Contact Help
Hoofdstuk 2 Voorschriften uit het oogpunt van ...
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken
0 topics gevondenNieuw topic starten


Hoofdstuk 2 Voorschriften uit het oogpunt van veiligheid

Afdeling 2.1 Algemene sterkte van de bouwconstructie

§ 2.1.1 Nieuwbouw

Artikel 2.1

Het eerste lid geeft de functionele eis voor sterkte van de bouwconstructie van nieuwbouw.  

Om tegemoet te komen aan wensen uit de bouwpraktijk is in de functionele eis van artikel 2.1, eerste lid, het begrip 'duurzaam' vervangen door 'gedurende de in NEN 6700 bedoelde referentieperiode voldoende' (Stb. 2005, 1). Daarmee is het begrip 'duurzaam' met betrekking tot constructieve veiligheid concreet gemaakt, want gedurende de in de norm genoemde periode moet de constructie voor wat betreft sterkte en stabiliteit bestand zijn tegen de daarop werkende krachten. Het maakt concreet dat voor elke bouwconstructie, ongeacht het materiaal waaruit deze is samengesteld, een bepaalde referentieperiode geldt. De verwijzing naar de in NEN 6700 bedoelde referentieperiode is vooral van belang bij een beroep op gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 1.5, bijvoorbeeld bij innovatieve bouwconstructies uit materialen als kunststof of glas, waarin de door het Bouwbesluit 2003 aangestuurde materiaalgebonden constructienormen (TGB's) niet voorzien. Een constructie is volgens NEN 6700 voldoende betrouwbaar indien wordt aangetoond dat deze gedurende de referentieperiode voldoende weerstand kan bieden aan alle belastingen die redelijkerwijs kunnen optreden, zonder dat de bruikbaarheid van die constructie wordt aangetast (de uiterste grenstoestand mag niet worden overschreden). Aan de hand van de in NEN 6700 opgenomen betrouwbaarheidsindex kan de kans worden bepaald dat een uiterste grenstoestand binnen de referentieperiode wordt overschreden.  

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie een voorschrift aan dat van toepassing is op die gebruiksfunctie. Door aan dat voorschrift te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.2 bepaalt welke combinaties van belastingen een bouwconstructie moet kunnen weerstaan zonder te bezwijken (belastingscombinaties bouwconstructie);  
2.artikel 2.3 regelt welke belastingscombinaties een hoofddraagconstructie bovendien moet kunnen weerstaan zonder te bezwijken (belastingscombinaties hoofddraagconstructie), en  
3.artikel 2.4 geeft aan welke normen moeten worden toegepast bij de toetsing of een bouwconstructie voldoet aan de eisen van het eerste en tweede artikel (uiterste grenstoestand).
 

 De tabel is aangepast aan de wijzigingen in de artikelen 2.2 en 2.4 (Stb. 2002, 203).  

De tabel is aangepast omdat artikel 2.4a is toegevoegd (Stb. 2009, 393).

Artikel 2.2

Het doel van dit artikel is te waarborgen dat een bouwconstructie duurzaam bestand is tegen de krachten die daarop werken. Hierbij wordt voor gebouwen in het algemeen uitgegaan van een levensduur van 50 jaar. Het eerste lid stelt voorschriften om te voorkomen dat een bouwwerk bezwijkt als gevolg van een combinatie van bepaalde gelijktijdig optredende permanente en veranderlijke belastingen. Permanente belastingen zijn bijvoorbeeld het eigen gewicht van de constructie. Veranderlijke belastingen zijn bijvoorbeeld belastingen door meubilair, machines en personen. Bij het berekenen van deze op de bouwconstructie werkzame krachten moet worden uitgegaan van NEN 6702. Niet alle belastingsgevallen van NEN 6702 kunnen op basis van dit normblad objectief worden vastgesteld. Voor deze overige gevallen moet NEN 6700 worden toegepast. De voorschriften van laatstgenoemde norm berusten op de waarschijnlijkheidsleer en hebben betrekking op alle bouwconstructies, ongeacht het materiaal waarvan zij zijn gemaakt. Het tweede lid regelt dat, in aanvulling op het eerste lid, bij daken en vloerafscheidingen ook rekening moet worden gehouden met stootbelastingen. Bij de bepaling of een constructie hieraan voldoet wordt doorgaans gebruikgemaakt van de zogenoemde zandzakslingerproef. Het derde lid stelt dat voor de constructie van enkele ruimten en opstelplaatsen de fundamentele belastingscombinaties mogen worden bepaald volgens NEN 3859. Dit betekent dat met lagere grenswaarden kan worden volstaan dan die uit het eerste lid voortvloeien. Het vierde lid heeft betrekking op woonwagens. De toetsing of er wat betreft de fundering wordt voldaan aan de eis van het eerste lid vindt plaats onafhankelijk van de later te plaatsen woonwagen. Daarom bevat dit lid nominale rekenwaarden die in rekening moeten worden gebracht om de sterkte van de fundering te bepalen. Hiervoor moet worden uitgegaan van op woonwagens aangrijpende krachten en van gegevens omtrent de permanente belasting van thans gangbare woonwagens. Het vijfde lid stelt dat voor enkele gebruiksfuncties de fundamentele belastingscombinaties mogen worden bepaald volgens NEN 3859. Dit betekent dat met lagere grenswaarden kan worden volstaan dan die uit het eerste lid voortvloeien. Het betreft hier lichte industriefuncties zoals kassen en veestallen, en overige gebruiksfuncties, zoals telefooncellen. Met de conversie zijn op basis van fase 2 de voorschriften voor alle overige gebruiksfuncties gelijkgetrokken. Dit zou, in geval van de constructieve veiligheid, tot ongewenste en zeer onveilige situaties kunnen leiden, want de aangewezen NEN-norm is slechts geschikt voor lichte constructies en niet voor grote parkeergarages of stationsgebouwen e.d. Om deze ongewenste consequentie te voorkomen is, zoals ook bij de brandveiligheidsvoorschriften, in het nieuwe zesde lid van artikel 2.2 (Stb. 2002, 203) een grens getrokken bij een gebruiksoppervlakte van 50 m2.

