie en een onderwijsfunctie die wordt veroorzaakt door lawaai vanuit andere verblijfsruimten in die woonfunctie, te beperken. Het gaat hier uitsluitend om geluidwering tussen ruimten van eenzelfde gebruiksfunctie die zijn bestemd voor individueel gebruik. Geluidwering tussen ruimten van een woonfunctie en gemeenschappelijke ruimten waarop die woonfunctie is aangewezen, zoals bijvoorbeeld een gemeenschappelijke keuken of badruimte, valt onder paragraaf 3.5, Geluidwering tussen ruimten van aangrenzende gebruiksfuncties. De eisen zijn uitgedrukt in een karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid en een isolatie-index voor contactgeluid. Onder de 'karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid' wordt verstaan de grootheid die de geluidsisolatie voor luchtgeluid tussen twee ruimten weergeeft, herleid naar gestandaardiseerde afmetingen van de ontvangstruimte. Luchtgeluid is een trilling van de lucht die wordt voortgebracht door een geluidsbron in een ruimte (zendruimte). Deze luchttrilling brengt via een constructie-onderdeel, zoals een wand, de lucht in een andere ruimte (ontvangstruimte) eveneens in trilling. Met het begrip 'isolatie-index voor contactgeluid' wordt aangeduid de grootheid die de geluidsisolatie voor contactgeluid tussen twee ruimten weergeeft. De waarde van deze laatste grootheid is onafhankelijk van de afmetingen van de ontvangstruimte, zodat herleiding naar gestandaardiseerde afmetingen hierbij niet noodzakelijk is. Daarom is het ook niet nodig te spreken van een karakteristieke wering van contactgeluid. Contactgeluid is een door een geluidsbron direct, dus zonder tussenkomst van lucht, veroorzaakte trilling van een constructie-onderdeel in een ruimte (zendruimte). Deze luchttrilling brengt, eventueel via een ander constructie-onderdeel, de lucht in een andere ruimte (ontvangstruimte) eveneens in trilling.
Het artikel bevat de geluidsisolatie-eisen tussen verblijfsruimten in een woning. Dit voorschrift geldt niet voor verblijfsruimten op dezelfde bouwlaag die met elkaar in open verbinding staan of worden gescheiden door een wand met daarin een raam of deur. Zo'n eis zou niet zinvol zijn en, met het oog op de kosten, ook niet doelmatig. Het voorschrift is wel van toepassing indien er zich in een verblijfsruimte bijvoorbeeld een open trap bevindt die naar een verblijfsruimte leidt op een andere bouwlaag. Uiteraard geldt het voorschrift ook in geval van een verbinding met een andere bouwlaag via een trappenhuis met deuren. Van 'rechtstreeks bereikbaar zijn door een deuropening' is geen sprake ingeval van twee aangrenzende vertrekken die met elkaar in verbinding staan via deuren die op een overloop uitkomen. Het eerste lid is aangepast omdat er voor contactgeluid wel een isolatie-index, maar geen 'karakteristieke isolatie-index' (zoals voor luchtgeluid) is. Verder was bij de waarde 20 het letterteken '-' weggevallen (Stb. 2002, 203). Het laten vervallen (Stb. 2005, 1) van de voorschriften aan de geluidsisolatie tussen onderwijsruimten van het basis- en speciaal onderwijs, voorheen het tweede tot en met vijfde lid van dit artikel, betekent niet dat geluidsisolatie niet van belang is. Het is echter aan de opdrachtgever om een programma van eisen op te stellen dat recht doet aan de onderwijskundige eisen die aan een gebouw worden gesteld.
De bij het maximale ontheffingsniveau aangegeven eenheid is van dB(A) gewijzigd (Stb. 2005, 1) in dB en daarmee in overeenstemming gebracht met de eenheid in de artikelen waarop dat ontheffingsniveau van toepassing is. Vervolgens is in artikel 3.14 nu verwezen naar het gehele artikel 3.12 in plaats van de verwijzing naar het eerste lid.
De bij het maximale ontheffingsniveau aangegeven eenheid is van dB(A) gewijzigd (Stb. 2005, 1) in dB en daarmee in overeenstemming gebracht met de eenheid in de artikelen waarop dat ontheffingsniveau van toepassing is. Vervolgens is in artikel 3.14 nu verwezen naar het gehele artikel 3.12 in plaats van de verwijzing naar het eerste lid.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor de beperking van galm voor nieuwbouw.
e tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld: artikel 3.16 stelt een eis aan het geluidsabsorberend vermogen van gangen en trappenhuizen in woongebouwen (getalwaarde).
Voor andere gebruiksfuncties dan de 'woonfunctie gelegen in een woongebouw', wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op die andere gebruiksfuncties van toepassing is. Tabel 3.15 en artikel 3.16 zijn aangepast (Stb. 2005, 1) naar aanleiding van de deregulering van eisen voor de onderwijsfunctie.
Het doel van het eerste lid is de geluidhinder in appartementen als gevolg van galm in aangrenzende gangen trappenhuizen of besloten galerijen te beperken. De praktijk wijst uit dat indien er geen geluidsabsorberende maatregelen zouden worden getroffen, het galmeffect uitnodigt tot het maken van extra lawaai in deze verkeersruimten. In de praktijkrichtlijn NPR 5071, uitgave 1981, zoals aangevuld in 1991, zijn voorbeelden gegeven van maatregelen tegen galm. Onder 'geluidsabsorptie' van een gemeenschappelijke verkeersruimte wordt verstaan de som van de geluidsabsorptie van de diverse constructieonderdelen van die ruimte. Onder de geluidsabsorptie van zo'n constructie-onderdeel wordt verstaan de verhouding tussen het geluidsvermogen dat door dat onderdeel wordt geabsorbeerd, dat wil zeggen niet gereflecteerd, en het geluidsvermogen dat op dat onderdeel invalt. Artikel 3.16 is aangepast (Stb. 2005, 1) naar aanleiding van de deregulering van eisen voor de onderwijsfunctie. Het laten vervallen van de voorschriften aan de beperking van galm in leslokalen (voorheen tweede lid) betekent niet dat het beperken van galm niet van belang is. In de praktijk wordt de reductie van galm zowel bepaald door bouwkundige als door inrichtingsfactoren zoals meubilair, gordijnen en dergelijke. De inrichtingsfactoren spelen in een leslokaal in de regel een grotere rol dan de bouwkundige factoren. Het is aan de opdrachtgever om een programma van eisen op te stellen dat recht doet aan de onderwijskundige eisen die aan een gebouw worden gesteld.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor de geluidwering tussen ruimten van andere gebruiksfuncties.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 3.18 bevat eisen betreffende de geluidwering tussen besloten ruimten van aangrenzende gebruiksfuncties die liggen op verschillende percelen (ander perceel); |
| 2. | artikel 3.19 bevat soortgelijke eisen, maar dan voor aangrenzende gebruiksfuncties die liggen op hetzelfde perceel (hetzelfde perceel); |
| 3. | artikel 3.20 geeft aan tot welk niveau burgemeester en wethouders maximaal ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en |
| 4. | artikel 3.21 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften daarvoor gelden (tijdelijke bouw). |
Voor de woonfunctie van woonwagen en 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is. Tabel 3.17 is aangepast (Stb. 2005, 1) naar aanleiding van de deregulering van eisen voor de onderwijsfunctie.
De eisen in deze paragraaf zijn uitgedrukt in een karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid (eerste lid) en een isolatie-index voor contactgeluid (tweede lid). Een verklaring van deze termen is gegeven in de toelichting op artikel 3.12. Voor woonfuncties is de karakteristieke geluidsisolatie-index voor contactgeluid overeenkomstig de Nota Wonen met 5 dB aangescherpt. Met het voorschrift van het eerste en tweede lid wordt beoogd de mogelijke hinder in een verblijfsgebied te beperken die wordt veroorzaakt door lawaai vanuit een besloten ruimte van een aangrenzende gebruiksfunctie op een ander perceel. Hierbij kan worden gedacht aan een woonkamer, een zolderruimte die een slaapkamer bevat of een gemeenschappelijke zitgelegenheid, die beschermd moeten worden tegen lawaai uit een trappenhuis, een toiletruimte, een verkoopruimte of een leslokaal in een belendend bouwwerk. In de meeste gebruiksfuncties heeft een verblijfsgebied een geluidsgevoelig karakter, daarom wordt voor de geluidsisolatie-indexen in de regel een waarde verlangd van ten minste 0 dB. Uitgaande van een normale geluidsproductie, zal bij die waarde de hinder in het verblijfsgebied beperkt blijven. De eis geldt niet voor situaties waarin de ontvangstruimte van het geluid ligt in een lichte industriefunctie of in een ander utiliteitsgebouw. Gezien de aard van dit soort gebouwen, zoals bijvoorbeeld een bergruimte bij een woning, een magazijn in een winkel of een stal in een boerderij, wordt een geluidsisolatie-eis niet nodig geacht. Ook is ervan afgezien om naast het voorschrift voor verblijfsgebieden nog een afzonderlijk voorschrift te geven voor verblijfsruimten. De reden hiervan ligt in de aard van de scheidingsconstructies tussen de in dit lid bedoelde ruimten. Deze zijn doorgaans zodanig dat het feitelijk gezien geen verschil maakt of de ontvangstruimte een verblijfsgebied dan wel een afzonderlijke verblijfsruimte is. Het derde lid heeft betrekking op mogelijke hinder in besloten ruimten die niet tot een verblijfsgebied behoren, welke hinder - net als in het eerste lid - wordt veroorzaakt door lawaai vanuit een besloten ruimte van een aangrenzende gebruiksfunctie op een ander perceel. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om een toiletruimte, een vliering, een trappenhuis en een gemeenschappelijke ruimte voor afvalcontainers.
Dit artikel is vergelijkbaar met het voorgaande, maar richt zich op situaties waarin zend- en ontvangstruimte van het geluid op hetzelfde perceel liggen. Het vijfde lid heeft betrekking op de relatie tussen een woning en bijvoorbeeld een schuur of een garage die bij die woning behoort. Zo'n bergruimte wordt beschouwd als een 'overige gebruiksfunctie'. Omdat er in dit geval van mag worden uitgegaan dat lawaai in de bergruimte wordt veroorzaakt door de gebruikers van de woning zelf, is een eis aan de geluidwering niet nodig. Een eis aan de geluidwering wordt wel gesteld indien de bergruimte door meerdere woonfuncties wordt gebruikt. Het tweede en vierde lid geven specifieke voorschriften voor de isolatie-index voor contactgeluid respectievelijk de karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid voor woningen in een woongebouw. De redactionele aanpassing van het vijfde lid is het gevolg van de introductie van het begrip 'nevenfunctie' (Stb. 2002, 203).
