Home › Nota van toelichting op Bouwbesluit 2003 › Artikelsgewijze toelichting › Hoofdstuk 2 Voorschriften uit het oogpunt van veiligheid › Afdeling 2.12 Beperking van ontwikkeling van brand
Het eerste lid geeft de functionele eis voor de beperking van ontwikkeling van brand.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Wijst de tabel voor een gebruiksfunctie geen prestatie-eis aan, dan geldt daarvoor de functionele eis. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:
| 1. | artikel 2.92 bepaalt dat de zijden van een constructie-onderdeel die niet grenzen aan de buitenlucht een bijdrage tot brandvoortplanting moeten hebben die voldoet aan een aangegeven klasse (binnenoppervlak); |
| 2. | artikel 2.93 bepaalt dat de zijden van een constructie-onderdeel die grenzen aan de buitenlucht een bijdrage tot brandvoortplanting moeten hebben die voldoet aan een aangegeven klasse (buitenoppervlak); |
| 3. | artikel 2.94 bepaalt dat de bovenzijde van een vloer, hellingbaan of trap een bijdrage tot brandvoortplanting moet hebben die voldoet aan een aangegeven klasse (beloopbaar vlak); |
| 4. | artikel 2.95 bepaalt dat de voorgaande voorschriften niet van toepassing zijn op een fractie van de oppervlakte van de betrokken constructie-onderdelen (vrijgesteld); |
| 5. | artikel 2.96 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en |
| 6. | artikel 2.97 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw). |
In tabel 2.91 is bij de grenswaarden van artikel 2.94 een onderscheid aangebracht tussen de brand- en rookvrije vluchtroute en de rookvrije vluchtroute. Met deze extra kolom is het mogelijk voor woningen een afwijkende klasse aan te geven (Stb 2002, 203). Deze ingreep is nodig geworden als gevolg van de aanpassing van artikel 2.156 (Stb 2002, 203). In tabel 2.91 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1).
Dit artikel heeft als doel te voorkomen dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het binnenoppervlak van constructie-onderdelen van een bouwwerk. Hierdoor zou voor gebruikers van dat bouwwerk onvoldoende tijd kunnen overblijven om het bouwwerk veilig te verlaten. Het voorschrift houdt in dat de bijdrage tot brandvoortplanting van een constructie-onderdeel moet voldoen aan een klasse die is aangegeven in de tabel. Bij het aanwijzen van de betrokken klassen is een onderscheid gemaakt naar gelang de zijden van een constructie-onderdeel grenzen aan een ruimte waardoor al dan niet een brand- en rookvrije vluchtroute of een rookvrije vluchtroute loopt. De bijdrage tot brandvoortplanting van een constructie-onderdeel moet worden bepaald volgens de NEN 6065. In deze norm is bepaald dat om de bedoelde bijdrage te kunnen vaststellen het samenstel van bouwmaterialen dat over een diepte van 0,15 m (artikel 185: 0,165 m) in een constructie-onderdeel is toegepast, aan een beproeving moet zijn onderworpen. De eis voor zijden van constructie-onderdelen die grenzen aan een rookvrije vluchtroute van een woonfunctie en van een logiesfunctie verschilt afhankelijk van de gebruiksoppervlakte. Dit verschil hangt samen met de wijze van brandcompartimentering zoals geregeld in paragraaf 2.13.1. Een woonfunctie of een logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 vormt een brandcompartiment met meer dan een subbrandcompartiment. Het vluchten uit een subbrandcompartiment naar de uitgang van het brandcompartiment gebeurt langs rookvrije vluchtroutes, die aan specifieke eisen moeten voldoen.
