Contact Help
Afdeling 2.1 Algemene sterkte van de bouwconst ...
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken
0 topics gevondenNieuw topic starten


Afdeling 2.1 Algemene sterkte van de bouwconstructie

§ 2.1.1 Nieuwbouw

Artikel 2.1

Het eerste lid geeft de functionele eis voor sterkte van de bouwconstructie van nieuwbouw.  

Om tegemoet te komen aan wensen uit de bouwpraktijk is in de functionele eis van artikel 2.1, eerste lid, het begrip 'duurzaam' vervangen door 'gedurende de in NEN 6700 bedoelde referentieperiode voldoende' (Stb. 2005, 1). Daarmee is het begrip 'duurzaam' met betrekking tot constructieve veiligheid concreet gemaakt, want gedurende de in de norm genoemde periode moet de constructie voor wat betreft sterkte en stabiliteit bestand zijn tegen de daarop werkende krachten. Het maakt concreet dat voor elke bouwconstructie, ongeacht het materiaal waaruit deze is samengesteld, een bepaalde referentieperiode geldt. De verwijzing naar de in NEN 6700 bedoelde referentieperiode is vooral van belang bij een beroep op gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 1.5, bijvoorbeeld bij innovatieve bouwconstructies uit materialen als kunststof of glas, waarin de door het Bouwbesluit 2003 aangestuurde materiaalgebonden constructienormen (TGB's) niet voorzien. Een constructie is volgens NEN 6700 voldoende betrouwbaar indien wordt aangetoond dat deze gedurende de referentieperiode voldoende weerstand kan bieden aan alle belastingen die redelijkerwijs kunnen optreden, zonder dat de bruikbaarheid van die constructie wordt aangetast (de uiterste grenstoestand mag niet worden overschreden). Aan de hand van de in NEN 6700 opgenomen betrouwbaarheidsindex kan de kans worden bepaald dat een uiterste grenstoestand binnen de referentieperiode wordt overschreden.  

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie een voorschrift aan dat van toepassing is op die gebruiksfunctie. Door aan dat voorschrift te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.2 bepaalt welke combinaties van belastingen een bouwconstructie moet kunnen weerstaan zonder te bezwijken (belastingscombinaties bouwconstructie);  
2.artikel 2.3 regelt welke belastingscombinaties een hoofddraagconstructie bovendien moet kunnen weerstaan zonder te bezwijken (belastingscombinaties hoofddraagconstructie), en  
3.artikel 2.4 geeft aan welke normen moeten worden toegepast bij de toetsing of een bouwconstructie voldoet aan de eisen van het eerste en tweede artikel (uiterste grenstoestand).
 

 De tabel is aangepast aan de wijzigingen in de artikelen 2.2 en 2.4 (Stb. 2002, 203).  

De tabel is aangepast omdat artikel 2.4a is toegevoegd (Stb. 2009, 393).

Artikel 2.2

Het doel van dit artikel is te waarborgen dat een bouwconstructie duurzaam bestand is tegen de krachten die daarop werken. Hierbij wordt voor gebouwen in het algemeen uitgegaan van een levensduur van 50 jaar. Het eerste lid stelt voorschriften om te voorkomen dat een bouwwerk bezwijkt als gevolg van een combinatie van bepaalde gelijktijdig optredende permanente en veranderlijke belastingen. Permanente belastingen zijn bijvoorbeeld het eigen gewicht van de constructie. Veranderlijke belastingen zijn bijvoorbeeld belastingen door meubilair, machines en personen. Bij het berekenen van deze op de bouwconstructie werkzame krachten moet worden uitgegaan van NEN 6702. Niet alle belastingsgevallen van NEN 6702 kunnen op basis van dit normblad objectief worden vastgesteld. Voor deze overige gevallen moet NEN 6700 worden toegepast. De voorschriften van laatstgenoemde norm berusten op de waarschijnlijkheidsleer en hebben betrekking op alle bouwconstructies, ongeacht het materiaal waarvan zij zijn gemaakt. Het tweede lid regelt dat, in aanvulling op het eerste lid, bij daken en vloerafscheidingen ook rekening moet worden gehouden met stootbelastingen. Bij de bepaling of een constructie hieraan voldoet wordt doorgaans gebruikgemaakt van de zogenoemde zandzakslingerproef. Het derde lid stelt dat voor de constructie van enkele ruimten en opstelplaatsen de fundamentele belastingscombinaties mogen worden bepaald volgens NEN 3859. Dit betekent dat met lagere grenswaarden kan worden volstaan dan die uit het eerste lid voortvloeien. Het vierde lid heeft betrekking op woonwagens. De toetsing of er wat betreft de fundering wordt voldaan aan de eis van het eerste lid vindt plaats onafhankelijk van de later te plaatsen woonwagen. Daarom bevat dit lid nominale rekenwaarden die in rekening moeten worden gebracht om de sterkte van de fundering te bepalen. Hiervoor moet worden uitgegaan van op woonwagens aangrijpende krachten en van gegevens omtrent de permanente belasting van thans gangbare woonwagens. Het vijfde lid stelt dat voor enkele gebruiksfuncties de fundamentele belastingscombinaties mogen worden bepaald volgens NEN 3859. Dit betekent dat met lagere grenswaarden kan worden volstaan dan die uit het eerste lid voortvloeien. Het betreft hier lichte industriefuncties zoals kassen en veestallen, en overige gebruiksfuncties, zoals telefooncellen. Met de conversie zijn op basis van fase 2 de voorschriften voor alle overige gebruiksfuncties gelijkgetrokken. Dit zou, in geval van de constructieve veiligheid, tot ongewenste en zeer onveilige situaties kunnen leiden, want de aangewezen NEN-norm is slechts geschikt voor lichte constructies en niet voor grote parkeergarages of stationsgebouwen e.d. Om deze ongewenste consequentie te voorkomen is, zoals ook bij de brandveiligheidsvoorschriften, in het nieuwe zesde lid van artikel 2.2 (Stb. 2002, 203) een grens getrokken bij een gebruiksoppervlakte van 50 m2.

