Home › Nota van toelichting op Bouwbesluit 2003 › Artikelsgewijze toelichting › Hoofdstuk 2 Voorschriften uit het oogpunt van veiligheid › Afdeling 2.18 Vluchtroutes
Het eerste lid geeft de functionele eis voor rookvrije vluchtroutes voor nieuwbouw.
De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 2.154 geeft aan wat het eindpunt is van een rookvrije vluchtroute (veilige plaats); |
| 2. | artikel 2.155 bevat een functionele eis aan rookvrije vluchtroutes van bouwwerken die geen gebouw zijn (algemeen); |
| 3. | artikel 2.156 betreft rookvrije vluchtroutes vanuit een rookcompartiment (rookcompartiment); |
| 4. | artikel 2.157 bevat soortgelijke eisen aan rookvrije vluchtroutes vanuit een subbrandcompartiment (subbrandcompartiment); |
| 5. | artikel 2.158 geeft aan wanneer een vluchttrappenhuis aan de eisen voor een brand- en rookvrije vluchtroute moet voldoen (vluchttrappenhuis); |
| 6. | artikel 2.159 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijk bouwwerk). |
Voor een enkel onderdeel van een gebruiksfunctie wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan. De wijziging (Stb. 2002, 203) van tabel 2.153 vloeit voort uit het vervallen van artikel 2.156, eerste lid. Zie de toelichting op artikel 2.156. In tabel 2.153 (Stb. 2005, 1) is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd. Voor kinderopvang van kinderen jonger dan 4 jaar is de grenswaarde van artikel 2.156, zevende lid, de lengte waarover twee vluchtroutes mogen samenvallen op 5 m gesteld. Dit heeft tot gevolg dat beperkingen zijn gesteld aan de mogelijkheid brand- en rookvrije vluchtroutes te maken die beginnen aan het uiteinde van een (doodlopende) gang. In zo'n geval kan dus maar een kant op worden gevlucht. Voor een volledige ontruiming zal het personeel in het algemeen meer dan één keer heen en weer moeten lopen met niet-zelfredzame kinderen. Er is dus van uit gegaan dat kinderen jonger dan 4 jaar naar buiten moeten worden gedragen. Als er slechts sprake is van een enkele (samenvallende) vluchtroute, dan is bij een loopafstand van meer dan 5 m het risico te groot, dat deze voordat de evacuatie is voltooid door brand of rook wordt geblokkeerd. Een dergelijke enkele vluchtroute staat ook wel bekend als een doodlopende gang. De eisen voor de opvang voor kinderen van basisschoolleeftijd zijn gelijkgesteld aan de eisen voor de onderwijsfunctie. Ook is bij artikel 2.156, zesde lid, de grenswaarde voor de bezettingsgraadklasse B5 bij een 'ander rookcompartiment' van een gezondheidszorgfunctie (in tabel 2.153, functies 4a2 en 4b2) gewijzigd van 1800 in n.t. (niet toegestaan). Het Arbeidsomstandighedenbesluit staat bezettingsgraadklasse B5 hier namelijk niet toe. Omwille van de veiligheid van het publiek gelden de voorschriften voor vluchtroutes, inclusief een vluchttrappenhuis, nu ook voor grote parkeergarages. Daartoe is in de tabel de 'overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen' (functie 11b) opgenomen, waarvoor dezelfde artikelen worden aangestuurd als voor de 'overige gebruiksfunctie voor personenvervoer' (functie 11a). Aan artikel 2.156 is een nieuw elfde lid toegevoegd en aangestuurd voor alle gebruiksfuncties waarvoor artikel 2.155 en het eerste lid van artikel 2.156 reeds waren aangestuurd. Omdat nu is aangegeven dat een vluchtroute gemeenschappelijk mag zijn, kunnen verschillende gebruiksfuncties van dezelfde vluchtroute gebruik maken.