Het zesde lid bepaalt dat de voorschriften van het derde en het vierde lid niet van toepassing zijn op situaties waarin een gemeenschappelijke gang of trappenhuis onderhevig is aan geluid vanuit ruimten in de daaraan grenzende woningen die niet behoren tot het verblijfsgebied van die woningen, zoals een portaal. Op de situatie waarin de gemeenschappelijke verkeersruimte de zendruimte van het geluid is en een verblijfsgebied in een woning de ontvangstruimte, is het eerste lid onverkort van toepassing. In het zevende lid is bepaald dat de voorschriften van het eerste tot en met vierde lid niet gelden voor gemeenschappelijke ruimten, zoals gemeenschappelijke gangen, zitgelegenheden en badruimten, onderling. De reden is dat men door de aard van het gebruik daarvan niet snel hinder zal ondervinden van de andere ruimte. De andere leden geven soortgelijke voorschriften voor celfuncties, logiesfuncties, bepaalde onderwijsfuncties en daarbij behorende sportfuncties (gymnastieklokalen). Het laten vervallen (Stb. 2005, 1) van deze voorschriften (het tiende tot en met dertiende lid) aan de geluidsisolatie tussen op een zelfde perceel gelegen ruimten betekent niet dat geluidsisolatie niet van belang is. Het is aan de opdrachtgever om een programma van eisen op te stellen dat recht doet aan de specifieke onderwijskundige eisen.
De bij het maximale ontheffingsniveau aangegeven eenheid is van dB(A) gewijzigd (Stb. 2005, 1) in dB en daarmee in overeenstemming gebracht met de eenheid in de artikelen waarop dat ontheffingsniveau van toepassing is.
Artikel 3.21 is aangepast, omdat er voor contactgeluid wel een isolatie-index, maar geen 'karakteristieke isolatie-index' is. Een ontheffing van een isolatie-index moet in de waarde dB in plaats van dB (A) worden aangegeven (Stb. 2002, 203).
Het eerste lid geeft de functionele eis voor wering van vocht van buiten voor nieuwbouw. Door het schrappen (Stb. 2005, 1) van 'uitwendige' in de functionele eis van de artikelen 3.22, eerste lid, en 3.24, eerste lid, wordt recht gedaan aan de situatie dat deze eis ook betrekking heeft op inwendige scheidingsconstructies.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor het onderhavige onderwerp is er slechts één bepaling. Dit is artikel 3.23, dat eisen bevat betreffende de waterdichtheid en luchtvolumestroom van scheidingsconstructies van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toilet- en badruimten.
Voor de 'lichte industriefunctie', 'overige gebruiksfunctie' en 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is. In tabel 3.22 is de aansturing van artikel 3.23 en in tabel 3.24 is de aansturing van artikel 3.25 voor de industriefunctie geschrapt (Stb. 2005, 1). In een industriegebouw kan een niet-besloten verblijfsgebied aanwezig zijn. Bij zo'n verblijfsgebied worden geen eisen meer aan de waterdichtheid gesteld. Dit is omdat in de praktijk blijkt dat voor veel industriegebouwen waterdichtheid niet relevant is en ook niet altijd kan worden gerealiseerd. Bovendien was reeds toegestaan in een industriegebouw een niet besloten ruimte als verblijfsgebied aan te merken. Een dergelijke ruimte behoeft uit de aard der zaak niet waterdicht te zijn. Een logisch gevolg hiervan is het schrappen van de waterdichtheidseis voor de gehele industriefunctie. De markt kan zelf beslissen of en in hoeverre een industriegebouw waterdicht moet zijn. De gezondheid van in het gebouw werkzame personen kan ook worden gewaarborgd met persoonlijke beschermingsmiddelen.
Het doel van dit artikel is te voorkomen dat er in gebouwen vochtoverlast optreedt en daarmee de kwaliteit van het binnenmilieu wordt aangetast. Feitelijk gezien komt dit erop neer, dat het dak en de gevels regen, sneeuw en hagel moeten kunnen weren. Bovendien moet de laagst gelegen vloer het doordringen van vocht, bijvoorbeeld vanuit de kruipruimte, kunnen voorkomen. Het eerste en het tweede lid komen er meestal op neer dat het dak, de gevel en de laagst gelegen vloer van een gebouw waterdicht moeten zijn. Een constructie-onderdeel is blijkens NEN 2778 waterdicht, indien dat onderdeel niet zichtbaar water doorlaat en het binnenoppervlak van de constructie over een dikte van 0,01 mm niet vochtig wordt. Deze waterdichtheid wordt vastgesteld aan de hand van a) een gestandaardiseerde beregeningsproef en b) een ter plaatse voorkomende hoogste grondwaterstand die gedurende een gestandaardiseerde tijdsduur in stand moet worden gehouden. Niet alle uitwendige scheidingsconstructies behoeven volgens het eerste lid waterdicht te zijn. Voorbeelden hiervan zijn het dak en de gevels van een serre, schuur of garage. Indien zo'n bouwsel grenst aan een gebouw waarop het eerste lid van toepassing is, moet de wand tussen beide volgens het derde lid waterdicht zijn. Bij de bepaling van de waterdichtheid van de scheidingswand mag men rekening houden met de positieve effecten van het dak en de gevels van de serre, schuur of garage. Dit vloeit voort uit de definitie van het begrip 'inwendige scheidingsconstructie'. Het vierde lid bevat een eis aan de vochtwering van de begane grondvloer ter plaatse van een verblijfsgebied, toilet- of badruimte waaronder een kruipruimte ligt. Het doel hiervan is te voorkomen dat door het doordringen van lucht vanuit de kruipruimte de relatieve luchtvochtigheid in de genoemde ruimten op een te hoog niveau komt te liggen. Hierdoor zou al snel oppervlaktecondensatie op constructie-onderdelen ontstaan en schimmelgroei worden bevorderd, wat uit gezondheidsoogpunt ongewenst is.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.6.1.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.6.1.
Dit artikel vereist voor bestaande gebouwen praktisch dezelfde mate van vochtwerendheid als voor nieuwbouw. Anders dan voor nieuwbouw is er echter geen eis gesteld aan het doordringen van lucht vanuit de kruipruimte. Het stellen van zo'n eis zou namelijk hebben betekend dat houten vloeren in de bestaande voorraad niet langer zijn toegestaan.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor wering van vocht van binnen voor nieuwbouw.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 3.27 bevat eisen aan de factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte van wanden van verblijfsgebieden (factor van de temperatuur), en |
| 2. | artikel 3.28 bevat eisen aan het vermogen tot wateropname van de wanden van een toilet- of badruimte (wateropname). |
Voor de 'lichte industriefunctie' en 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid voor dit onderdeel geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.
Het doel van dit artikel is te voorkomen dat er in gebouwen vochtophoping als gevolg van condensatie optreedt. Dit gebeurt met het oogmerk zoveel mogelijk te voorkomen dat er een gunstig milieu ontstaat voor schimmels en huisstofmijt. Condensatie wordt voorkomen door het vermijden van relatief koude binnenoppervlakken, de zogenoemde koudebruggen. Het gaat daarbij om constructie-onderdelen die een verblijfsgebied respectievelijk, wat betreft een woonwagen, een verblijfsruimte begrenzen. Het begrip 'factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte' (f-factor) geeft een verhouding weer tussen twee grootheden. Enerzijds is dit het verschil tussen de temperatuur op het binnenoppervlak van een constructie-onderdeel en de buitentemperatuur, en anderzijds het verschil tussen de binnentemperatuur en de buitentemperatuur. Het eerste en tweede lid gelden slechts voor de uitwendige scheidingsconstructie en de begane-grondvloer voorzover deze een verblijfsgebied begrenzen. Gevels ter plaatse van bijvoorbeeld een toilet- of badruimte, een serre of aangebouwde garage vallen er niet onder, evenmin als het dak boven een zolder die niet als verblijfsgebied is ingericht. Ter voorkoming van condensvorming op binnenwanden tussen dergelijke ruimten en het verblijfsgebied bevat het derde lid een eis aan deze inwendige scheidingsconstructies. In het vierde lid is bepaald dat voor bepaalde onderdelen van, of voorzieningen samenhangend met wanden, de eisen betreffende condensvorming niet gelden. Het gaat hierbij om ramen, deuren, kozijnen, voorzieningen voor ventilatie, voor toevoer van verbrandingslucht, voor afvoer van rook en dergelijke constructie-onderdelen. Het vijfde lid bevat een uitzondering op de eisen inzake condensvorming op wanden van verblijfsgebieden. Deze uitzondering is gemaakt voor gebouwen die niet worden verwarmd met het oog op het verblijven van mensen. De uitgezonderde gebouwen kunnen dus wel zijn verwarmd met het oog op bijvoorbeeld het vorstvrij houden. Feitelijk gaat het hier om gebouwen waarin slechts af en toe mensen aanwezig zullen zijn, bijvoorbeeld in verband met het verrichten van arbeid. Deze gebouwen moeten behoren tot de 'lichte industriefunctie', zoals bijvoorbeeld pakhuizen, kassen en stallen, of de 'overige gebruiksfunctie', zoals bijvoorbeeld stationsgebouwen.
Wanneer er als gevolg van het gebruik van water teveel vocht doordringt in de wanden of de vloer van een bad- of toiletruimte kan er schimmelvorming, rotting of lekkage ontstaan. Hierdoor kan op den duur de gezondheid van de gebruikers van het gebouw nadelig worden beïnvloed. Krachtens dit artikel mogen daarom het oppervlak van het onderste deel van die wanden en het oppervlak van die vloer slechts beperkt waterdoorlatend zijn. Dit kan worden bereikt door bijvoorbeeld het aanbrengen van tegels. De eisen leiden er tevens toe dat de wanden en de vloer op effectieve wijze kunnen worden gereinigd. Bij een bad of een douche gelden de voorschriften met betrekking tot een grotere hoogte.
Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 3.7.1.
Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 3.7.1.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor afvoer van afvalwater en fecaliën.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 3.32 regelt in welke situatie er een afvoervoorziening aanwezig moet zijn (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 3.33 bepaalt dat een voorgeschreven afvoervoorziening moet kunnen worden aangesloten op het riool en op welke plaatsen de voorziening aansluitpunten moet hebben (aansluitingen); |
| 3. | artikel 3.34 bepaalt wat voor capaciteit de voorziening ten minste dient te hebben (capaciteit), en |
| 4. | artikel 3.35 bepaalt dat de voorziening lucht- en waterdicht moet zijn (lucht/ waterdicht). |
Dit artikel regelt de aanwezigheid van een voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliën. Het gaat hierbij om een stelsel van afvoerleidingen binnen het gebouw. De verplichting tot aanwezigheid van de afvoervoorziening is voor de woonfunctie verplicht. Voor alle andere bouwwerken is dit afhankelijk van de aanwezigheid van een lozingstoestel. Dat wil zeggen dat indien zo'n gebruiksfunctie of 'bouwwerk geen gebouw zijnde' een toiletpot met waterspoeling, een spoelbak, een wastafel of een ander lozingstoestel bevat, het een binnenriolering moet hebben. Het afvalwater dat mag worden afgevoerd is hetzij huishoudelijk afvalwater, hetzij bedrijfsafvalwater dat naar zijn aard overeenkomt met huishoudelijk afvalwater. Voor lozingen van andere aard gelden standaardvoorschriften krachtens de Wet milieubeheer of is een vergunning op grond van die wet nodig.
