Home › Nota van toelichting op Bouwbesluit 2003 › Artikelsgewijze toelichting › Hoofdstuk 2 Voorschriften uit het oogpunt van veiligheid › Afdeling 2.3 Vloerafscheiding
Het eerste lid geeft de functionele eis voor vloerafscheidingen voor nieuwbouw.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie een voorschrift aan dat van toepassing is op die gebruiksfunctie. Door aan dat voorschrift te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 2.15 regelt in welke situaties een vloer moet zijn voorzien van een afscheiding aan de rand en in welke niet (aanwezigheid); |
| 2. | artikel 2.16 bepaalt wat voor hoogte een vloerafscheiding minimaal moet hebben (hoogte); |
| 3. | artikel 2.17 bevat eisen betreffende de maximale grootte van openingen in en bij een vloerafscheiding (openingen), en artikel 2.18 verbiedt het voorkomen van opstapmogelijkheden in een bepaalde hoogtezone van een vloerafscheiding (opstapmogelijkheden). |
Voor de sub-gebruiksfunctie 'woonfunctie gelegen in een woonwagen' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfunctie van toepassing is.
In tabel 2.14 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar (functie 2a) en de opvang van oudere kinderen (functie 2b). Voor de eerste groep zijn de eisen voor overklauterbaarheid en de breedte van de openingen in een vloerafscheiding aan de rand van een vloer in overeenstemming gebracht met die voor de woonfunctie. Voor de opvang van kinderen van basisschoolleeftijd (buitenschoolse opvang) is het veiligheidsniveau gelijkgesteld aan dat van de onderwijsfunctie. In de tabel is voorts de aansturing van het nieuwe vijfde lid van artikel 2.16 opgenomen.
Het doel van dit artikel is te voorkomen dat mensen van de rand van een vloer kunnen vallen. Als de valhoogte minder is dan 1 m, wordt het risico beperkt geacht. In artikel 2.15, eerste lid, is 'afscheiding' vervangen door 'niet beweegbare afscheiding' (Stb. 2005, 1), omdat in de praktijk bleek dat het begrip afscheiding zonder de toevoeging 'niet beweegbare' soms aanleiding gaf tot onjuiste interpretaties. Er is nu duidelijk voorgeschreven dat in een vloerafscheiding tot de voorgeschreven hoogte geen beweegbare delen mogen zitten. Dat betekent dat een deur of laag raam in de gevelopening alleen is toegelaten als voor die deur of dat raam een niet beweegbaar hekwerk van de voorgeschreven hoogte is aangebracht (bijvoorbeeld bij een Frans balkon). Constructies waarbij bijvoorbeeld het raam met behulp van speciaal gereedschap in zijn geheel uit de sponningen kan worden gelicht, ten behoeve van verhuizing, kunnen als 'niet beweegbaar' worden aangemerkt en nog gewoon worden toegepast.
Onder vloeren worden ook vloeren verstaan van bijvoorbeeld balkons, bordessen, galerijen en dakterrassen. De voorgeschreven vloerafscheiding kan een hekwerk zijn, maar even goed denkbaar zijn vormen als een plantenbak of muurtje langs een trapgat of een doorlopende gevel langs een dakterras. Het tweede en het derde lid wijzen een aantal situaties aan waarin een vloerafscheiding niet is vereist.
De algemene eis voor de minimale hoogte van een vereiste vloerafscheiding bedraagt krachtens het eerste lid 1 m. Voor cellen en voor hoogteverschillen van meer dan 13 m geldt volgens het tweede lid een zwaardere eis van minimaal 1,2 m. Het derde lid bevat in afwijking van de voorgaande leden een lagere minimumeis voor afscheidingen (borstweringen) ter plaatse van een raam. De reden hiervan is dat een raam zelf al een zekere bescherming biedt tegen vallen. Verder zal de bovenzijde van een dergelijke borstwering veelal zijn uitgevoerd als vensterbank die ook een belemmering vormt tegen het naar buiten kunnen vallen. Het raam mag kunnen worden geopend. [Artikel 2.16, derde lid, is zo aangepast (Stb. 2005, 1) dat voortaan alleen bij een niet beweegbaar (niet te openen) raam zonder meer met een borstwering van 0,85 m kan worden volstaan. Deze wijziging houdt rekening met het veiligheidsprincipe uit de model-bouwverordening van voor 1992 en doet recht aan de noodzaak de veiligheid bij te openen ramen ook voor de steeds hoger wordende gebouwen te waarborgen.