In tabel 2.153 is de aansturing van artikel 2.156, vierde lid, gewijzigd (Stb. 2005, 528). Voortaan geldt dit artikel voor bijna alle gebruiksfuncties. In de bij Staatsblad 2005, 1 vanwege de invoering van de gebruiksfunctievoor kinderopvang gewijzigde tabel was dit vierde lid ten onrechte slechts voor de andere woonfunctie aangestuurd. De aansturing is na inwerkingtreding van de onderhavige wijziging weer zoals deze was (het voorschrift stond toen nog in artikel 2.156, eerste lid). In een incidenteel geval is het niet uit te sluiten dat in de periode tussen 1 september 2005 en de inwerkingtreding van dit besluit nodig is bij de aanvraag van een bouwvergunning op deze wijziging te anticiperen. Voorts is in de tabel artikel 2.156, elfde lid, voortaan ook voor de functie bouwwerk geen gebouw zijnde aangestuurd (Stb. 2005, 528, Stb. 2006, 257)..
Aan artikel 2.157 is een nieuw zesde lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat net als de andere leden van dat artikel is aangestuurd voor een 'andere woonfunctie'.
Het voor de hand liggende einddoel van een rookvrije vluchtroute is het aansluitende terrein. Het eerste lid waarborgt dat men dit kan bereiken zonder het risico te lopen in zijn vlucht te worden gestuit door een op slot zijnde deur. Voor penitentiaire inrichtingen is het echter niet de bedoeling dat ongehinderd het aansluitende terrein kan worden bereikt. Daarom dient krachtens het tweede en het derde lid een rookvrije vluchtroute in een gevangenis niet verder te leiden dan naar een ander brandcompartiment. Gelet op de personele capaciteit die in een gevangenis beschikbaar is, kan daar met organisatorische voorzieningen een gelijkwaardige veiligheid worden geboden als bij een rechtstreekse rookvrije vluchtroute naar het aansluitende terrein. De redactionele aanpassing van het tweede lid van artikel 2.154 is het gevolg van de introductie van het begrip 'nevenfunctie'. Een penitentiaire inrichting bevat behalve celfuncties ook andere gebruiksfuncties. Deze gebruiksfuncties zijn nevenfuncties van de celfuncties. In geval van brand moeten de gedetineerden vanuit die nevenfuncties naar een ander brandcompartiment kunnen vluchten. Het is aan de aanvrager van een bouwvergunning om aan te geven welke nevenfuncties het bouwwerk zal bevatten. Een kantoor voor de administratie van de inrichting hoeft bijvoorbeeld geen nevenfunctie van de celfunctie te zijn, waardoor het kantoorpersoneel bij brand wel rechtstreeks naar het aansluitende terrein kan vluchten (Stb. 2002, 203).
Dit artikel bevat een functionele eis voor de vluchtroutes van bouwwerken die geen gebouw zijn. De reden hiervan is de zeer uiteenlopende aard van deze bouwwerken, zoals bijvoorbeeld open tribunes en bruggen. Hierdoor moeten de uitvoerende organen een zekere beleidsruimte hebben om passende eisen te kunnen stellen voor concrete situaties. Als algemeen uitgangspunt geldt, dat er in twee richtingen moet kunnen worden gevlucht om het bij het bouwwerk aansluitende terrein te kunnen bereiken.