Een afvoervoorziening, of deze nu door dit besluit is vereist of niet, moet zodanig zijn ingericht dat deze kan worden aangesloten op het openbaar riool. Daarom zijn de plaats en de hoogte van het aansluitpunt waar de voorziening op het riool kan worden aangesloten, afhankelijk van de ligging van het openbaar riool. Een eis tot daadwerkelijke aansluiting op het openbaar riool is er niet. Dat is namelijk een voorschrift omtrent het gebruik van een bouwwerk en in het kader van de Woningwet is het de gemeentelijke bouwverordening die daarvoor eisen moet stellen. Er zijn situaties denkbaar dat de voorziening niet op het openbaar riool kan worden aangesloten, bijvoorbeeld omdat dit ontbreekt. In een dergelijk geval kan met een beroep op het gelijkwaardigheidsartikel een gelijkwaardige oplossing worden gezocht. Dat zou onder omstandigheden bijvoorbeeld kunnen zijn het lozen van het afvalwater en de fecaliën op oppervlaktewater indien de waterkwaliteitsbeheerder de lozing toestaat, of het indirect lozen in de bodem, zo dit technisch uitvoerbaar is. In het laatste geval zal er moeten worden voldaan aan de desbetreffende voorschriften van de regelgeving inzake bodembescherming. Voor alle gebruiksfuncties geldt op grond van het tweede lid dat bij elk lozingstoestel, van welke soort dan ook, dus ook voor een in een verblijfsruimte geplaatste wasbak, spoelbak e.d., er een aansluitpunt op de binnenriolering moet zijn.
Voor het doeltreffend verlopen van de afvoer van afvalwater en fecaliën is een zekere doorstroomsnelheid nodig. Dit wordt gewaarborgd door verwijzing naar de NEN 3215. Hoewel deze norm aangeeft dat zij is bedoeld om te worden toegepast op woningen en woongebouwen, is zij goed te gebruiken bij een vergelijkbare riolering in andere bouwwerken. Aan de hand van de genoemde norm kan worden bepaald welke hoeveelheid afvalwater en fecaliën op enig moment moet kunnen worden afgevoerd. Ook kan ermee worden getoetst of de binnenriolering deze hoeveelheid ook ordentelijk kan afvoeren. Hierbij spelen onder meer de doorsnede en het vloeiend verloop van de leiding, het verhang en de beluchting een rol. Bij toepassing van minder gangbare binnenrioleringssystemen zal moeten worden aangetoond dat daarmee een gelijkwaardige prestatie wordt geleverd.
Afvoervoorzieningen die door dit besluit zijn vereist, moeten ook om lekkage en stank tegen te gaan aan de NEN 3215 voldoen. Op grond van deze norm kan door middel van het op overdruk brengen van het rioleringsstelsel worden nagegaan of de afvoervoorziening voldoende dicht is. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij het aansluiten van een lozingstoestel op dat stelsel een waterslot moet zijn toegepast.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.8.1 Nieuwbouw. In tabel 3.36 is de aansturing van artikel 3.38, tweede lid, aangepast (Stb. 2005, 1) zodat voortaan voor iedere gebruiksfunctie geldt dat ook bij bestaande bouw elk lozingstoestel een aansluitpunt voor aansluiting op de binnenriolering moet hebben. Hiermee is in principe voor elk lozingstoestel ook aansluiting op het openbare riool mogelijk. Deze wijziging past in het huidige beleid ter zake van milieu en gezondheid.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.8.1 Nieuwbouw. In tabel 3.36 is de aansturing van artikel 3.38, tweede lid, aangepast (Stb. 2005, 1) zodat voortaan voor iedere gebruiksfunctie geldt dat ook bij bestaande bouw elk lozingstoestel een aansluitpunt voor aansluiting op de binnenriolering moet hebben. Hiermee is in principe voor elk lozingstoestel ook aansluiting op het openbare riool mogelijk. Deze wijziging past in het huidige beleid ter zake van milieu en gezondheid.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.8.1 Nieuwbouw. In tabel 3.36 is de aansturing van artikel 3.38, tweede lid, aangepast (Stb. 2005, 1) zodat voortaan voor iedere gebruiksfunctie geldt dat ook bij bestaande bouw elk lozingstoestel een aansluitpunt voor aansluiting op de binnenriolering moet hebben. Hiermee is in principe voor elk lozingstoestel ook aansluiting op het openbare riool mogelijk. Deze wijziging past in het huidige beleid ter zake van milieu en gezondheid.
Het tweede lid bevat voor de minimumomvang van de voorziening in bouwwerken geen gebouw zijnde de eis dat er bij aanwezigheid van een lozingstoestel een aansluitpunt moet zijn ter plaatse van dat lozingstoestel. Deze eis is eender aan de desbetreffende nieuwbouweis voor alle utiliteitsgebouwen.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.8.1 Nieuwbouw. In tabel 3.36 is de aansturing van artikel 3.38, tweede lid, aangepast (Stb. 2005, 1) zodat voortaan voor iedere gebruiksfunctie geldt dat ook bij bestaande bouw elk lozingstoestel een aansluitpunt voor aansluiting op de binnenriolering moet hebben. Hiermee is in principe voor elk lozingstoestel ook aansluiting op het openbare riool mogelijk. Deze wijziging past in het huidige beleid ter zake van milieu en gezondheid.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.8.1 Nieuwbouw. In tabel 3.36 is de aansturing van artikel 3.38, tweede lid, aangepast (Stb. 2005, 1) zodat voortaan voor iedere gebruiksfunctie geldt dat ook bij bestaande bouw elk lozingstoestel een aansluitpunt voor aansluiting op de binnenriolering moet hebben. Hiermee is in principe voor elk lozingstoestel ook aansluiting op het openbare riool mogelijk. Deze wijziging past in het huidige beleid ter zake van milieu en gezondheid.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor de afvoer van hemelwater voor nieuwbouw.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 3.42 regelt in welke situatie er een afvoervoorziening aanwezig moet zijn (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 3.43 bepaalt dat een voorgeschreven afvoervoorziening moet kunnen worden aangesloten op het riool (aansluitingen); |
| 3. | artikel 3.44 bepaalt wat voor capaciteit de voorziening ten minste dient te hebben (capaciteit), en |
| 4. | artikel 3.45 bepaalt dat de voorziening lucht- en waterdicht moet zijn (lucht/ waterdicht). |
Voor industriefunctie, 'logiesverblijf niet gelegen in een logiesgebouw', 'overige gebruiksfunctie' en 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.
Dit artikel regelt de aanwezigheid van een voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater. Wat betreft de opvang kan hierbij worden gedacht aan dakgoten of, bij een plat dak, aan het dak zelf, en, wat betreft de afvoer, aan regenpijpen. Het doel van dit voorschrift is te voorkomen dat er een voor de gezondheid onaanvaardbare situatie in en bij het gebouw ontstaat.
Het eerste lid eist niet dat de voorziening voor de afvoer van hemelwater daadwerkelijk moet zijn aangesloten op het openbaar riool; dat is geregeld in de gemeentelijke bouwverordening. Wel moet de afvoervoorziening van het gebouw zodanig zijn dat deze op het riool kan worden aangesloten. Het aanwezige openbaar rioolstelstel kan gecombineerd zijn, dat wil zeggen bestemd voor de afvoer van zowel afvalwater en fecaliën als hemelwater. Het alternatief vormen twee gescheiden stelsels, namelijk voor ieder van de genoemde lozingssoorten een. In het laatste geval dient de hemelwaterafvoer krachtens het tweede lid een aansluitmogelijkheid te hebben voor het hemelwaterriool. In geval van een gecombineerd rioolstelsel mag de aanvrager van de bouwvergunning eveneens volgens het tweede lid zelf bepalen of hij met twee afzonderlijke voorzieningen aansluit op het hoofdriool of dat hij al op het eigen perceel de voorziening voor de afvoer van hemelwater en de voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliën samenvoegt.
Dit artikel heeft als motief een doeltreffende werking te waarborgen van de vereiste afvoervoorzieningen. Hiertoe verwijst het naar de NEN 3215, die een goede afstemming inhoudt tussen buffer- en afvoercapaciteit. Deze norm wijst aan met welke hoeveelheid regenwater er rekening moet zijn gehouden en op welke wijze er kan zijn vastgesteld of de voorziening die hoeveelheid ook werkelijk kan afvoeren. Hoewel de NEN 3215 aangeeft dat zij is bedoeld om te worden toegepast voor woningen en woongebouwen, is deze norm goed te gebruiken voor ieder bouwwerk ongeacht de gebruiksfunctie.
Afvoervoorzieningen moeten ook om lekkage en stank tegen te gaan aan de NEN 3215 voldoen. Dit is met name van belang als een deel van de voorziening, bijvoorbeeld een regenpijp, door het gebouw voert. Het van toepassing zijn van de NEN 3215 betekent onder andere dat verbindingen tussen onderdelen van de afvoervoorziening lucht- en waterdicht moeten zijn uitgevoerd.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor luchtverversing van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten voor nieuwbouw.
De in het tweede lid bedoelde tabellen wijzen per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 3.47 bepaalt in welke situatie er een voorziening voor luchtverversing aanwezig moet zijn (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 3.48 bepaalt wat voor capaciteit de voorziening ten minste moet hebben (capaciteit); |
| 3. | artikel 3.49 bepaalt voor de leefzone van een verblijfsgebied de maximale luchtsnelheid van de toegevoerde lucht (thermisch comfort); |
| 4. | artikel 3.50 bevat voorschriften omtrent het kunnen regelen van de voorziening door de gebruiker (regelbaarheid); |
| 5. | artikel 3.51 bepaalt de richting van de luchtstroming van en naar de voorziening (stromingsrichting); |
| 6. | artikel 3.52 stelt eisen betreffende de plaats van de instroomopening van de toevoervoorziening (plaats van de opening), en |
| 7. | artikel 3.53 bepaalt vanwaar de verse lucht naar een verblijfsgebied of verblijfsruimte moet worden toegevoerd en waarheen deze moet worden afgevoerd (luchtkwaliteit). |
Voor de gebruiksfunctie 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfunctie van toepassing is. In de tabellen 3.46.1 en 3.46.2 is de aansturing van de eisen aan de ventilatievoorziening voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). De betreffende grenswaarden gelden voor de gehele functie voor kinderopvang en niet alleen voor de ruimten waarin geslapen wordt. De vereiste waarden zijn ontleend aan de rapportage 'Bouwbesluit 2003 toegespitst op kinderopvang'. Voorts zijn in tabel 3.46.1 bij de gezondheidszorgfunctie de grenswaarden voor de bezettingsgraadklasse B4 aangepast. Voor het eerste lid van artikel 3.48 is voor een ruimte voor activiteiten die de binnenlucht verontreinigen (functie 4.2) en voor een ruimte voor aan bed gebonden patiënten (functie 4.3) de waarde teruggebracht van 1,3 tot 1. Voor een 'andere ruimte' (functie 4.4) is de waarde teruggebracht van 1,3 naar 0,5. In de tabel zijn verder de waarden voor het tweede lid van artikel 3.48 voor de functies 4.3 en 4.4 teruggebracht van 1 tot 0,8. Bovendien is voor de gehele gezondheidszorgfunctie de ten minste te realiseren capaciteit van de ventilatievoorziening voor een verblijfsruimte aangescherpt van 7 tot 10 dm3/s. Deze capaciteiten zijn daarmee in overeenstemming gebracht met die van andere gebruiksfuncties met een vergelijkbare ventilatiebehoefte.