Artikel 2.3

Het eerste lid van dit artikel regelt dat hoofddraagconstructies bij bepaalde calamiteiten hun dragende functie moeten kunnen behouden. Een van de bijzondere belastingscombinaties waarom het hier gaat is een gasontploffing. Hierbij is ervan uitgegaan, dat in een gebouw waarin een opeenhoping van gas kan ontstaan, zoals bijvoorbeeld een garage of een woning met een gasaansluiting, een voldoende ventilatievoorziening aanwezig is. In het tweede lid is een voorschrift gegeven voor de zogenaamde standzekerheid van een bouwwerk. Hier is geregeld dat een gebouw zelfstandig moet kunnen blijven staan als de belending instort. Slechts een zogenaamde rijtjeswoning behoeft niet aan dit voorschrift te voldoen. Deze mag de standzekerheid aan de aangrenzende woning(en) ontlenen.

Artikel 2.4

Dit artikel bevat bepalingsmethoden waarmee kan worden nagegaan of een bouwwerk voldoet aan de eisen van het eerste of tweede artikel van deze paragraaf. Het eerste lid verwijst naar normen waarin eigenschappen van bekende materialen zijn vastgelegd. In die normen is beschreven hoe de op een bouwconstructie aangrijpende krachten daarin doorwerken wat betreft momenten, normaal- en dwarskrachten en spanningen. Deze doorwerking, die mede afhankelijk is van de stijfheid van de bouwconstructie, wordt respons genoemd. Voorts bevatten deze normen rekenregels waarmee kan worden bepaald welke maximale momenten, normaal- of dwarskrachten of combinaties daarvan in de bouwconstructie kunnen worden opgenomen. Met deze rekenregels wordt de zogenoemde capaciteit van een bouwconstructie bepaald. Wanneer de aldus bepaalde respons groter is dan de capaciteit, is er sprake van het overschrijden van een uiterste grenstoestand. In het tweede lid is geregeld dat, indien volgens het derde en vijfde lid van artikel 2.2 toepassing wordt gegeven aan NEN 3859 van de eveneens in deze NEN aangegeven bepalingsmethoden gebruik moet worden gemaakt. Omdat de geconverteerde tekst het algemene uitgangspunt dat bouwwerken voor hun stabiliteit niet afhankelijk mogen zijn van bouwconstructies op belendende percelen niet duidelijk genoeg weergaf, is artikel 2.4 gewijzigd (Stb. 2002, 203). Als uitzondering op de algemene regel mochten tot op heden rijtjeswoningen en een rijtje vakantiewoningen, conform de traditionele bouwmethode, wel een bijdrage leveren aan elkaars stabiliteit. In het geconverteerde Bouwbesluit was deze in fase 1 geaccepteerde uitzondering op het algemene uitgangspunt onbedoeld uitgesloten. Om dit weer ongedaan te maken zijn aan artikel 2.4 een nieuw derde en vierde lid toegevoegd. Het toevoegen van het vijfde lid aan artikel 2.4 en het derde lid aan artikel 2.7 (Stb. 2005, 1) biedt meer duidelijkheid voor de praktijk bij de toepassing van materialen en innovatieve oplossingen waarin de door het Bouwbesluit 2003 aangestuurde TGB's niet voorzien. Hiermee is de situatie weer zoals deze gold tijdens het "oude" Bouwbesluit.