Dit artikel heeft als doel te waarborgen dat er vanuit een rookcompartiment veilige vluchtmogelijkheden zijn voor het geval van brand. Deze rookvrije vluchtroutes beginnen bij de toegang van een rookcompartiment. De aanpassing van artikel 2.156 (het vervallen van het eerste lid, met vernummering van de volgende leden) houdt in dat voor woningen en woongebouwen ook slechts rookvrije vluchtroutes zijn vereist, in plaats van brand- en rookvrije vluchtroutes. Met deze wijziging zijn deze voorschriften identiek aan die in het Bouwbesluit uit 1991 en in fase 2 (Stb. 2002, 203). Het eerste lid bevat de hoofdregel, namelijk dat er vanaf de toegang van een rookcompartiment moet kunnen worden gevlucht via twee verschillende rookvrije vluchtroutes, zodat er altijd nog één overblijft als de andere versperd is. Dit houdt in dat de gebruikers van het gebouw vanaf die toegang in twee richtingen moeten kunnen vluchten. De eis van twee vluchtroutes geldt volgens het eerste lid evenmin voor een klein rookcompartiment - met een gebruiksoppervlakte tot en met 250 m2 -, waarin geen verblijfsruimte ligt. Het gaat hierbij dus om rookcompartimenten waarin gewoonlijk slechts af en toe enkele personen aanwezig zullen zijn. Met de wijzigingen (Stb. 2005, 1) van het eerste en vierde lid van artikel 2.156 zijn deze leden op elkaar afgestemd. Het vierde lid was alleen gericht op een technische ruimte en geeft nu expliciet aan dat elk rookcompartiment waarin geen mensen verblijven, waaronder een technische ruimte, tot een gebruiksoppervlakte van 250 m2 geen rookvrije vluchtroute behoeft te hebben. Het tweede lid geeft voor het eerste lid de mogelijkheid om onder bepaalde condities slechts een vluchtroute te realiseren. Het derde tot en met het zevende lid bevatten verdere uitzonderingen op de hoofdregel van het eerste lid. Doordat zij niet meer dan een vluchtroute vereisen, maken zij het - voor bepaalde situaties - mogelijk dat er 'doodlopende einden' in een gebouw voorkomen. Zo'n doodlopend eind is namelijk toegestaan indien dit ligt aan het aansluitende terrein of aan een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert. De uitzondering van het derde lid betreft het geval dat de vluchtroute door een veiligheidstrappenhuis voert, wat wil zeggen dat het trappenhuis in de vluchtrichting uitsluitend kan worden bereikt vanuit een niet-besloten ruimte. De uitzonderingen van het vierde en vijfde lid zijn afhankelijk van de hoeveelheid gebruiksoppervlakte die is aangewezen op de vluchtroute. In het vierde lid gaat het om een 'eenvoudige' rookvrije vluchtroute, in het vijfde lid om een brand- en rookvrije vluchtroute, die aan zwaardere eisen moet voldoen dan de 'eenvoudige' rookvrije vluchtroute. Daarom is de maximale hoeveelheid gebruiksoppervlakte die op een brand- en rookvrije vluchtroute mag zijn aangewezen aanzienlijk groter dan bij de rookvrije vluchtroute het geval is. Voorts is nu (Stb. 2005, 1) in het negende lid recht gedaan aan de voorwaarde dat ook bij grotere hoogteverschillen in een veiligheidstrappenhuis van een logiesfunctie de brandveiligheid in voldoende mate moet zijn gewaarborgd. Bij een hotel met meerdere bouwlagen mag een zogenoemde doodlopende gang naar een hotelkamer slechts een beperkte lengte hebben. De eis van het tiende lid geldt uitsluitend voor gedeelten van gezondheidszorgfuncties die zijn bestemd voor bedlegerige patiënten. Deze gebouwen moeten een bijzondere rookvrije vluchtroute hebben, waardoor de patiënten kunnen worden geëvacueerd. De rookvrije vluchtroute moet van de toegang van het rookcompartiment leiden naar een ander brandcompartiment, zodanig dat men geen gebruik behoeft te maken van een trap of een lift. De aanpassing van het tiende lid is een wetstechnische wijziging. In de definitie 'rookvrije vluchtroute' is reeds geregeld dat de vluchtroute niet door een lift mag voeren (Stb. 2002, 516). In het nieuwe elfde lid (Stb. 2005, 1) is aangegeven dat een rookvrije en brand- en rookvrije vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn. Zonder deze toevoeging zou, overeenkomstig het uitgangspunt dat een voorziening alleen gemeenschappelijk mag zijn wanneer dat expliciet in het Bouwbesluit 2003 is aangegeven, een vluchtroute niet gemeenschappelijk mogen zijn.
