Contact Help
Afdeling 2.16 Beperking van verspreiding van r ...
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken
0 topics gevondenNieuw topic starten


Afdeling 2.16 Beperking van verspreiding van rook

§ 2.16.1 Nieuwbouw

Artikel 2.134

Het eerste lid geeft de functionele eis met betrekking tot de beperking van verspreiding van rook voor nieuwbouw.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.135 bepaalt dat een brandcompartiment is onderverdeeld in rookcompartimenten (ligging);
2.artikel 2.136 bevat regels omtrent de omvang van een rookcompartiment (omvang);
3.artikel 2.137 bevat een eis aan de weerstand tegen rookdoorgang van de begrenzing van een rookcompartiment (weerstand rookdoorgang);
4.artikel 2.138 bepaalt dat er als regel in de scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere besloten ruimte, aan beweegbare constructie-onderdelen alleen maar zelfsluitende deuren mogen voorkomen (zelfsluitende constructie-onderdelen), en
5.artikel 2.139 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).

Voor een enkele gebruiksfunctie wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan. In tabel 2.134 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor het niveau van de eisen is voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar en voor de 24-uurs opvang aansluiting gezocht bij de logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw. Doordat bepaald is dat een subbrandcompartiment tevens een rookcompartiment is (artikel 2.136, eerste lid), kan evenals bij de logiesfunctie, gebruik gemaakt worden van de voorschriften voor vluchtroutes die de toegang van een rookcompartiment als startpunt hebben. Voorts zijn in de tabel bij artikel 2.138 twee kolommen geschrapt wegens het vervallen van het tweede en derde lid van dat artikel.

Artikel 2.135

Voor het veilig kunnen vluchten uit een gebouw bij brand is het nodig dat er voorzieningen worden getroffen om de verspreiding van rook tegen te gaan. Meer in het bijzonder gaat het erom, dat rookvrije vluchtroutes in voldoende mate gevrijwaard blijven van rook gedurende de tijd dat het gebouw wordt ontruimd. Verder dient ook binnen een brandcompartiment met het oog op het verlaten van dat brandcompartiment de verspreiding van rook gedurende zekere tijd beperkt te blijven. Met het oog hierop moet een brandcompartiment krachtens het eerste lid worden onderverdeeld in een of meer rookcompartimenten. Bij de uitgang van een rookcompartiment ligt immers in het algemeen het beginpunt van rookvrije vluchtroutes (artikel 2.163, eerste lid). Het tweede lid eist dat er in zeer hoge gebouwen een rooksluis is tussen een verblijfsgebied en een besloten vluchttrappenhuis. Rook van een beginnende brand kan hierdoor slechts bij uitzondering in het trappenhuis doordringen. Aldus wordt bereikt dat de gebruikers van het gebouw meer tijd krijgen om het gebouw veilig te kunnen verlaten. Bovendien kan de brandweer daardoor langer van die trappenhuizen gebruik maken om het gebouw te doorzoeken op achtergebleven personen.

Artikel 2.136

Het tweede, derde en vijfde lid gaan over de maximale loopafstand tussen een punt in een verblijfsgebied of verblijfsruimte en een toegang van het rookcompartiment waarin dat gebied of die ruimte ligt. De bedoeling is te voorkomen dat de bij het uitbreken van brand in een rookcompartiment aanwezige personen een lange weg door de rook moeten afleggen. Daarbij zouden ze het risico lopen de uitgang niet tijdig te kunnen vinden. Het tweede lid staat toe dat er bij het bepalen van de loopafstand geen rekening wordt gehouden met de niet-dragende scheidingsconstructies binnen een verblijfsgebied. De reden hiervan is de wens geen afbreuk te doen aan het beginsel van de vrije indeelbaarheid. Niettemin zou zonder compensatie hiervoor de werkelijke, door de rook af te leggen afstand onaanvaardbaar groot kunnen worden. Daarom dient de berekende afstand te worden vermenigvuldigd met een factor anderhalf. Het derde lid is een zogenaamde vangnet-bepaling voor gevallen dat een verblijfsgebied zodanig in verblijfsruimten is ingedeeld, dat de werkelijke loopafstand toch nog onaanvaardbaar groot zou zijn. De toegelaten loopafstanden zijn gelijk aan de basisgrenswaarden voor verblijfsgebieden, maar de in een verblijfsruimte gemeten loopafstand hoeft niet met anderhalf te worden vermenigvuldigd. Het vierde, zesde en zevende lid bevatten een regeling voor het maximale hoogteverschil tussen vloeren in een rookcompartiment. Het vierde lid stelt het maximale hoogteverschil tussen een vloer van een verblijfsgebied en de toegang van het betrokken rookcompartiment op 4 m. Dit betekent praktisch gezien, dat een rookcompartiment niet meer dan twee verdiepingen kan omvatten. Het impliceert ook dat men bij het vluchten binnen een rookcompartiment in de regel van niet meer dan één trap gebruik hoeft te maken. Het zesde lid maakt het mogelijk dat in een rookcompartiment van een penitentiaire inrichting een vide mag worden gerealiseerd met een maximaal hoogteverschil tussen vloeren daarin van 12 m. Hiermee wordt voorkomen dat teveel gebruikers van het gebouw gelijktijdig aan rook, afkomstig van eenzelfde brandhaard, worden blootgesteld. Op grond van het zevende lid geldt voor een industriefunctie de eis van maximaal 4 m hoogteverschil niet in het geval de bouwlagen met elkaar in verbinding staan door middel van een vide van voldoende omvang. De in dit artikel gestelde maximum afstanden en hoogteverschillen zijn zodanig, dat ervan mag worden uitgegaan dat vluchtende personen in de regel in staat zullen zijn met ingehouden adem een uitgang van een rookcompartiment te bereiken.