Om te voorkomen dat de voorschriften voor een bestaande gebruiksfunctie 5a (lichte industrie) zwaarder zouden zijn dan voor nieuwbouw, stuurt tabel 3.46.2 artikel 3.53, vierde en vijfde lid, aan (Stb. 2002, 203).
Dit artikel schrijft de aanwezigheid voor van een voorziening waarmee een verblijfsgebied, een verblijfsruimte, een toiletruimte en een badruimte langs natuurlijke of mechanische weg kunnen worden geventileerd. Op deze wijze wordt zeker gesteld dat de noodzakelijke zuurstof kan worden aangevoerd en kooldioxide, waterdamp, onaangename geurstoffen en stofdeeltjes kunnen worden afgevoerd. Verder is luchtverversing nodig om de in de lucht aanwezige schadelijke stoffen als gevolg van bijvoorbeeld formaldehyde-emissie en radonstraling te kunnen afvoeren.
Dit artikel heeft als doel te waarborgen dat de door de mens veroorzaakte concentratie van kooldioxyde in een verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte of badruimte op een aanvaardbaar peil kan worden gehouden en geurstoffen in voldoende mate kunnen worden afgevoerd. De hoeveelheid luchtverversing van een verblijfsgebied of verblijfsruimte wordt bepaald aan de hand van zogenoemde bezettingsgraadklassen. Onder welke klasse een verblijfsgebied of een verblijfsruimte valt is afhankelijk van het gemiddeld aanwezige aantal personen per m2 vloeroppervlakte, zoals in tabel 3.46.1 vermeld. Het is de bedoeling dat de aanvrager van een bouwvergunning de klasse aangeeft die naar zijn oordeel van toepassing is. Daarbij zal de aanvrager moeten uitgaan van de hoogste bezetting waarop hij voor de betrokken bestemming rekent. Het uitgaan van een bezettingsgraadklasse voor de bepaling van de capaciteit van de ventilatievoorziening betekent in de praktijk, dat het verblijfsgebied of de verblijfsruimte door niet méér personen mag worden gebruikt dan het aantal dat bij de opgegeven klasse behoort. Dit vloeit voort uit de gebruiksvoorschriften van de gemeentelijke bouwverordening. Omvat een gebouw meerdere gebruiksfuncties, dan geldt de bezettingsgraadklasse waarvoor de zwaarste eis geldt. Wat betreft de hoogte van de eisen gaan de voor een verblijfsgebied en een verblijfsruimte voorgeschreven capaciteit van 0,9 respectievelijk 0,8 m3/s per m2 vloeroppervlakte uit van gemiddeld één persoon per 7 m2 verblijfsruimte. Voor de oppervlakte van een verblijfsgebied is voorts aangenomen dat deze gemiddeld 10% groter is dan de som van de daarbinnen gelegen verblijfsruimten. Hierin stemmen de eisen overeen met het advies van de Gezondheidsraad inzake ventilatie van 1984, waarin een minimum luchtverversing wordt aanbevolen van 25 m3/h (=7°10-3 m3/s) per persoon. Om te waarborgen dat in het kleinst denkbare verblijfsgebied of de kleinst denkbare verblijfsruimte van 4 m toch voldoende ventilatie aanwezig is zoals bedoeld in het advies van de Gezondheidsraad, is als ondergrens een capaciteit van 7°10-3 m3/s voorgeschreven. Bij het bepalen of de noodzakelijke ventilatiecapaciteit aanwezig is, moeten alle in de gebruiksfunctie aanwezige verblijfsgebieden gelijktijdig in beschouwing zijn genomen om te bereiken dat de vereiste hoeveelheid verse lucht gelijktijdig in alle verblijfsgebieden aanwezig kan zijn. Bij het stellen van de eisen ten aanzien van verblijfsruimten is er van uitgegaan dat de eisen betreffende de ventilatie van een verblijfsgebied voldoende ventilatie binnen dat gehele gebied waarborgen. De eisen gesteld aan verblijfsruimten gelden uitsluitend als vangnet.
Het voorschrift van het derde lid voor een verblijfsgebied of verblijfsruimte met een kook- of warmwatertoestel is erop gericht dat geurstoffen, bij normale verbranding vrijkomende dampen en overmatige waterdampproductie die daar kunnen ontstaan in korte tijd kunnen worden afgevoerd en verbrandingslucht kan worden toegevoerd. Door de beperking van dit voorschrift tot toestellen met een nominale belasting van 15 kW is het niet toereikend voor ruimten waarin een of meer toestellen zijn geplaatst met een grotere nominale belasting. Voor zulke gevallen is er in de regel een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer vereist. In die vergunning kunnen op de specifieke situatie toegesneden eisen worden gesteld aan de luchtverversing.
De in het vierde lid voorgeschreven capaciteit voor een toiletruimte is zodanig dat verontreinigde lucht in korte tijd kan worden afgevoerd. De voor een badruimte voorgeschreven capaciteit is afgestemd op het afvoeren van een overmaat aan waterdamp binnen zodanige tijd dat schimmelvorming wordt voorkomen.
De eisen ten aanzien van de luchtverversing van een industriefunctie zijn dusdanig dat het mogelijk is dat deze uitsluitend tot stand komt via deuren. De voorschriften inzake thermisch comfort en regelbaarheid zijn niet op de industriefunctie van toepassing.
De eisen voor de luchtverversing van een winkelfunctie verschillen in navolging van de arbeidsomstandighedenwetgeving naar gelang een verblijfsgebied of verblijfsruimte al dan niet mede is bestemd voor bezoekers. Voor ruimten die uitsluitend zijn bestemd voor personeel, de zogenoemde 'andere ruimte' uit de tabel, is een hogere ventilatienorm voorgeschreven dan voor ruimten die mede zijn bestemd voor bezoekers, die immers het merendeel van de gebruikers van die ruimten vormen.
In dit artikel zijn voorschriften gesteld betreffende de luchtsnelheid van de ventilatielucht, met het doel tochtverschijnselen tot een minimum te beperken. Door toevoeging van het begrip 'verse' is artikel 3.49 in overeenstemming gebracht met de overige ventilatievoorschriften (Stb. 2005, 1). Hiermee is inzichtelijk gemaakt dat de beperking van de luchtsnelheid slechts betrekking heeft op de toevoer van verse, nog niet opgewarmde, ventilatielucht.
Met de eisen betreffende de regelbaarheid van de ventilatievoorziening is beoogd de gebruikers van de gebruiksfunctie de mogelijkheid te geven zelf de voorziening op de gewenste stand in te stellen. Uit gezondheidsoogpunt is alleen de mogelijkheid uitgesloten om de ventilatie volledig stil te leggen door afsluiting van de opening van de voorziening. De nominale capaciteit van een zelfregelende voorziening als bedoeld in het eerste lid is de door de leverancier opgegeven capaciteit.
Het voorschrift inzake de richting van de luchtstroming is gesteld om te voorkomen dat bijvoorbeeld een afvoervoorziening als toevoer gaat werken.
Met dit artikel wordt beoogd te voorkomen dat door het gebouw zelf afgevoerde rook weer het gebouw wordt 'ingezogen'.
Het eerste en het vierde lid van dit artikel regelen dat van de totale capaciteit aan ventilatielucht ten behoeve van een verblijfsgebied respectievelijk verblijfsruimte ten minste de helft van buiten moet worden aangezogen. Dit geldt voor de woonfunctie, uitgezonderd woonwagens en gemeenschappelijke verblijfsgebieden, en voor de logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw (bijvoorbeeld een zomerhuisje). Het restant van de toe te voeren lucht mag worden betrokken uit een ander verblijfsgebied of een verkeersruimte die tot de gebruiksfunctie behoort. Deze interne recirculatie van lucht is toegestaan, omdat ze leidt tot energiebesparing, aangezien recirculatielucht niet of nauwelijks opwarming behoeft. Voor de overige gebruiksfuncties bepaalt het derde lid dat alle verse lucht voor een al dan niet gemeenschappelijk verblijfsgebied rechtstreeks van buiten moet worden toegevoerd. Als gevolg van de wijziging van artikel 3.53, vierde lid (Stb. 2005, 1), behoeft niet meer de gehele ventilatiecapaciteit van een verblijfsruimte met kooktoestel rechtstreeks naar buiten te worden afgevoerd. Deze wijziging doet recht aan het gebruik dat slechts boven het fornuis een wasemkap is aangebracht die rechtstreeks naar buiten uitmondt. De afvoercapaciteit die uitgaat boven de 21 dm3/s mag voortaan via een andere ruimte worden afgevoerd. Het vijfde tot en met het zevende lid bevatten eisen die strekken tot het rechtstreeks naar buiten afvoeren van binnenlucht. De bedoeling hiervan is te voorkomen dat onaangename geuren of grote hoeveelheden waterdamp zich verspreiden naar andere ruimten van de gebruiksfunctie.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1. Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan de inrichting van de ventilatievoorziening. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwartikelen wordt nog het volgende opgemerkt. In tabel 3.54 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor de bestaande bouw ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor de ventilatiecapaciteit in een verblijfsruimte is uitgegaan van de grenswaarde bij de laagst toelaatbare bezettingsgraadklasse (B3) voor nieuwbouw. In de beschrijving van de specifieke ruimte van een gezondheidszorgfunctie als bedoeld in gebruiksfunctie 4.1 is 'voor activiteiten' vervangen door 'ruimte voor activiteiten' (Stb. 2005, 1). Daarmee past deze omschrijving beter in de systematiek van het Bouwbesluit 2003. Omwille van de consistentie van de voorschriften en in overeenstemming met fase 2, stuurt tabel 3.54 het tweede lid van artikel 3.56 nu ook aan voor gebruiksfunctie 5a (lichte industrie) (Stb. 2002, 203).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1. Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan de inrichting van de ventilatievoorziening. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwartikelen wordt nog het volgende opgemerkt. In tabel 3.54 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor de bestaande bouw ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor de ventilatiecapaciteit in een verblijfsruimte is uitgegaan van de grenswaarde bij de laagst toelaatbare bezettingsgraadklasse (B3) voor nieuwbouw. In de beschrijving van de specifieke ruimte van een gezondheidszorgfunctie als bedoeld in gebruiksfunctie 4.1 is 'voor activiteiten' vervangen door 'ruimte voor activiteiten' (Stb. 2005, 1). Daarmee past deze omschrijving beter in de systematiek van het Bouwbesluit 2003. Omwille van de consistentie van de voorschriften en in overeenstemming met fase 2, stuurt tabel 3.54 het tweede lid van artikel 3.56 nu ook aan voor gebruiksfunctie 5a (lichte industrie) (Stb. 2002, 203).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1. Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan de inrichting van de ventilatievoorziening. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwartikelen wordt nog het volgende opgemerkt. In tabel 3.54 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor de bestaande bouw ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor de ventilatiecapaciteit in een verblijfsruimte is uitgegaan van de grenswaarde bij de laagst toelaatbare bezettingsgraadklasse (B3) voor nieuwbouw. In de beschrijving van de specifieke ruimte van een gezondheidszorgfunctie als bedoeld in gebruiksfunctie 4.1 is 'voor activiteiten' vervangen door 'ruimte voor activiteiten' (Stb. 2005, 1). Daarmee past deze omschrijving beter in de systematiek van het Bouwbesluit 2003. Omwille van de consistentie van de voorschriften en in overeenstemming met fase 2, stuurt tabel 3.54 het tweede lid van artikel 3.56 nu ook aan voor gebruiksfunctie 5a (lichte industrie) (Stb. 2002, 203).