Dit artikel is soortgelijk aan het voorgaande, het heeft echter betrekking op rookvrije vluchtroutes vanuit subbrandcompartimenten. Ook voor deze subbrandcompartimenten geldt als hoofdregel dat er vanaf de toegang moet kunnen worden gevlucht via twee verschillende rookvrije vluchtroutes. Aan artikel 2.157, eerste lid, is de tekst "behalve bij de toegang" toegevoegd (Stb. 2005, 1). Daarmee is het voorschrift in overeenstemming gebracht met andere soortgelijke voorschriften over de aanwezigheid van onafhankelijke vluchtroutes. Twee onafhankelijke vluchtroutes behoeven ter plaatse van de toegang niet met een brandwerende deur van elkaar gescheiden te worden. Het tweede en derde lid bevatten uitzonderingen op de hoofdregel van de aanwezigheid van onafhankelijke vluchtroutes, die inhouden dat als er aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, de toegang van het subbrandcompartiment mag liggen aan een ruimte waardoor slechts één rookvrije vluchtroute voert. Deze voorwaarden hebben betrekking op de indeling van subbrandcompartimenten en rookvrije vluchtroutes. Het vierde en het vijfde lid houden verzachtende uitzonderingen in op de bedoelde voorwaarden. Zo zijn krachtens het vijfde lid 'doodlopende einden' toegestaan in bijvoorbeeld het portiek van een appartementengebouw. Aan artikel 2.157 is, net als in artikel 2.156 (elfde lid), een nieuw (in dit geval zesde) lid toegevoegd (Stb. 2005, 1). Daarmee is expliciet aangegeven dat een rookvrije en brand- en rookvrije vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute kan zijn.
Trappenhuizen in hogere gebouwen die een mogelijkheid tot vluchten bieden, moeten zodanig zijn dat zij voldoende bescherming bieden tijdens het vluchten. Dit artikel bepaalt daarom dat zo'n trappenhuis moet worden beschouwd als een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert. Het trappenhuis moet dan dus voldoen aan de eisen die gelden voor dergelijke ruimten. Deze eisen, zoals bijvoorbeeld betreffende weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag vanuit een rookcompartiment naar het trappenhuis, zijn strenger dan voor een 'eenvoudige' rookvrije vluchtroute. Er is niet bepaald dat de mogelijkheid tot vluchten die het trappenhuis biedt een brand- en rookvrije vluchtroute moet zijn. Daardoor blijft de mogelijkheid open om het vluchten vanuit het trappenhuis naar het aansluitende terrein te laten plaatsvinden via een 'eenvoudige' rookvrije vluchtroute.
Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.18.1 Nieuwbouw. Ten onrechte was in artikel 2.160, eerste lid, de bredere term 'route' in plaats van 'vluchtroute' gebruikt. Met de wijziging (Stb. 2005, 1) is het voorschrift voor bestaande bouw weer in het juiste verband gebracht met het voorschrift voor nieuwbouw (artikel 2.153, eerste lid).
In tabel 2.160 zijn bij artikel 2.163 een nieuw tweede en zevende lid ingevoegd (Stb. 2005, 1) die worden aangestuurd voor alle gebruiksfuncties waarvoor ook het eerste lid van dat artikel is aangestuurd.
De redactionele aanpassing van het tweede lid van artikel 2.161 voor de bestaande bouw is gelijk aan de aanpassing van artikel 2.154, tweede lid, voor nieuwbouw (Stb. 2002, 203). In artikel 2.163, eerste lid, is de tweede volzin geschrapt (Stb. 2005, 1). Deze is vervolgens in een nieuw tweede lid opgenomen, waarmee deze eisen aan een rookcompartiment waarin geen mensen verblijven, voor de bestaande bouw in overeenstemming zijn gebracht met de nieuwbouweisen van artikel 2.156. De aanpassing van artikel 2.163, vijfde lid, is een wetstechnische wijziging. In de definitie 'rookvrije vluchtroute' is reeds geregeld dat de vluchtroute niet door een lift mag voeren (Stb. 2002, 516). Voorts is een nieuw zevende lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat expliciet aangeeft dat een rookvrije en brand- en rookvrije vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn. Aan artikel 2.164 is een nieuw vijfde lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat gelijk aan de daaraan voorafgaande artikelleden wordt aangestuurd voor de 'andere woonfunctie'. Daarmee is expliciet aangegeven dat de vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn.
Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.18.1 Nieuwbouw. Ten onrechte was in artikel 2.160, eerste lid, de bredere term 'route' in plaats van 'vluchtroute' gebruikt. Met de wijziging (Stb. 2005, 1) is het voorschrift voor bestaande bouw weer in het juiste verband gebracht met het voorschrift voor nieuwbouw (artikel 2.153, eerste lid).
In tabel 2.160 zijn bij artikel 2.163 een nieuw tweede en zevende lid ingevoegd (Stb. 2005, 1) die worden aangestuurd voor alle gebruiksfuncties waarvoor ook het eerste lid van dat artikel is aangestuurd.