Artikel 2.3

Het eerste lid van dit artikel regelt dat hoofddraagconstructies bij bepaalde calamiteiten hun dragende functie moeten kunnen behouden. Een van de bijzondere belastingscombinaties waarom het hier gaat is een gasontploffing. Hierbij is ervan uitgegaan, dat in een gebouw waarin een opeenhoping van gas kan ontstaan, zoals bijvoorbeeld een garage of een woning met een gasaansluiting, een voldoende ventilatievoorziening aanwezig is. In het tweede lid is een voorschrift gegeven voor de zogenaamde standzekerheid van een bouwwerk. Hier is geregeld dat een gebouw zelfstandig moet kunnen blijven staan als de belending instort. Slechts een zogenaamde rijtjeswoning behoeft niet aan dit voorschrift te voldoen. Deze mag de standzekerheid aan de aangrenzende woning(en) ontlenen.

Artikel 2.4

Dit artikel bevat bepalingsmethoden waarmee kan worden nagegaan of een bouwwerk voldoet aan de eisen van het eerste of tweede artikel van deze paragraaf. Het eerste lid verwijst naar normen waarin eigenschappen van bekende materialen zijn vastgelegd. In die normen is beschreven hoe de op een bouwconstructie aangrijpende krachten daarin doorwerken wat betreft momenten, normaal- en dwarskrachten en spanningen. Deze doorwerking, die mede afhankelijk is van de stijfheid van de bouwconstructie, wordt respons genoemd. Voorts bevatten deze normen rekenregels waarmee kan worden bepaald welke maximale momenten, normaal- of dwarskrachten of combinaties daarvan in de bouwconstructie kunnen worden opgenomen. Met deze rekenregels wordt de zogenoemde capaciteit van een bouwconstructie bepaald. Wanneer de aldus bepaalde respons groter is dan de capaciteit, is er sprake van het overschrijden van een uiterste grenstoestand. In het tweede lid is geregeld dat, indien volgens het derde en vijfde lid van artikel 2.2 toepassing wordt gegeven aan NEN 3859 van de eveneens in deze NEN aangegeven bepalingsmethoden gebruik moet worden gemaakt. Omdat de geconverteerde tekst het algemene uitgangspunt dat bouwwerken voor hun stabiliteit niet afhankelijk mogen zijn van bouwconstructies op belendende percelen niet duidelijk genoeg weergaf, is artikel 2.4 gewijzigd (Stb. 2002, 203). Als uitzondering op de algemene regel mochten tot op heden rijtjeswoningen en een rijtje vakantiewoningen, conform de traditionele bouwmethode, wel een bijdrage leveren aan elkaars stabiliteit. In het geconverteerde Bouwbesluit was deze in fase 1 geaccepteerde uitzondering op het algemene uitgangspunt onbedoeld uitgesloten. Om dit weer ongedaan te maken zijn aan artikel 2.4 een nieuw derde en vierde lid toegevoegd. Het toevoegen van het vijfde lid aan artikel 2.4 en het derde lid aan artikel 2.7 (Stb. 2005, 1) biedt meer duidelijkheid voor de praktijk bij de toepassing van materialen en innovatieve oplossingen waarin de door het Bouwbesluit 2003 aangestuurde TGB's niet voorzien. Hiermee is de situatie weer zoals deze gold tijdens het "oude" Bouwbesluit.

§ 2.1.2 Bestaande bouw

Artikel 2.5

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.1.1 Nieuwbouw.  

In lijn met het nieuwbouwvoorschrift is in artikel 2.5, eerste lid, de functionele eis voor constructieve veiligheid bij de bestaande bouw eveneens concreet gemaakt (Stb. 2005, 1). Omdat de in NEN 6700 opgenomen termijnen voor bestaande bouw niet passend zijn, is in de Regeling Bouwbesluit 2003 NEN 6700 voor bestaande bouw aangepast, waarmee voor een bestaand bouwwerk in principe een referentieperiode van 1 jaar geldt.

Artikel 2.6

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.1.1 Nieuwbouw.  

In lijn met het nieuwbouwvoorschrift is in artikel 2.5, eerste lid, de functionele eis voor constructieve veiligheid bij de bestaande bouw eveneens concreet gemaakt (Stb. 2005, 1). Omdat de in NEN 6700 opgenomen termijnen voor bestaande bouw niet passend zijn, is in de Regeling Bouwbesluit 2003 NEN 6700 voor bestaande bouw aangepast, waarmee voor een bestaand bouwwerk in principe een referentieperiode van 1 jaar geldt.

Artikel 2.7

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.1.1 Nieuwbouw.  

In lijn met het nieuwbouwvoorschrift is in artikel 2.5, eerste lid, de functionele eis voor constructieve veiligheid bij de bestaande bouw eveneens concreet gemaakt (Stb. 2005, 1). Omdat de in NEN 6700 opgenomen termijnen voor bestaande bouw niet passend zijn, is in de Regeling Bouwbesluit 2003 NEN 6700 voor bestaande bouw aangepast, waarmee voor een bestaand bouwwerk in principe een referentieperiode van 1 jaar geldt.