Het vierde lid, dat bijvoorbeeld geldt voor vloerafscheidingen van theaters en sporthallen, is redactioneel aangepast (Stb. 2005, 1) om een betere afstemming met de andere artikelleden te waarborgen. Op grond van het vierde lid mag nog steeds met een hoogte van 70 cm worden volstaan, indien de hoogte en de breedte van de afscheiding samen ten minste 110 cm zijn. Dit betekent dat de afscheiding in dit geval een breedte van 40 cm moet hebben. De minimale som van 110 cm voor breedte en hoogte geeft voldoende waarborg dat iemand die tegen de afscheiding valt niet daaroverheen slaat. Dit biedt de mogelijkheid bij bijvoorbeeld theaters en sporthallen voldoende uitzicht te behouden. Bij deze gebruiksfuncties is een zo weinig mogelijk belemmerd uitzicht voor toeschouwers van groot belang. Zowel het vierde als het nieuwe vijfde lid (Stb. 2005, 1) gaan uit van het principe dat de veiligheid wordt gewaarborgd door een combinatie van hoogte van de borstwering en breedte van de bovenregel (horizontaal vlak) respectievelijk vensterbank. [Het nieuwe vijfde lid heeft betrekking op de vloerafscheiding voor een te openen raam en gaat uit van een minimum hoogte van 0,85 m. Volgens zowel het vierde als het vijfde lid moet de som van de hoogte en de breedte van het horizontale vlak op die hoogte ten minste 1,1 m zijn. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij een borstweringhoogte van 0,85 m over de volle breedte van een te openen raam, een vensterbank of bovenregel met een breedte van ten minste 0,25 m aanwezig moet zijn. Is een dergelijke voorziening niet aangebracht of smaller dan 0,25 m dan zal de borstwering, afhankelijk van de wel aanwezige breedte, hoger moeten zijn.
Een vloerafscheiding mag volgens het eerste lid zijwaarts op enige afstand van de rand van de vloer zijn geplaatst. De opening tussen de rand van de vloer en de afscheiding is aan voorschriften gebonden om het risico dat mensen door zo'n opening vallen of erin bekneld raken te voorkomen. Het tweede tot en met het vierde lid hebben betrekking op openingen in de afscheiding zelf. Voor een woonfunctie, een gedeelte van een utiliteitsgebouw en een bouwwerk geen gebouw zijnde, dat is bestemd voor bezoekers, geldt een eis voor de zone van de afscheiding tussen 20 en 70 cm hoogte boven de vloer. Een opening in die zone mag volgens het tweede en het vierde lid niet breder zijn dan 10 cm, dan wel, wat betreft een bouwwerk geen gebouw zijnde, 50 cm. Het derde lid bevat de eis dat een vereiste vloerafscheiding geen openingen heeft met een breedte van meer dan 50 cm. Dit is ten opzichte van de eisen van het tweede en het vierde lid een aanvulling voor de zones van de afscheiding boven de 70 cm. Voor utiliteitsgebouwen die niet zijn bestemd voor bezoekers, is dit de enige eis inzake openingen in de afscheiding. Praktisch gezien komt de breedte-eis erop neer, dat een bol met een doorsnede van meer dan 10 cm respectievelijk 50 cm niet door een eventuele opening in het hekwerk mag kunnen.
Het doel van dit voorschrift is zoveel mogelijk te voorkomen dat kleine kinderen makkelijk over een voorgeschreven vloerafscheiding kunnen klimmen.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.3.1 Nieuwbouw.
In tabel 2.19 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar (gebruiksfunctie 2a) ingevoegd (Stb. 2005, 1). De eisen aan overklauterbaarheid en de breedte van de openingen in een vloerafscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Artikel 2.22, tweede lid, is voor de kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar aangestuurd. In de tabeltekst is, in plaats van een vaste waarde, een verwijzing naar de grenswaarde in tabel 2.19 opgenomen. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.3.1 Nieuwbouw.
In tabel 2.19 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar (gebruiksfunctie 2a) ingevoegd (Stb. 2005, 1). De eisen aan overklauterbaarheid en de breedte van de openingen in een vloerafscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Artikel 2.22, tweede lid, is voor de kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar aangestuurd. In de tabeltekst is, in plaats van een vaste waarde, een verwijzing naar de grenswaarde in tabel 2.19 opgenomen. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.3.1 Nieuwbouw.
In tabel 2.19 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar (gebruiksfunctie 2a) ingevoegd (Stb. 2005, 1). De eisen aan overklauterbaarheid en de breedte van de openingen in een vloerafscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Artikel 2.22, tweede lid, is voor de kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar aangestuurd. In de tabeltekst is, in plaats van een vaste waarde, een verwijzing naar de grenswaarde in tabel 2.19 opgenomen. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.
Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.3.1 Nieuwbouw.
In tabel 2.19 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar (gebruiksfunctie 2a) ingevoegd (Stb. 2005, 1). De eisen aan overklauterbaarheid en de breedte van de openingen in een vloerafscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Artikel 2.22, tweede lid, is voor de kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar aangestuurd. In de tabeltekst is, in plaats van een vaste waarde, een verwijzing naar de grenswaarde in tabel 2.19 opgenomen. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.