De redactionele aanpassing van het tweede lid van artikel 2.161 voor de bestaande bouw is gelijk aan de aanpassing van artikel 2.154, tweede lid, voor nieuwbouw (Stb. 2002, 203). In artikel 2.163, eerste lid, is de tweede volzin geschrapt (Stb. 2005, 1). Deze is vervolgens in een nieuw tweede lid opgenomen, waarmee deze eisen aan een rookcompartiment waarin geen mensen verblijven, voor de bestaande bouw in overeenstemming zijn gebracht met de nieuwbouweisen van artikel 2.156. De aanpassing van artikel 2.163, vijfde lid, is een wetstechnische wijziging. In de definitie 'rookvrije vluchtroute' is reeds geregeld dat de vluchtroute niet door een lift mag voeren (Stb. 2002, 516). Voorts is een nieuw zevende lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat expliciet aangeeft dat een rookvrije en brand- en rookvrije vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn. Aan artikel 2.164 is een nieuw vijfde lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat gelijk aan de daaraan voorafgaande artikelleden wordt aangestuurd voor de 'andere woonfunctie'. Daarmee is expliciet aangegeven dat de vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn.
Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.18.1 Nieuwbouw. Ten onrechte was in artikel 2.160, eerste lid, de bredere term 'route' in plaats van 'vluchtroute' gebruikt. Met de wijziging (Stb. 2005, 1) is het voorschrift voor bestaande bouw weer in het juiste verband gebracht met het voorschrift voor nieuwbouw (artikel 2.153, eerste lid).
In tabel 2.160 zijn bij artikel 2.163 een nieuw tweede en zevende lid ingevoegd (Stb. 2005, 1) die worden aangestuurd voor alle gebruiksfuncties waarvoor ook het eerste lid van dat artikel is aangestuurd.
De redactionele aanpassing van het tweede lid van artikel 2.161 voor de bestaande bouw is gelijk aan de aanpassing van artikel 2.154, tweede lid, voor nieuwbouw (Stb. 2002, 203). In artikel 2.163, eerste lid, is de tweede volzin geschrapt (Stb. 2005, 1). Deze is vervolgens in een nieuw tweede lid opgenomen, waarmee deze eisen aan een rookcompartiment waarin geen mensen verblijven, voor de bestaande bouw in overeenstemming zijn gebracht met de nieuwbouweisen van artikel 2.156. De aanpassing van artikel 2.163, vijfde lid, is een wetstechnische wijziging. In de definitie 'rookvrije vluchtroute' is reeds geregeld dat de vluchtroute niet door een lift mag voeren (Stb. 2002, 516). Voorts is een nieuw zevende lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat expliciet aangeeft dat een rookvrije en brand- en rookvrije vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn. Aan artikel 2.164 is een nieuw vijfde lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat gelijk aan de daaraan voorafgaande artikelleden wordt aangestuurd voor de 'andere woonfunctie'. Daarmee is expliciet aangegeven dat de vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn.
Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.18.1 Nieuwbouw. Ten onrechte was in artikel 2.160, eerste lid, de bredere term 'route' in plaats van 'vluchtroute' gebruikt. Met de wijziging (Stb. 2005, 1) is het voorschrift voor bestaande bouw weer in het juiste verband gebracht met het voorschrift voor nieuwbouw (artikel 2.153, eerste lid).
In tabel 2.160 zijn bij artikel 2.163 een nieuw tweede en zevende lid ingevoegd (Stb. 2005, 1) die worden aangestuurd voor alle gebruiksfuncties waarvoor ook het eerste lid van dat artikel is aangestuurd.