Het niveau van de geëiste ventilatiecapaciteit is het laagste dat in verblijfsruimten nog aanvaardbaar is uit het oogpunt van gezondheid en komt overeen met het minimum dat in de nieuwbouwvoorschriften voor verblijfsruimten is geëist. De voorschriften laten het toe dat ook naden en kieren als ventilatievoorziening worden aangemerkt.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1. Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan de inrichting van de ventilatievoorziening. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwartikelen wordt nog het volgende opgemerkt. In tabel 3.54 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor de bestaande bouw ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor de ventilatiecapaciteit in een verblijfsruimte is uitgegaan van de grenswaarde bij de laagst toelaatbare bezettingsgraadklasse (B3) voor nieuwbouw. In de beschrijving van de specifieke ruimte van een gezondheidszorgfunctie als bedoeld in gebruiksfunctie 4.1 is 'voor activiteiten' vervangen door 'ruimte voor activiteiten' (Stb. 2005, 1). Daarmee past deze omschrijving beter in de systematiek van het Bouwbesluit 2003. Omwille van de consistentie van de voorschriften en in overeenstemming met fase 2, stuurt tabel 3.54 het tweede lid van artikel 3.56 nu ook aan voor gebruiksfunctie 5a (lichte industrie) (Stb. 2002, 203).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1. Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan de inrichting van de ventilatievoorziening. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwartikelen wordt nog het volgende opgemerkt. In tabel 3.54 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor de bestaande bouw ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor de ventilatiecapaciteit in een verblijfsruimte is uitgegaan van de grenswaarde bij de laagst toelaatbare bezettingsgraadklasse (B3) voor nieuwbouw. In de beschrijving van de specifieke ruimte van een gezondheidszorgfunctie als bedoeld in gebruiksfunctie 4.1 is 'voor activiteiten' vervangen door 'ruimte voor activiteiten' (Stb. 2005, 1). Daarmee past deze omschrijving beter in de systematiek van het Bouwbesluit 2003. Omwille van de consistentie van de voorschriften en in overeenstemming met fase 2, stuurt tabel 3.54 het tweede lid van artikel 3.56 nu ook aan voor gebruiksfunctie 5a (lichte industrie) (Stb. 2002, 203).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.10.1. Anders dan voor nieuwbouw zijn er voor de bestaande bouw geen eisen gesteld aan de inrichting van de ventilatievoorziening. Uit het oogpunt van gezondheid is namelijk primair de capaciteit van de voorziening van belang en niet de wijze waarop de luchtverversing plaatsvindt. In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwartikelen wordt nog het volgende opgemerkt. In tabel 3.54 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor de bestaande bouw ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor de ventilatiecapaciteit in een verblijfsruimte is uitgegaan van de grenswaarde bij de laagst toelaatbare bezettingsgraadklasse (B3) voor nieuwbouw. In de beschrijving van de specifieke ruimte van een gezondheidszorgfunctie als bedoeld in gebruiksfunctie 4.1 is 'voor activiteiten' vervangen door 'ruimte voor activiteiten' (Stb. 2005, 1). Daarmee past deze omschrijving beter in de systematiek van het Bouwbesluit 2003. Omwille van de consistentie van de voorschriften en in overeenstemming met fase 2, stuurt tabel 3.54 het tweede lid van artikel 3.56 nu ook aan voor gebruiksfunctie 5a (lichte industrie) (Stb. 2002, 203).
Het eerste lid geeft de functionele eis voor spuivoorzieningen voor nieuwbouw.
De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 3.61 bepaalt in welke situatie er ten behoeve van het snel kunnen afvoeren van verontreinigde binnenlucht beweegbare constructie-onderdelen (de spuivoorziening) in de gevel aanwezig moeten zijn (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 3.62 bepaalt welke luchtverversingscapaciteit een spuivoorziening ten minste moet hebben (capaciteit), en |
| 3. | artikel 3.63 schrijft voor hoe groot de afstand tussen een spuivoorziening en de perceelsgrens ten minste moet zijn en hoe die afstand moet worden gemeten (plaatsbepaling). |
Alleen voor de woonfunctie wijst de tabel van het tweede lid voorschriften aan. Voor de overige gebruiksfuncties worden geen voorschriften aangewezen. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is. In tabel 3.60 is de aansturing van de eisen van artikel 3.61, eerste en tweede lid, voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Deze bijeenkomstfunctie moet voor het welzijn en de gezondheid van de aanwezige kinderen voldoende ventilatiecapaciteit hebben voor het incidenteel afvoeren van sterk verontreinigde lucht. Het gaat bij kinderopvang, net als bij een woning, vaak om een specifieke bron van verontreiniging, zoals de lucht van een vieze luier. Na het wegnemen van die bron zal behoefte kunnen bestaan aan het doorspuien van de betreffende ruimte.
In een woning of een woonwagen kunnen zich soms situaties voordoen dat snel een zeer grote mate van luchtverversing (doorspuiing) moet kunnen plaatsvinden. Hieraan ontstaat vooral behoefte wanneer een hoge concentratie van schadelijke of hinderlijke gassen optreedt, zoals bij schilderwerkzaamheden. De normale ventilatie is niet afgestemd op deze tijdelijke verhoogde ventilatiebehoefte. Met het oog op zulke situaties is voorgeschreven dat er in de gevel van een woning of de buitenwand van een woonwagen beweegbare ramen, luiken of deuren aanwezig zijn. Aan artikel 3.61 is een tweede lid toegevoegd, dat rekening houdt met het feit dat in een kinderopvang (bezettingsgraadklasse B1) reeds zodanig veel reguliere ventilatiecapaciteit aanwezig is, dat een specifieke spuiventilatie geen toegevoegde waarde heeft (Stb. 2005, 1).
Dit artikel regelt welke minimum capaciteit de doorspuivoorzieningen moeten hebben. Het uitgangspunt vormen eisen aan de totale capaciteit voor de luchtverversing van een verblijfsgebied van een woonfunctie respectievelijk de gebruiksoppervlakte van de woonwagen. Daarnaast is een eis gesteld aan de capaciteit voor de luchtverversing van een verblijfsruimte. Laatstgenoemde eis dient om te verzekeren dat wanneer het verblijfsgebied respectievelijk de gebruiksoppervlakte na realisatie wordt ingedeeld in afzonderlijke verblijfsruimten, die afzonderlijke ruimten ook aan die eisen voldoen. De eis aan de verblijfsruimte betekent feitelijk dat er in de uitwendige scheidingsconstructie daarvan ten minste een luik, raam of deur aanwezig moet zijn waarmee die ruimte kan worden doorgespuid. In het eerste lid van artikel 3.62 is 'niet-gemeenschappelijk(e)' geschrapt (Stb. 2005, 1). Dit betekent dat het voorschrift voor de capaciteit van een spuiventilatie voor zowel gemeenschappelijke als voor niet-gemeenschappelijke ruimten van toepassing is. In het tweede lid van artikel 3.62 is een uitzondering gemaakt (Stb. 2005, 1) voor een gemeenschappelijk verblijfsgebied of een gemeenschappelijke verblijfsruimte van een woonfunctie. Bezien in samenhang met het eerste lid is er geen sprake van een inhoudelijke wijziging van de voorschriften voor de woonfunctie.
In dit artikel is aangegeven hoe groot de afstand tussen de deur, het raam of het luik dat als spuivoorziening dient en de perceelsgrens ten minste moet zijn. De bedoeling is mogelijke overlast voor aangrenzende percelen en voor voorbijgangers zoveel mogelijk te voorkomen. Beweegbare constructie-onderdelen die niet aan deze eis voldoen, mogen niet worden meegerekend bij de bepaling van de doorspuicapaciteit. In artikel 3.63 is 'woonfunctie' vervangen door 'gebruiksfunctie' omdat het voorschrift door middel van de tabel dan ook kan worden aangewezen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang (Stb. 2005, 1). Ook voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang is het van belang dat de opening van de spuivoorziening zodanig is dat hinder voor gebruikers van een aangrenzend perceel beperkt blijft.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.11.1.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.11.1.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.11.1.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor luchtverversing van overige ruimten voor nieuwbouw. In het eerste lid van artikel 3.67, de functionele eis voor luchtverversing van overige ruimten, nieuwbouw, zijn de liftkooi en de liftschacht voor een brandweerlift vervangen door de liftschacht (Stb. 2005, 1). Een liftkooi is namelijk geen bouwkundige voorziening en de ventilatie daarvan is onderwerp van regeling in het Warenwetbesluit liften. Omdat iedere liftschacht moet worden geventileerd, en niet alleen die van een brandweerlift, is het voorschrift nu van toepassing op elke liftschacht.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 3.68 bepaalt in welke situatie er een voorziening voor luchtverversing aanwezig moet zijn (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 3.69 bepaalt wat voor capaciteit de voorziening ten minste moet hebben (capaciteit); |
| 3. | artikel 3.70 bevat voorschriften omtrent het kunnen regelen van de voorziening door de gebruiker (regelbaarheid); |
| 4. | artikel 3.71 bepaalt de richting van de luchtstroming van en naar de voorziening (stromingsrichting); |
| 5. | artikel 3.72 stelt eisen betreffende de plaats van de instroomopening van de toevoervoorziening (plaats van de opening), en |
| 6. | artikel 3.73 bepaalt vanwaar de verse lucht naar een verblijfsgebied of verblijfsruimte moet worden toegevoerd en waarheen deze moet worden afgevoerd (luchtkwaliteit). |
Voor de gebruiksfunctie 'ander bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfunctie van toepassing is. In tabel 3.67 zijn artikel 3.68, tweede lid, en artikel 3.69, derde lid, geschrapt (Stb. 2005, 1).
