Contact Help
Artikel 2.28
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken
0 topics gevondenNieuw topic starten


Artikel 2.28

Verschillen in hoogte van meer dan 21 cm tussen vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein moeten volgens afdeling 2.4 zijn overbrugd door een trap of hellingbaan. Aan trappen naar en tussen andere ruimten zijn geen eisen gesteld. Het doel van dit artikel is te verzekeren dat de afmetingen van een voorgeschreven trap en zijn onderdelen zodanig zijn, dat gebruikers daarvan op veilige wijze gebruik kunnen maken. Voor de woonfunctie gelden in beginsel op grond van het eerste lid de lichtere eisen van kolom A van tabel 2.28a. Trappen waarvan aannemelijk is dat meer personen gelijktijdig en in twee richtingen ervan gebruik zullen maken, moeten echter op grond van het tweede en derde lid voldoen aan de zwaardere eisen van kolom B van tabel 2.28a. In het tweede lid gaat het om trappen die toegang geven tot een woongebouw of tot een zeer grote woonfunctie in of buiten een woongebouw, bijvoorbeeld een groot appartement of een gezinsvervangende woning. Op grond van het derde lid vallen bovendien onder de waarden van kolom B van tabel 2.28a trappen van woongebouwen die aan bepaalde criteria voldoen. Deze criteria hebben betrekking op de bestemming van de trap - het ontsluiten van een verblijfsgebied - en een minimale vloeroppervlakte die op de trap is aangewezen. Dit betekent dat in de praktijk trappen waarvan door veel personen tegelijk gebruik moet kunnen worden gemaakt, in ieder geval moeten voldoen aan kolom B van tabel 2.28a. In de klimlijn is een correctie (Stb. 2002, 516) van 1 cm ten opzichte van het geconverteerde Bouwbesluit (Stb. 2001, 410) aangebracht.

Voor de utiliteitsbouw gelden in beginsel op grond van het vijfde lid de lichtere eisen van kolom A van tabel 2.28b. Voor trappen waar meer personen gelijktijdig en in twee richtingen gebruik van zullen maken, gelden volgens het zesde lid de zwaardere eisen van kolom B van tabel 2.28b. De aanvrager van een bouwvergunning kan op grond van de in tabel 2.27 gegeven grenswaarden voor de utiliteitsbouw bepalen of hij aan de eisen van het zesde lid moet voldoen. De grenswaarden betreffen de bezettingsgraadklasse in relatie tot de op de trap aangewezen vloeroppervlakte van de verblijfsgebieden. In tabel 2.28b is de minimum vrije hoogte boven de trap gesteld (Stb. 2005, 1) op 2,3 m en daarmee gelijk aan de in artikel 4.12, eerste lid, opgenomen plafondhoogte voor een verkeersroute in een utiliteitsgebouw (zoals gewijzigd in tabel 4.10).

'Aantrede' is de horizontale afstand tussen de voorkanten van twee opeenvolgende treden. 'Optrede' is het hoogteverschil tussen twee opeenvolgende treden en 'tredevlak' is het horizontale bovenvlak van een trede. Met het oog op het groeiend aantal ouderen dat ook langer thuis zal wonen en om voortijdige aanpassing van de gebruiksfunctie te voorkomen, zijn de aantrede en optrede van trappen in woningen aangescherpt. Hiermee wordt een betere beloopbaarheid van deze trappen verkregen. De breedte van een trap wordt gemeten tussen de trapafscheidingen. Voor woongebouwen is deze minimum breedte, gelijk aan die van de vrije doorgang van een verkeersroute in een woongebouw in artikel 4.12, lid 2, aangescherpt van 1,1 m tot 1,2 m; dit eveneens met het oog op het groeiend aantal ouderen. Een aan de trap grenzende wand wordt aangemerkt als trapafscheiding. Waar een trapafscheiding ontbreekt, wat toegelaten is voor de onderste meter van de trap, geldt de buitenzijde van de trapboom als begrenzing. Bij het bepalen van de breedte moeten de leuningen buiten beschouwing worden gelaten. Met de eis aangaande de vrije hoogte boven de trap wordt gewaarborgd dat er voldoende vrije loopruimte boven de trap aanwezig is. Gelijk aan de hoogte van deuren (artikel 4.11) is, in verband met de toenemende gemiddelde lengte van de bevolking, de vrije hoogte boven trappen van woonfuncties aangescherpt van 2,1 naar 2,3 m. De vrije hoogte is vooral van belang bij het afdalen van de trap. Daarentegen heeft men bij het bestijgen van een trap de neiging om iets voorovergebogen te lopen. Voor de ruimere trappen die vallen onder kolom B van de tabellen 2.28a en 2.28b geldt dat de minimum breedte van hun tredevlakken op zijn minst 17 cm moet zijn. Dit betekent dat zo'n trap praktisch gesproken niet als wenteltrap kan worden uitgevoerd wegens de grote diameter van de spil die daarvoor nodig zou zijn. Met het invoegen van de eisen voor een noodtrap in artikel 2.28, elfde lid (Stb. 2005, 1), is tegemoet gekomen aan de wens van het bouwbedrijfsleven voor een duidelijker onderscheid tussen de eisen voor een gewone trap, en de (lichtere) eisen voor een noodtrap. Tabel 2.28b is nu ook van toepassing op een noodtrap van een woonfunctie, zodat een noodtrap van een woongebouw geen zogenoemde 'luie trap' meer behoeft te zijn. Met het invoegen van de eis voor een noodtrap is in het derde en zesde lid de (bij Stb. 2002, 203 ingevoegde) zinsnede 'voor het bereiken van een verblijfsgebied' overbodig geworden en aldus geschrapt (Stb. 2005, 1). Daarnaast wordt nu in het zesde lid verwezen naar het vijfde lid, waarmee een eerdere onjuiste verwijzing naar het eerste lid ongedaan is gemaakt. Hiermee wordt voorkomen dat brandtrappen aan te zware eisen moeten voldoen. Brandtrappen zijn namelijk niet zozeer bedoeld voor het bereiken maar voor het kunnen ontvluchten van een verblijfsgebied. Het vierde, zevende en tiende lid betreffen trapvormige constructies waarmee binnen een verblijfsgebied hoogteverschillen worden overbrugd voor het bereiken van lager of hoger gelegen vloeren of zitplaatsen. Voorbeelden hiervan zijn constructies als zitkuilen, tussenvloeren, tribunes in sportzalen en tribunes in de open lucht. De voorschriften betreffende trappen zijn daarop niet van toepassing. Niettemin dienen deze constructies vanuit een oogpunt van gebruiksveiligheid aan enige eisen te voldoen.