De redactionele aanpassing van het tweede lid van artikel 2.161 voor de bestaande bouw is gelijk aan de aanpassing van artikel 2.154, tweede lid, voor nieuwbouw (Stb. 2002, 203). In artikel 2.163, eerste lid, is de tweede volzin geschrapt (Stb. 2005, 1). Deze is vervolgens in een nieuw tweede lid opgenomen, waarmee deze eisen aan een rookcompartiment waarin geen mensen verblijven, voor de bestaande bouw in overeenstemming zijn gebracht met de nieuwbouweisen van artikel 2.156. De aanpassing van artikel 2.163, vijfde lid, is een wetstechnische wijziging. In de definitie 'rookvrije vluchtroute' is reeds geregeld dat de vluchtroute niet door een lift mag voeren (Stb. 2002, 516). Voorts is een nieuw zevende lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat expliciet aangeeft dat een rookvrije en brand- en rookvrije vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn. Aan artikel 2.164 is een nieuw vijfde lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat gelijk aan de daaraan voorafgaande artikelleden wordt aangestuurd voor de 'andere woonfunctie'. Daarmee is expliciet aangegeven dat de vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn.
Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.18.1 Nieuwbouw. Ten onrechte was in artikel 2.160, eerste lid, de bredere term 'route' in plaats van 'vluchtroute' gebruikt. Met de wijziging (Stb. 2005, 1) is het voorschrift voor bestaande bouw weer in het juiste verband gebracht met het voorschrift voor nieuwbouw (artikel 2.153, eerste lid).
In tabel 2.160 zijn bij artikel 2.163 een nieuw tweede en zevende lid ingevoegd (Stb. 2005, 1) die worden aangestuurd voor alle gebruiksfuncties waarvoor ook het eerste lid van dat artikel is aangestuurd.
De redactionele aanpassing van het tweede lid van artikel 2.161 voor de bestaande bouw is gelijk aan de aanpassing van artikel 2.154, tweede lid, voor nieuwbouw (Stb. 2002, 203). In artikel 2.163, eerste lid, is de tweede volzin geschrapt (Stb. 2005, 1). Deze is vervolgens in een nieuw tweede lid opgenomen, waarmee deze eisen aan een rookcompartiment waarin geen mensen verblijven, voor de bestaande bouw in overeenstemming zijn gebracht met de nieuwbouweisen van artikel 2.156. De aanpassing van artikel 2.163, vijfde lid, is een wetstechnische wijziging. In de definitie 'rookvrije vluchtroute' is reeds geregeld dat de vluchtroute niet door een lift mag voeren (Stb. 2002, 516). Voorts is een nieuw zevende lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat expliciet aangeeft dat een rookvrije en brand- en rookvrije vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn. Aan artikel 2.164 is een nieuw vijfde lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat gelijk aan de daaraan voorafgaande artikelleden wordt aangestuurd voor de 'andere woonfunctie'. Daarmee is expliciet aangegeven dat de vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn.
Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.18.1 Nieuwbouw. Ten onrechte was in artikel 2.160, eerste lid, de bredere term 'route' in plaats van 'vluchtroute' gebruikt. Met de wijziging (Stb. 2005, 1) is het voorschrift voor bestaande bouw weer in het juiste verband gebracht met het voorschrift voor nieuwbouw (artikel 2.153, eerste lid).
In tabel 2.160 zijn bij artikel 2.163 een nieuw tweede en zevende lid ingevoegd (Stb. 2005, 1) die worden aangestuurd voor alle gebruiksfuncties waarvoor ook het eerste lid van dat artikel is aangestuurd.
De redactionele aanpassing van het tweede lid van artikel 2.161 voor de bestaande bouw is gelijk aan de aanpassing van artikel 2.154, tweede lid, voor nieuwbouw (Stb. 2002, 203). In artikel 2.163, eerste lid, is de tweede volzin geschrapt (Stb. 2005, 1). Deze is vervolgens in een nieuw tweede lid opgenomen, waarmee deze eisen aan een rookcompartiment waarin geen mensen verblijven, voor de bestaande bouw in overeenstemming zijn gebracht met de nieuwbouweisen van artikel 2.156. De aanpassing van artikel 2.163, vijfde lid, is een wetstechnische wijziging. In de definitie 'rookvrije vluchtroute' is reeds geregeld dat de vluchtroute niet door een lift mag voeren (Stb. 2002, 516). Voorts is een nieuw zevende lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat expliciet aangeeft dat een rookvrije en brand- en rookvrije vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn. Aan artikel 2.164 is een nieuw vijfde lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat gelijk aan de daaraan voorafgaande artikelleden wordt aangestuurd voor de 'andere woonfunctie'. Daarmee is expliciet aangegeven dat de vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn.