Home › Nota van toelichting op Bouwbesluit 2003 › Artikelsgewijze toelichting › Hoofdstuk 2 Voorschriften uit het oogpunt van veiligheid › Afdeling 2.24 Toegang van een bouwwerk
Het eerste lid geeft de functionele eis voor toegangen van gebouwen met betrekking tot nieuwbouw. In afdeling 2.24, toegang van een bouwwerk, zijn de functionele eisen voor nieuwbouw en voor bestaande bouw beide aangepast (Stb. 2005, 1). Bij nieuwbouw (artikel 2.210, eerste lid) is de functionele eis nu zo geformuleerd dat blijkt dat het uitsluitend om gemeenschappelijke verkeersruimten van woonfuncties in een woongebouw gaat.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor het onderhavige onderwerp is er slechts één voorschrift. Dit is artikel 2.211, dat eisen bevat voor de deur en andere voorzieningen voor de toegang tot een woongebouw.
\Voor geen enkele andere gebruiksfunctie dan 'woonfunctie gelegen in een woongebouw' wijst tabel 2.210 voorschriften aan. Het derde lid verklaart dat de functionele eis evenmin op deze andere gebruiksfuncties van toepassing is.
Het doel van dit artikel is tegen te gaan dat onbevoegden op eenvoudige wijze een woongebouw kunnen binnenkomen. Op grond van het eerste lid moet elke toegang van een woongebouw zijn voorzien van een deur die uit zichzelf in het slot te valt, bijvoorbeeld door middel van een dranger. Dit dient ertoe om te voorkomen dat bewoners van de in het gebouw gelegen woningen die deur al te gemakkelijk laten openstaan. Verder moet zo'n toegangsdeur zijn voorzien van een slot. Voor het openen van de deur is een sleutel nodig, waaronder tevens valt te verstaan een magnetische codekaart voor dit doel. Zonder voorzieningen om vanuit de woningen te kunnen waarnemen of er bezoekers zijn, met hen te spreken en hen desgewenst binnen te laten, bestaat de kans dat bewoners bewust de toegangsdeur laten openstaan. Om dit te voorkomen bevat het tweede lid eisen omtrent de aanwezigheid van een deuropener, bel en spreekinstallatie. Deze voorzieningen hebben slechts zin als ze kunnen worden bediend vanuit de woning. Daarbij zijn in de gevolgde systematiek van het stellen van eisen deuropener, bel en spreekinstallatie gemeenschappelijke voorzieningen die onderdeel vormen van elke daarop aangewezen woning.
Bij bestaande bouw (artikel 2.212, eerste lid), is de functionele eis nu (Stb. 2005, 1) zo geformuleerd dat blijkt dat het uitsluitend om afsluitbare gemeenschappelijke verkeersruimten van woonfuncties in een woongebouw gaat. Hiermee is recht gedaan aan de situatie dat niet alle bestaande woongebouwen een afsluitbaar portiek hebben. Tot begin jaren '90 zijn, met name in de sociale sector, veelvuldig woningen met een open portiek (ofwel een zogenoemd Haags portiek) gerealiseerd. Zie verder de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.24.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt op te merken dat voor de toegang van een bestaand woongebouw slechts is vereist dat deze is uitgerust met voorzieningen voor het in het slot vallen van de deur en voor het geven van een signaal naar de betrokken woningen. Praktisch gezien komt dit neer op het aanwezig zijn van een dranger en een bel. Anders dan bij de nieuwbouw worden er dus geen deuropener en spreekinstallatie verlangd. Op grond van de voorschriften voor bestaande gebouwen kan namelijk een gemeente de eigenaar van een bestaand woongebouw door middel van een aanschrijving dwingen tot het aanbrengen van vereiste voorzieningen. De eisen in het eerste en tweede lid van artikel 2.213 zijn afgestemd (Stb. 2005, 1) op de aangepaste functionele eis van artikel 2.212, waarmee recht wordt gedaan aan het feit dat veel bestaande woongebouwen geen gesloten maar een open portiek hebben. Naast de voorwaarde dat deze eisen uitsluitend van toepassing zijn bij een afsluitbaar portiek, is het tweede lid nog tekstueel in lijn gebracht met dezelfde eis voor nieuwbouw in artikel 2.211, tweede lid.
Bij bestaande bouw (artikel 2.212, eerste lid), is de functionele eis nu (Stb. 2005, 1) zo geformuleerd dat blijkt dat het uitsluitend om afsluitbare gemeenschappelijke verkeersruimten van woonfuncties in een woongebouw gaat. Hiermee is recht gedaan aan de situatie dat niet alle bestaande woongebouwen een afsluitbaar portiek hebben. Tot begin jaren '90 zijn, met name in de sociale sector, veelvuldig woningen met een open portiek (ofwel een zogenoemd Haags portiek) gerealiseerd. Zie verder de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.24.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt op te merken dat voor de toegang van een bestaand woongebouw slechts is vereist dat deze is uitgerust met voorzieningen voor het in het slot vallen van de deur en voor het geven van een signaal naar de betrokken woningen. Praktisch gezien komt dit neer op het aanwezig zijn van een dranger en een bel. Anders dan bij de nieuwbouw worden er dus geen deuropener en spreekinstallatie verlangd. Op grond van de voorschriften voor bestaande gebouwen kan namelijk een gemeente de eigenaar van een bestaand woongebouw door middel van een aanschrijving dwingen tot het aanbrengen van vereiste voorzieningen. De eisen in het eerste en tweede lid van artikel 2.213 zijn afgestemd (Stb. 2005, 1) op de aangepaste functionele eis van artikel 2.212, waarmee recht wordt gedaan aan het feit dat veel bestaande woongebouwen geen gesloten maar een open portiek hebben. Naast de voorwaarde dat deze eisen uitsluitend van toepassing zijn bij een afsluitbaar portiek, is het tweede lid nog tekstueel in lijn gebracht met dezelfde eis voor nieuwbouw in artikel 2.211, tweede lid.