Artikel 2.137

Het indelen van een gebouw in rookcompartimenten met het oog op het beperken van de verspreiding van rook heeft alleen zin wanneer de scheidingsconstructies van die rookcompartimenten met andere besloten ruimten een deugdelijke weerstand tegen rookdoorgang hebben. In dit artikel wordt een tijdsduur van ten minste 30 minuten gesteld, gedurende welke de rook niet in naburige besloten ruimten mag doordringen, bepaald volgens NEN 6075. Door de tekstuele aanpassing van artikel 2.137 (Stb. 2005, 1) is dit voorschrift niet meer onbedoeld strenger dan de eisen die in het kader van brandcompartimentering (afdeling 2.13) gelden. Een rookcompartiment ligt altijd binnen de begrenzing van een brandcompartiment. Onbedoeld waren eisen gesteld aan ruimten die buiten het brandcompartiment kunnen liggen.

Artikel 2.138

Openingen in de omhulling van een rookcompartiment zouden de met de eisen van het voorgaande artikel bereikte weerstand tegen branduitbreiding tenietdoen. Daarom bepaalt het eerste lid voor woningen dat er in die begrenzing slechts deuren, ramen, luiken e.d. mogen voorkomen, indien deze zelfsluitend zijn, wat neerkomt op het voorzien zijn van een dranger. Het gaat hier om de scheidingsconstructies tussen een brandcompartiment en besloten ruimten daarbuiten, en niet om scheidingsconstructies binnen een brandcompartiment. Omdat het derde lid van artikel 2.138 inhoudelijk gelijk was aan het eerste lid is het derde lid geschrapt (Stb. 2005, 1) . Het tweede lid is vervallen (Stb. 2005, 1) omdat het voorschrift betrekking had op een situatie die geen regeling behoeft. Een woning in een woongebouw moet een zelfstandig subbrandcompartiment zijn, doch behoeft geen afzonderlijk rookcompartiment te zijn. Een uitzondering op het eerste lid is daarom niet nodig.

§ 2.16.2 Bestaande bouw

Artikel 2.140

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.16.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt op te merken dat de minimale tijdsduur dat de begrenzing van een rookcompartiment weerstand moet bieden tegen rookdoorgang korter is dan die voor nieuwbouw. Deze eisen geven een ondergrens aan die voor de veiligheid van dat bestaande bouwwerk of onderdeel daarvan minimaal noodzakelijk is. In tabel 2.140 voor de bestaande bouw is de logiesfunctie (7) omwille van de consistentie afgestemd op tabel 2.134 voor nieuwbouw en om die reden nader opgesplitst (Stb. 2002, 203). In tabel 2.140 zijn bij artikel 2.144 twee artikelleden vervallen (Stb. 2005, 1).

Artikel 2.141

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.16.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt op te merken dat de minimale tijdsduur dat de begrenzing van een rookcompartiment weerstand moet bieden tegen rookdoorgang korter is dan die voor nieuwbouw. Deze eisen geven een ondergrens aan die voor de veiligheid van dat bestaande bouwwerk of onderdeel daarvan minimaal noodzakelijk is. In tabel 2.140 voor de bestaande bouw is de logiesfunctie (7) omwille van de consistentie afgestemd op tabel 2.134 voor nieuwbouw en om die reden nader opgesplitst (Stb. 2002, 203). In tabel 2.140 zijn bij artikel 2.144 twee artikelleden vervallen (Stb. 2005, 1).

Artikel 2.142

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.16.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt op te merken dat de minimale tijdsduur dat de begrenzing van een rookcompartiment weerstand moet bieden tegen rookdoorgang korter is dan die voor nieuwbouw. Deze eisen geven een ondergrens aan die voor de veiligheid van dat bestaande bouwwerk of onderdeel daarvan minimaal noodzakelijk is. In tabel 2.140 voor de bestaande bouw is de logiesfunctie (7) omwille van de consistentie afgestemd op tabel 2.134 voor nieuwbouw en om die reden nader opgesplitst (Stb. 2002, 203). In tabel 2.140 zijn bij artikel 2.144 twee artikelleden vervallen (Stb. 2005, 1).

Artikel 2.143

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.16.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt op te merken dat de minimale tijdsduur dat de begrenzing van een rookcompartiment weerstand moet bieden tegen rookdoorgang korter is dan die voor nieuwbouw. Deze eisen geven een ondergrens aan die voor de veiligheid van dat bestaande bouwwerk of onderdeel daarvan minimaal noodzakelijk is. In tabel 2.140 voor de bestaande bouw is de logiesfunctie (7) omwille van de consistentie afgestemd op tabel 2.134 voor nieuwbouw en om die reden nader opgesplitst (Stb. 2002, 203). In tabel 2.140 zijn bij artikel 2.144 twee artikelleden vervallen (Stb. 2005, 1).

Artikel 2.144

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.16.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt op te merken dat de minimale tijdsduur dat de begrenzing van een rookcompartiment weerstand moet bieden tegen rookdoorgang korter is dan die voor nieuwbouw. Deze eisen geven een ondergrens aan die voor de veiligheid van dat bestaande bouwwerk of onderdeel daarvan minimaal noodzakelijk is. In tabel 2.140 voor de bestaande bouw is de logiesfunctie (7) omwille van de consistentie afgestemd op tabel 2.134 voor nieuwbouw en om die reden nader opgesplitst (Stb. 2002, 203). In tabel 2.140 zijn bij artikel 2.144 twee artikelleden vervallen (Stb. 2005, 1).