Ventilatie is niet alleen voor een verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte noodzakelijk, maar ook voor een aantal andere ruimten in een gebruiksfunctie. Deze ruimten zijn weliswaar niet bestemd voor langdurig verblijf van mensen, maar kunnen door de aard van hun gebruik een verhoogde kans op verontreiniging of andersoortig gevaar voor de gezondheid van de gebruikers opleveren. Dit artikel regelt de aanwezigheid van een voorziening waarmee die andere ruimten in een gebruiksfunctie langs natuurlijke of mechanische weg kunnen worden geventileerd. Zo'n ventilatievoorziening moet er om te beginnen zijn voor gangen, trappenhuizen en dergelijke in woon- en logiesgebouwen. In deze ruimten kan zich verontreinigde lucht ophopen en kunnen onaangename geuren blijven hangen, afkomstig uit de woningen en de logiesverblijven. Voor een liftkooi geldt dat er op een kleine oppervlakte veel mensen kunnen samenzijn. Bij langdurig gebruik van de liftkooi, bijvoorbeeld in geval van een storing, is bij gebrek aan ventilatie de kans groot op sterke verontreiniging van de lucht in de liftkooi en kan er een hoge temperatuur ontstaan. Ook is het nodig dat meterruimten voor gasvoorzieningen worden geventileerd om ontploffingsgevaar te voorkomen. Tenslotte is ventilatie voorgeschreven voor grote opslagruimten voor afval, teneinde de kans te beperken dat er door de opslag van grote hoeveelheden afval stankhinder in de gebruiksfunctie ontstaat. Artikel 3.68, tweede lid, regelde de aanwezigheid van een ventilatievoorziening voor een liftkooi. Dit voorschrift is vervallen zoals toegelicht bij artikel 3.67 (Stb. 2005, 1). Voor een liftschacht, wel een bouwtechnisch onderdeel, geldt dat de ventilatievoorziening gewaarborgd moet zijn. Personen in een vastzittende lift zijn dikwijls afhankelijk van via de liftschacht aangevoerde verse lucht. Voor 'tunnel of daarmee vergelijkbaar bouwwerk' bevat het vijfde lid een functionele eis. Op grond hiervan kunnen burgemeester en wethouders bij de toetsing van een bouwaanvraag eisen aan de ventilatievoorziening stellen die afhankelijk zijn van de bestemming en de grootte van dat bouwwerk. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een langgerekte tunnel, die eisen behoeft om te voorkomen dat zich daarin schadelijke gassen ophopen.
Met dit artikel wordt beoogd dat de door de mens en door afval veroorzaakte verontreiniging en verhitting van de lucht in een gebouw op een aanvaardbaar peil worden gehouden, concentratie van ontplofbare gassen wordt voorkomen en geurstoffen in voldoende mate worden afgevoerd. Het bevat daartoe eisen aan de capaciteit van de voorziening voor luchtverversing die in het voorgaande artikel is voorgeschreven. Artikel 3.69, derde lid, regelde de capaciteit van een ventilatievoorziening voor een liftkooi. Dit voorschrift is vervallen zoals toegelicht bij artikel 3.67 (Stb. 2005, 1). Het gewijzigde vierde lid, nu vernummerd tot derde lid, regelt de ventilatiecapaciteit voor de liftschacht (Stb. 2005, 1). Deze is gebaseerd op de voormalige eis voor de liftkooi van 6 dm3/s per m2. Aan de hand van ISO 4190-1:1999 (International Standard, Lift-installation Standard) is echter bepaald wat de relatie is tussen de vloeroppervlakte van de liftkooi en van de liftschacht en vervolgens bij welke ventilatiecapaciteit van de liftschacht de ventilatiecapaciteit voor de liftkooi is gewaarborgd.
Uit gezondheidsoogpunt is de mogelijkheid uitgesloten om de ventilatie volledig stil te leggen door afsluiting van de opening van de voorziening. Zie voor de toelichting op de wijziging van artikel 3.70, eerste lid, de toelichting op artikel 3.67 (Stb. 2005, 1).
Het voorschrift inzake de richting van de luchtstroming is gesteld om te voorkomen dat bijvoorbeeld een afvoervoorziening als toevoer gaat werken.
Het doel van dit artikel is te bereiken dat de verontreinigde binnenlucht die uit het gebouw wordt afgevoerd niet of slechts in sterk verdunde samenstelling weer het gebouw binnenkomt.
Dit artikel regelt allereerst voor opslagruimten voor afval en voor gemeenschappelijke verkeersruimten, dat de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht rechtstreeks van en naar buiten plaatsvinden. In opslagruimten voor afval vloeit uit de aard van het gebruik voort dat de binnenlucht wordt verontreinigd. Een open verbinding met andere ruimten zou verspreiding van deze verontreiniging door de gebruiksfunctie tot gevolg hebben. Indien bijvoorbeeld een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte in een woongebouw in open verbinding staat met daaraan grenzende woningen, dan zouden geurstoffen zich door het gehele gebouw kunnen verspreiden, dus ook van de ene woning naar de andere woning. Ten aanzien van liftschachten voor brandweerliften is het oogmerk van het voorschrift dat deze liften in geval van brand niet onbruikbaar worden doordat er rook kan binnendringen vanuit andere ruimten. Zie voor de toelichting op de wijziging van artikel 3.73, derde lid, de toelichting op artikel 3.67 (Stb. 2005, 1).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.12.1. In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwvoorschriften valt het volgende op te merken. Zie voor de wijziging van de functionele eis voor de luchtverversing van overige ruimten voor bestaande bouw, de toelichting op het nieuwbouw artikel 3.67 (Stb. 2005, 1). In tabel 3.74 is van de artikelen 3.75 en 3.76 het tweede lid geschrapt (Stb. 2005, 1). Deze leden verwezen naar de aanwezigheid en capaciteit van de luchtverversing van een liftkooi.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.12.1. In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwvoorschriften valt het volgende op te merken. Zie voor de wijziging van de functionele eis voor de luchtverversing van overige ruimten voor bestaande bouw, de toelichting op het nieuwbouw artikel 3.67 (Stb. 2005, 1). In tabel 3.74 is van de artikelen 3.75 en 3.76 het tweede lid geschrapt (Stb. 2005, 1). Deze leden verwezen naar de aanwezigheid en capaciteit van de luchtverversing van een liftkooi.
Anders dan in de nieuwbouwvoorschriften is aan de luchtverversing van een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte geen eis gesteld. De reden hiervan is dat hiervoor tot dusver geen eis heeft gegolden en een verplichting om alsnog te voldoen aan zodanige eis te ver zou voeren. Het voorschrift van artikel 3.75 is nader afgestemd met NEN 1087. Daarom is nu evenals bij het nieuwbouwvoorschrift (artikel 3.68) sprake van een component (in plaats van 'een voorziening') voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van binnenlucht (Stb. 2002, 203). Zie de toelichting op artikel 3.68 (Stb. 2005, 1).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.12.1. In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwvoorschriften valt het volgende op te merken. Zie voor de wijziging van de functionele eis voor de luchtverversing van overige ruimten voor bestaande bouw, de toelichting op het nieuwbouw artikel 3.67 (Stb. 2005, 1). In tabel 3.74 is van de artikelen 3.75 en 3.76 het tweede lid geschrapt (Stb. 2005, 1). Deze leden verwezen naar de aanwezigheid en capaciteit van de luchtverversing van een liftkooi.
De capaciteit wordt bepaald volgens NEN 8087. Deze norm staat toe dat ook naden en kieren als ventilatievoorziening worden aangemerkt. Zie de toelichting op artikel 3.68. (Stb. 2005, 1).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.12.1. In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwvoorschriften valt het volgende op te merken. Zie voor de wijziging van de functionele eis voor de luchtverversing van overige ruimten voor bestaande bouw, de toelichting op het nieuwbouw artikel 3.67 (Stb. 2005, 1). In tabel 3.74 is van de artikelen 3.75 en 3.76 het tweede lid geschrapt (Stb. 2005, 1). Deze leden verwezen naar de aanwezigheid en capaciteit van de luchtverversing van een liftkooi.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.12.1. In aanvulling op de toelichtingen op de nieuwbouwvoorschriften valt het volgende op te merken. Zie voor de wijziging van de functionele eis voor de luchtverversing van overige ruimten voor bestaande bouw, de toelichting op het nieuwbouw artikel 3.67 (Stb. 2005, 1). In tabel 3.74 is van de artikelen 3.75 en 3.76 het tweede lid geschrapt (Stb. 2005, 1). Deze leden verwezen naar de aanwezigheid en capaciteit van de luchtverversing van een liftkooi.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor de toevoer van verbrandingslucht voor nieuwbouw. De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 3.80 bepaalt dat er in een ruimte met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel een voorziening moet zijn voor de toevoer van verbrandingslucht voor dat toestel (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 3.81 bepaalt wat voor capaciteit de toevoervoorziening ten minste moet hebben (capaciteit); |
| 3. | artikel 3.82 stelt eisen omtrent de richting van de luchtstroming in de toevoervoorziening (stromingsrichting); |
| 4. | artikel 3.83 stelt eisen omtrent de plaats van de instroomopening van de toevoervoorziening (plaats van de opening); |
| 5. | artikel 3.84 bepaalt voor de leefzone van verblijfsruimten de maximale luchtsnelheid van de toegevoerde lucht (comfort); |
| 6. | artikel 3.85 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en |
| 7. | artikel 3.86 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw). |
Voor de gebruiksfunctie 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfunctie van toepassing is.
Dit artikel regelt de aanwezigheid van voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht bij opstelplaatsen voor verbrandingstoestellen die op gas, olie of vaste brandstof worden gestookt. Het gaat hierbij om voorzieningen zoals luchtroosters en ventilatiekanalen. Van deze eis zijn uitgezonderd opstelplaatsen voor kook- en warmwatertoestellen met gering vermogen. Dit zijn in het algemeen toestellen voor huishoudelijk gebruik. Voor een dergelijke situatie is een voor normale verbranding noodzakelijke toevoer van verse lucht geregeld in artikel 3.48, derde lid. De tweede volzin van artikel 3.80 is nader afgestemd op de voorschriften van afdeling 3.14, afvoer van rook. Artikel 3.80 heeft betrekking op een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel, ongeacht de ruimte waar deze zich bevindt. Deze tweede zin stelt dat de bedoelde voorziening niet voor verbrandingstoestellen met een lage nominale belasting en een beperkt gebruik in tijd als gasfornuizen en geisers geldt. Als zo'n verbrandingstoestel in een verblijfsruimte is geplaatst, dan zorgt het voorschrift van artikel 3.48, derde lid, voor voldoende ventilatiecapaciteit in die verblijfsruimte. Is daarentegen het verbrandingstoestel in een andere ruimte gesitueerd dan zal de gebruiker op voldoende ventilatie moeten toezien (Stb. 2002, 203).
De vereiste toevoervoorzieningen moeten zorgen voor voldoende toevoer van lucht. Hoeveel lucht er nodig is, is afhankelijk van de belasting van de te plaatsen verbrandingstoestellen en de te gebruiken brandstof. Voor alle verbrandingstoestellen geldt de algemene eis van voldoende capaciteit. Bij verbrandingstoestellen met een totale capaciteit van ten hoogste 130 kW wordt deze capaciteit aan de hand van de tabel berekend. Omdat vaak rekening moet worden gehouden met een nog onbekend verbrandingstoestel, wordt in dit artikel uitgegaan van een capaciteit die voldoende is voor een fictief 'standaard' verbrandingstoestel. Bij het berekenen van de benodigde capaciteit voor opstelplaatsen voor een kook-, stook- en warmwatertoestel moet worden uitgegaan van een op gas gestookt toestel. De in rekening te brengen belasting mag niet lager zijn dan aangegeven is.
Dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat de toevoervoorziening lucht afvoert in plaats van toevoert.
Deze artikelen geven voorschriften omtrent de inrichting van de voorziening voor toevoer van verbrandingslucht. De voorschriften komen voor een verbrandingstoestel dat is opgesteld in een verblijfsgebied of verblijfsruimte, overeen met de eisen die artikel 3.49 aan deze ruimten stelt betreffende de toevoer van verse lucht. De eisen luiden gelijk om tegen te gaan dat er openingen voor de toevoer van verbrandingslucht worden aangebracht die aan lagere eisen voldoen. Dat zou namelijk ertoe kunnen leiden dat de gebruiker van de woonfunctie dergelijke openingen vervolgens afdicht ter voorkoming van tocht en het binnentreden van onzuivere lucht. Met het derde lid van artikel 3.83 is beoogd te voorkomen dat de toevoer van lucht wordt belemmerd als gevolg van ophoping van bijvoorbeeld bladeren of sneeuw.