Voor het eerste lid van dit artikel geldt hetzelfde als hierboven is gesteld met betrekking tot artikel 2.92. Hier gaat het echter om de zijde van constructie-onderdelen die grenst aan de buitenlucht. Er wordt van uitgegaan dat deuren, ramen, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructie-onderdelen, zoals een ventilatierooster, niet kunnen voldoen aan klasse 2 van brandvoortplanting, daarom geldt daarvoor steeds klasse 4. Een brand die zich over de buitengevel uitbreidt, kan slechts tot een hoogte van 13 meter met gangbaar brandweermateriaal worden bestreden. Daarom bepaalt het tweede lid dat de gevel vanaf die hoogte zodanig moet zijn samengesteld, dat een brand zich niet gemakkelijk daarlangs kan voortplanten. De mogelijkheid bestaat dat een bouwwerk in brand raakt als gevolg van brandstichting in de nabijheid ervan. Om te bewerkstelligen dat een buitenoppervlak, zoals een gevel of een buitenzijde van een tribune, in zo'n situatie bestand is tegen vlam vatten, bevatten het derde en vierde lid een speciale eis aan dit buitenoppervlak tot een hoogte van 2,5 m. Het tweede tot en met het vierde lid betreffen bijzondere situaties, waarvoor hogere eisen worden gesteld dan voor de algemene situatie waarop het eerste lid betrekking heeft. Uit wat bij het eerste lid is opgemerkt, blijkt al dat van deuren, ramen, kozijnen en dergelijke niet kan worden verlangd dat deze voldoen aan een zwaardere klasse van brandvoortplanting dan klasse 4. Daarom is in het vijfde lid ook bepaald dat het tweede tot en met het vierde lid niet van toepassing zijn op laatstgenoemde constructie-onderdelen. Ook het zesde lid betreft een bijzondere situatie. Met het oog op de veiligheid van weggebruikers is hier een speciale eis gesteld aan de naar een weg toegekeerde zijde van een tunnel.
De brandvoortplanting van de bovenzijde van horizontale, met inbegrip van flauw hellende, vlakken wijkt sterk af van die van niet-horizontale vlakken. Daarom bepaalt het eerste lid dat de voorschriften 2.92 en 2.93 daarvoor niet gelden en bevat het tweede lid een speciale eis in de plaats daarvan. Met het oog op het afwijkend brandgedrag van deze constructie-onderdelen moet hun bijdrage tot de brandvoortplanting, zo blijkt uit het tweede lid en uit NEN 6082, zijn bepaald volgens NEN 1775. Volgens deze norm moet het samenstel van bouwmaterialen dat is toegepast over een dikte van 0,03 m, zoals gemeten vanaf het oppervlak van de vloer, het tredevlak of de hellingbaan, aan de beproeving zijn onderworpen. Het eerste lid wijst behalve de genoemde horizontale vlakken de bovenzijde van een dak aan als een constructie-onderdeel waarop de artikelen 2.92 en 2.93 niet van toepassing zijn. Dit heeft als reden, dat een dak al volgens artikel 2.85 niet brandgevaarlijk mag zijn.
Voor het kunnen toepassen van plinten, stopcontacten en andere kleine constructie- onderdelen, zoals lichtarmaturen, brand- en rookmelders, bevat dit artikel een uitzondering op de voorgaande eisen inzake brandvoortplanting. Deze houdt in, dat die eisen niet van toepassing zijn op een percentage van de oppervlakte van de toe te passen constructie-onderdelen. Concentratie van de bedoelde vrijgestelde oppervlakte op één plaats is uiteraard niet de bedoeling.
Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.12.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt het volgende op te merken: Voor een 'overige gebruiksfunctie' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het is evenmin noodzakelijk dat de functionele eis van het eerste lid voor deze gebruiksfunctie geldt. Daarom verklaart het derde lid dat de functionele eis er niet op van toepassing is.
Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.12.1 Nieuwbouw.
Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.12.1 Nieuwbouw.
Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.12.1 Nieuwbouw.
In de opsomming in het eerste lid van artikel 2.101 ontbrak het dak. Dit had tot gevolg dat de voorschriften voor de bestaande bouw strenger waren dan voor nieuwbouw (Stb 2002, 203).
Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.12.1 Nieuwbouw.