Deze artikelen geven voorschriften omtrent de inrichting van de voorziening voor toevoer van verbrandingslucht. De voorschriften komen voor een verbrandingstoestel dat is opgesteld in een verblijfsgebied of verblijfsruimte, overeen met de eisen die artikel 3.49 aan deze ruimten stelt betreffende de toevoer van verse lucht. De eisen luiden gelijk om tegen te gaan dat er openingen voor de toevoer van verbrandingslucht worden aangebracht die aan lagere eisen voldoen. Dat zou namelijk ertoe kunnen leiden dat de gebruiker van de woonfunctie dergelijke openingen vervolgens afdicht ter voorkoming van tocht en het binnentreden van onzuivere lucht. Met het derde lid van artikel 3.83 is beoogd te voorkomen dat de toevoer van lucht wordt belemmerd als gevolg van ophoping van bijvoorbeeld bladeren of sneeuw.
In deze artikelen worden in geval van verbouw of tijdelijke bouw de voorschriften voor nieuwbouw van toepassing verklaard betreffende de plaats van de instroomopening van de toevoervoorziening, alsmede de stromingsrichting en de snelheid van de toegevoerde lucht.
In deze artikelen worden in geval van verbouw of tijdelijke bouw de voorschriften voor nieuwbouw van toepassing verklaard betreffende de plaats van de instroomopening van de toevoervoorziening, alsmede de stromingsrichting en de snelheid van de toegevoerde lucht.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.13.1 (Stb. 2002, 203). In artikel 3.89 werd verwezen naar een onjuist nummer van zowel de tabel als de NEN. Dit is gecorrigeerd (Stb. 2005, 1).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.13.1 (Stb. 2002, 203). In artikel 3.89 werd verwezen naar een onjuist nummer van zowel de tabel als de NEN. Dit is gecorrigeerd (Stb. 2005, 1).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.13.1 (Stb. 2002, 203). In artikel 3.89 werd verwezen naar een onjuist nummer van zowel de tabel als de NEN. Dit is gecorrigeerd (Stb. 2005, 1).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.13.1 (Stb. 2002, 203). In artikel 3.89 werd verwezen naar een onjuist nummer van zowel de tabel als de NEN. Dit is gecorrigeerd (Stb. 2005, 1).
Het eerste lid geeft de functionele eis voor afvoer van rook voor nieuwbouw.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 3.92 bepaalt dat er in een ruimte met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel een voorziening moet zijn voor de afvoer van verbrandingslucht van dat toestel (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 3.93 bepaalt wat voor capaciteit de afvoervoorziening ten minste moet hebben (capaciteit); |
| 3. | artikel 3.94 stelt eisen omtrent de plaats van de uitmonding van de afvoervoorziening (plaats van de uitmonding); |
| 4. | artikel 3.95 stelt eisen omtrent de richting van de stroming van de rook in de afvoervoorziening (stromingsrichting); |
| 5. | artikel 3.96 bepaalt de maximale rookdoorlatendheid van de afvoervoorziening (rookdoorlatendheid); |
| 6. | artikel 3.97 bepaalt dat de afvoervoorziening moet zijn uitgerust met een goed werkende kap (kap); |
| 7. | artikel 3.98 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en |
| 8. | artikel 3.99 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw). |
Voor de gebruiksfunctie 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfunctie van toepassing is.
Dit artikel regelt de aanwezigheid van voorzieningen voor de afvoer van rook bij opstelplaatsen voor verbrandingstoestellen die op gas, olie of vaste brandstof worden gestookt. Het gaat hierbij om voorzieningen zoals kanalen en uitmondingen. Van deze eis zijn uitgezonderd in een verblijfsruimte gelegen opstelplaatsen voor kook- en warmwatertoestellen met gering vermogen, dit zijn in het algemeen toestellen voor huishoudelijk gebruik. Voor een dergelijke situatie is een bij normale verbranding noodzakelijke afvoer van met rookgas verontreinigde binnenlucht geregeld in artikel 3.48, derde lid. De bedoeling van de eis is te bereiken dat de bij normale verbranding vrijkomende dampen, gassen en fijne vaste deeltjes naar buiten worden afgevoerd. Hierbij kan worden gedacht aan waterdamp, onverbrand gas, zwaveldioxide en roet. De redactie van de eerste volzin van artikel 3.92 is afgestemd met de voorschriften van afdeling 3.13, toevoer van verbrandingslucht. Artikel 3.92 heeft betrekking op een voorziening voor de afvoer van rook van een verbrandingstoestel, ongeacht de ruimte waar deze zich bevindt. Een dergelijke voorziening geldt niet voor verbrandingstoestellen met een lage nominale belasting en een beperkt gebruik in tijd zoals gasfornuizen en geisers. Als zo'n verbrandingstoestel in een verblijfsruimte is geplaatst, dan zorgt het voorschrift van artikel 3.48, derde lid voor voldoende ventilatiecapaciteit in die verblijfsruimte. Is het verbrandingstoestel in een andere ruimte gesitueerd dan zal de gebruiker zelf op voldoende ventilatie moeten toezien (Stb. 2002, 203).
De vereiste afvoervoorzieningen moeten voldoende capaciteit hebben om de bij de verbranding vrijkomende dampen, gassen en fijne vaste deeltjes te kunnen afvoeren. Voor alle afvoervoorzieningen geldt de algemene eis van voldoende capaciteit. Omdat vaak rekening moet worden gehouden met een nog onbekend verbrandingstoestel, wordt een capaciteit vereist die voldoende is voor een fictief 'standaard' verbrandingstoestel. Bij het berekenen van de benodigde capaciteit van opstelplaatsen voor een kook-, stook- en warmwatertoestel moet worden uitgegaan van een op gas gestookt toestel. De in rekening te brengen belasting van dit toestel mag niet lager zijn dan is aangegeven. In tabel 3.93 worden voor verschillende typen verbrandingstoestellen de bijbehorende rekenwaarden aangegeven voor de verdunningsfactor van rook. Alle typen verbrandingstoestellen zijn zonder (toestel)ventilator in aanmerking genomen. Bij de rekenwaarden is onderscheid gemaakt tussen afvoeren zonder en met ventilator, dat wil zeggen tussen natuurlijke en mechanische afvoer.
De inrichtingseisen die deze artikelen aan de afvoervoorziening stellen, hebben als doel te voorkomen dat dampen, gassen of fijne vaste deeltjes zich tijdens de afvoer naar buiten alsnog binnen verspreiden. Verder wordt ermee beoogd te voorkomen dat de concentratie van rook ter plaatse van instroomopeningen van een luchttoevoervoorziening voor luchtverversing te hoog wordt. De tekstuele wijziging in artikel 3.95 verduidelijkt, dat het gaat om de af te voeren rook en niet om de afgevoerde rook (Stb. 2002, 203).
De inrichtingseisen die deze artikelen aan de afvoervoorziening stellen, hebben als doel te voorkomen dat dampen, gassen of fijne vaste deeltjes zich tijdens de afvoer naar buiten alsnog binnen verspreiden. Verder wordt ermee beoogd te voorkomen dat de concentratie van rook ter plaatse van instroomopeningen van een luchttoevoervoorziening voor luchtverversing te hoog wordt. De tekstuele wijziging in artikel 3.95 verduidelijkt, dat het gaat om de af te voeren rook en niet om de afgevoerde rook (Stb. 2002, 203).
De inrichtingseisen die deze artikelen aan de afvoervoorziening stellen, hebben als doel te voorkomen dat dampen, gassen of fijne vaste deeltjes zich tijdens de afvoer naar buiten alsnog binnen verspreiden. Verder wordt ermee beoogd te voorkomen dat de concentratie van rook ter plaatse van instroomopeningen van een luchttoevoervoorziening voor luchtverversing te hoog wordt. De tekstuele wijziging in artikel 3.95 verduidelijkt, dat het gaat om de af te voeren rook en niet om de afgevoerde rook (Stb. 2002, 203).
Bij het bepalen van de stromingsrichting volgens artikel 3.95 behoeft geen rekening te worden gehouden met omliggende bebouwing en andere obstakels buiten het perceel. Daardoor kan afgevoerde rook door valwinden eventueel toch terugstromen in de gebruiksfunctie. Met een goed functionerende kap kan dit worden tegengegaan.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 (Stb. 2002, 203).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 (Stb. 2002, 203).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 (Stb. 2002, 203).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 (Stb. 2002, 203).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 (Stb. 2002, 203).
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.14.1 (Stb. 2002, 203).
Het eerste lid geeft de functionele eis voor de beperking van de toepassing van schadelijke materialen.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.
Voorheen werd gesproken van het beperken van stoffen die uit het oogpunt van gezondheid onaanvaardbaar giftig of hinderlijk zijn. Welke stoffen dat waren was aangegeven in de Regeling Bouwbesluit materialen. In de huidige tekst gaat het om het beperken van voor de gezondheid schadelijke stoffen. Dit artikel verleent de bevoegdheid om bij ministeriële regeling voorschriften te geven betreffende de te gebruiken materialen. Het kan hierbij zowel om het materiaal zelf als om de wijze van toepassing gaan. In de nieuwe ministeriële regeling zijn de voorschriften van de eerdere Regeling Bouwbesluit materialen integraal opgenomen. Hieruit blijkt dat de voorschriften ter beperking van schadelijke materialen niet zijn aangescherpt.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor de beperking van het kunnen binnendringen van uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.
Voor de industriefunctie, 'overige gebruiksfunctie' en 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.
Dit artikel verleent de bevoegdheid om bij ministeriële regeling eisen te stellen aan scheidingsconstructies met de grond en met de kruipruimte. In deze ministeriële regeling worden de voorschriften van de eerdere Regeling Bouwbesluit materialen opgenomen (zie de toelichting op artikel 3.107).
Het eerste lid geeft de functionele eis voor bescherming tegen ratten en muizen.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 3.115 bepaalt dat een gebouw geen openingen mag hebben van meer dan 1 cm breed die niet kunnen worden afgesloten, op enkele uitzonderingen na (openingen), en |
| 2. | artikel 3.116 bepaalt dat bij de buitenwanden van een gebouw een scherm in de grond aanwezig is (scherm). |
Voor de industriefunctie, 'overige gebruiksfunctie' en 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.
Het doel van dit artikel is zoveel mogelijk te voorkomen dat ratten en muizen door openingen in een bouwwerk doordringen. Er bestaat anders een grote kans dat zij zich in de spouw van een gevel of onder de dakpannen nestelen met alle risico's voor de verspreiding van ziekten. De uitzonderingen op de eis betekenen onder meer, dat een schoorsteen van een bouwwerk niet behoeft te worden voorzien van een rooster.
Het hier voorgeschreven scherm dat ten minste 60 cm de grond in gaat dient ertoe om zoveel mogelijk te voorkomen dat ratten of muizen van onderen af toegang krijgen tot een bouwwerk. Het tweede lid ziet op de gevallen waarin het in het eerste lid bedoelde voorschrift niet van toepassing is, grenst aan een gebruiksfunctie waarop dit wel het geval is, bijvoorbeeld een aan de woning vastgebouwde garage. Met dit voorschrift is geregeld dat het ongedierte niet via de garage onder de woning kan komen. In het derde lid wordt de gebruiker de keuze geboden om bij een meterruimte of een opstelplaats voor een stooktoestel het scherm weg te laten. Voorwaarde hierbij is dat de andere ruimten wel op de voorgeschreven wijze tegen ratten en muizen zijn afgeschermd.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.17.1.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.17.1.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor drinkwatervoorzieningen.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 3.120 bepaalt in welke situatie er een drinkwaterinstallatie aanwezig moet zijn (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 3.121 bepaalt de omvang van de drinkwaterinstallatie wat betreft aansluitpunten voor het gebruik (aansluitingen), en |
| 3. | artikel 3.122 geeft de eisen waaraan een drinkwaterinstallatie met het oog op menselijke consumptie en hygiëne moet voldoen (hygiëne). |
Hoewel in februari 2001 een nieuw Waterleidingbesluit is ingevoerd, waarbij de term leidingwater wordt gehanteerd, wordt in het Bouwbesluit nog gewerkt met de term drinkwater. Leidingwater omvat namelijk alle kwaliteiten water waarvan drinkwater er één is. Wanneer het Bouwbesluit onderscheid gaat maken tussen drinkwater en huishoudwater zal de terminologie hierop worden aangepast.
Dit artikel regelt de aanwezigheid van een drinkwaterinstallatie. Een drinkwaterinstallatie is niet slechts noodzakelijk voor menselijke consumptie, maar ook voor de lichamelijke hygiëne. Zo is er in alle gebruiksfuncties waarvoor een toiletvoorziening nodig wordt geacht ook een drinkwaterinstallatie nodig.
Dit artikel regelt de minimumomvang van een drinkwaterinstallatie. Er moet in de meterruimte een aansluitpunt zijn waarmee de installatie kan worden aangesloten op het distributienet van drinkwater. Dit aansluitpunt wordt in de voorschriften 'aansluitmogelijkheid' genoemd om het onderscheid tot uiting te laten komen met de aansluitpunten voor de gebruiker. Of de installatie daadwerkelijk moet zijn aangesloten op het distributienet of niet, is geregeld in de gemeentelijke bouwverordening. Een installatie dient aansluitpunten te hebben voor elk in het bouwwerk aanwezig waterverbruikend toestel, zoals een kraan boven het aanrecht, het bad of de douche, een wastafel, een warmwatertoestel en een waterspoelinrichting van een toiletpot. Ook moeten de in het bouwwerk aanwezige brandslanghaspels zijn aangesloten op de drinkwaterinstallatie. In artikel 3.121, eerste lid, is de verwijzing naar 'afdeling 4.12' vervangen door de verwijzing naar 'artikel 4.66' (Stb. 2005, 1). Door de verwijzing te specificeren is de toegankelijkheid verbeterd.
Het doel van dit artikel is te bereiken dat drinkwaterinstallaties water leveren van een kwaliteit die ter plaatse van de tappunten geschikt is voor de menselijke consumptie en hygiëne. Een drinkwaterinstallatie moet voldoen aan de in de ministeriële regeling aangewezen voorschriften, waarmee NEN 1006 van toepassing wordt verklaard.
Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 3.18.1. Voor bestaande bouwwerken wordt niet de minimumomvang van de installatie (aansluitpunten) voorgeschreven. De reden hiervan is dat daarvoor in het verleden geen wettelijke verplichtingen hebben gegolden. Het Besluit van 28 oktober 1998, houdende wijziging van het Bouwbesluit (fase 2), bevatte voor bestaande bouw nog de eis dat de drinkwatervoorziening is aangesloten op het distributienet. Dit was een zwaardere eis dan de eis voor nieuwbouw. Daarom is de eis voor bestaande bouw nu gelijk getrokken met die voor nieuwbouw.
Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 3.18.1. Voor bestaande bouwwerken wordt niet de minimumomvang van de installatie (aansluitpunten) voorgeschreven. De reden hiervan is dat daarvoor in het verleden geen wettelijke verplichtingen hebben gegolden. Het Besluit van 28 oktober 1998, houdende wijziging van het Bouwbesluit (fase 2), bevatte voor bestaande bouw nog de eis dat de drinkwatervoorziening is aangesloten op het distributienet. Dit was een zwaardere eis dan de eis voor nieuwbouw. Daarom is de eis voor bestaande bouw nu gelijk getrokken met die voor nieuwbouw.
Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 3.18.1. Voor bestaande bouwwerken wordt niet de minimumomvang van de installatie (aansluitpunten) voorgeschreven. De reden hiervan is dat daarvoor in het verleden geen wettelijke verplichtingen hebben gegolden. Het Besluit van 28 oktober 1998, houdende wijziging van het Bouwbesluit (fase 2), bevatte voor bestaande bouw nog de eis dat de drinkwatervoorziening is aangesloten op het distributienet. Dit was een zwaardere eis dan de eis voor nieuwbouw. Daarom is de eis voor bestaande bouw nu gelijk getrokken met die voor nieuwbouw.
Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 3.18.1. Voor bestaande bouwwerken wordt niet de minimumomvang van de installatie (aansluitpunten) voorgeschreven. De reden hiervan is dat daarvoor in het verleden geen wettelijke verplichtingen hebben gegolden. Het Besluit van 28 oktober 1998, houdende wijziging van het Bouwbesluit (fase 2), bevatte voor bestaande bouw nog de eis dat de drinkwatervoorziening is aangesloten op het distributienet. Dit was een zwaardere eis dan de eis voor nieuwbouw. Daarom is de eis voor bestaande bouw nu gelijk getrokken met die voor nieuwbouw.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor warmwatervoorzieningen voor nieuwbouw.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 3.128 bepaalt in welke situatie er een warmwaterinstallatie aanwezig moet zijn (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 3.129 bepaalt de omvang van de warmwaterinstallatie wat betreft aansluitpunten voor het gebruik (aansluitingen), en |
| 3. | artikel 3.130 geeft de eisen waaraan een warmwaterinstallatie met het oog op menselijke hygiëne moet voldoen (hygiëne). |
Dit artikel regelt de aanwezigheid van een warmwaterinstallatie. Een warmwaterinstallatie is noodzakelijk voor alle gebruiksfuncties waarin een badruimte voorkomt die is voorgeschreven in afdeling 4.8.
Dit artikel regelt de minimumomvang van een warmwaterinstallatie. Deze moet uit een oogpunt van doelmatigheid ten minste aansluitpunten voor warmwatertoestellen hebben ter plaatse van de in hoofdstuk 4 van dit besluit voorgeschreven badruimte en de opstelplaats voor een warmwatertoestel.
Het doel van dit artikel is te bereiken dat warmwaterinstallaties water leveren van een kwaliteit die ter plaatse van de tappunten geschikt is voor de menselijke hygiëne. Een drinkwaterinstallatie moet voldoen aan de in de ministeriële regeling aangewezen model-aansluitvoorwaarden van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland, waarmee NEN 1006 van toepassing wordt verklaard.
Dit besluit schrijft voor bestaande bouwwerken niet de aanwezigheid van een warmwaterinstallatie voor, noch de minimumomvang van zo'n voorziening. Voor in bestaande bouw aanwezige toestellen bevat artikel 3.132 kwaliteitsvoorschriften voor het warm tapwater, die gelijk zijn aan die van artikel 3.130 van paragraaf 3.19.1.
Het eerste lid geeft de functionele eis voor daglicht.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor het onderhavige onderwerp is er slechts één voorschrift. Dit is artikel 3.134, dat regelt in welke situaties en in welke mate er daglicht moet kunnen toetreden tot verblijfsgebieden en verblijfsruimten.
Voor de bijeenkomstfunctie, industriefunctie, sportfunctie, winkelfunctie, 'andere ruimte in een celfunctie', gezondheidszorgfunctie, 'overige gebruiksfunctie' en 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid verklaart dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is. In tabel 3.133 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang opgenomen (Stb. 2005, 1). Daarmee zijn deze eisen voor een ruimte waarin kinderen spelen afgestemd op die voor de onderwijsfunctie.
De bedoeling van dit artikel is te bereiken dat er voldoende daglicht kan toetreden tot een verblijfsgebied of verblijfsruimte, voorzover dat uit een oogpunt van gezondheid noodzakelijk is. Dit artikel heeft niet het waarborgen van de gelegenheid tot uitzicht vanuit de genoemde ruimten tot doel. Bij het laatste gaat het om een psychologische behoefte. Uit oogpunt van marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit ligt het in de rede dat de markt daarin voorziet. In NEN 2057 is aangegeven op welke wijze de vereiste daglichtoppervlakte moet zijn bepaald. De equivalente daglichtoppervlakte die deze norm bedoelt is gedefinieerd als de daglichtopening, voorzover hoger gelegen dan 60 cm boven de vloer, die met reductiefactoren wordt vermenigvuldigd. Deze reductiefactor wordt in rekening gebracht met het oog op bepaalde belemmeringen. Dit zijn bijvoorbeeld dakoverstekken en uitkragende balkons, die de toetreding van daglicht door die openingen beperken. De eis van het eerste lid heeft betrekking op verblijfsgebieden. Deze kunnen zijn ingedeeld in meer dan één verblijfsruimte. Om te waarborgen dat in elke afzonderlijke verblijfsruimte voldoende daglicht kan toetreden, bevat het tweede lid een minimum eis betreffende de daglichtopening van een verblijfsruimte. De vereiste daglichtoppervlakte kan worden verwezenlijkt door openingen in zowel uitwendige als inwendige scheidingsconstructies. Zo mag bijvoorbeeld wanneer er een serre aan de buitenkant van de gebruiksfunctie is, de daglichttoetreding via die serre zijn meegerekend voor een aangrenzend verblijfsgebied of aangrenzende verblijfsruimte. Het derde lid sluit echter deze indirecte daglichttoetreding uit, indien de tussenliggende ruimte een verblijfsgebied, toilet-, bad- of technische ruimte is. Op grond van NEN 2057 moet bij het bepalen van de daglichttoetreding ook rekening worden gehouden met belemmeringen die worden veroorzaakt door bouwwerken en andere obstakels die zich op een naburig perceel bevinden. Dit is echter in strijd met het beginsel 'gelijke monniken, gelijke kappen' dat aan het Bouwbesluit ten grondslag ligt. Daarom bevat het vierde lid enkele voorschriften die bewerkstelligen dat men voor een gebruiksfunctie onafhankelijk van zijn omgeving kan nagaan of het aan de eisen inzake daglicht voldoet. Zo moet men krachtens onderdeel c. uitgaan van een genormeerde belemmering, die op grond van deskundig inzicht is vastgesteld. Onderdeel b. heeft daarentegen betrekking op het eigen perceel. Bij de keuze van de afstand tot de perceelsgrens is rekening gehouden met de in het Burgerlijk Wetboek genoemde maat. Het zevende lid maakt bijvoorbeeld een aula zonder daglicht mogelijk.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.20.1.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 3.20.1 (zie ook voetnoot 32).