§ 2.1.2 Bestaande bouw

Artikel 2.5

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.1.1 Nieuwbouw.  

In lijn met het nieuwbouwvoorschrift is in artikel 2.5, eerste lid, de functionele eis voor constructieve veiligheid bij de bestaande bouw eveneens concreet gemaakt (Stb. 2005, 1). Omdat de in NEN 6700 opgenomen termijnen voor bestaande bouw niet passend zijn, is in de Regeling Bouwbesluit 2003 NEN 6700 voor bestaande bouw aangepast, waarmee voor een bestaand bouwwerk in principe een referentieperiode van 1 jaar geldt.

Artikel 2.6

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.1.1 Nieuwbouw.  

In lijn met het nieuwbouwvoorschrift is in artikel 2.5, eerste lid, de functionele eis voor constructieve veiligheid bij de bestaande bouw eveneens concreet gemaakt (Stb. 2005, 1). Omdat de in NEN 6700 opgenomen termijnen voor bestaande bouw niet passend zijn, is in de Regeling Bouwbesluit 2003 NEN 6700 voor bestaande bouw aangepast, waarmee voor een bestaand bouwwerk in principe een referentieperiode van 1 jaar geldt.

Artikel 2.7

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.1.1 Nieuwbouw.  

In lijn met het nieuwbouwvoorschrift is in artikel 2.5, eerste lid, de functionele eis voor constructieve veiligheid bij de bestaande bouw eveneens concreet gemaakt (Stb. 2005, 1). Omdat de in NEN 6700 opgenomen termijnen voor bestaande bouw niet passend zijn, is in de Regeling Bouwbesluit 2003 NEN 6700 voor bestaande bouw aangepast, waarmee voor een bestaand bouwwerk in principe een referentieperiode van 1 jaar geldt.

Afdeling 2.2 Sterkte bij brand

§ 2.2.1 Nieuwbouw

Artikel 2.8

Het eerste lid geeft de functionele eis voor brandwerendheid met betrekking tot bezwijken van nieuwbouw.  

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie een voorschrift aan dat van toepassing is op die gebruiksfunctie. Door aan dat voorschrift te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.9 bevat eisen inzake de tijdsduur van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken van constructie-onderdelen (tijdsduur bezwijken);  
2.artikel 2.10 geeft aan welke normen moeten worden toegepast bij de bepaling van de in het eerste lid genoemde tijdsduur (bepalingsmethode).

Voor enkele onderdelen van gebruiksfuncties wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis van het eerste lid is voldaan. Situaties waar sprake is van een zeer lage permanente vuurbelasting leiden rekenkundig gezien tot een brand die niet langer dan 30 minuten duurt. Om deze reden is in tabel 2.8 het derde lid van artikel 2.9 ook aangestuurd voor de woonfunctie gelegen in een woongebouw (Stb. 2002, 203). De aanpassing in tabel 2.8 (Stb. 2005, 1) betreft een tekstuele wijziging in de benaming van de subgebruiksfuncties 4a en 4b. Hiermee is in afdeling 2.2, sterkte bij brand, de tabeltekst voor de gezondheidszorgfunctie voor nieuwbouw in overeenstemming gebracht met die voor bestaande bouw (zie toelichting op tabel 2.11). Voorts is de tabel zodanig aangepast dat voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar en 24-uurs opvang dezelfde eisen voor sterkte bij brand gelden als voor andere gebouwen waarin wordt geslapen.

Artikel 2.9

Vloeren en trappen waarover een rookvrije vluchtroute voert moeten bij brand gedurende langere tijd begaanbaar blijven. Hiermee wordt gewaarborgd dat de gebruikers van het bouwwerk voldoende gelegenheid hebben zich na het uitbreken van brand tijdig naar buiten te begeven. Ook krijgt hierdoor de brandweer tijd om het bouwwerk te doorzoeken op eventueel daarin achtergebleven personen. Het eerste lid bevat de basiseis voor gebouwen in het algemeen. Deze basiseis geldt voor gebouwen van beperkte hoogte. In de praktijk heeft deze eis betrekking op de doorsnee eengezinswoning met slechts drie bouwlagen en een utiliteitsgebouw met slechts twee bouwlagen. In het tweede lid zijn bijzondere eisen gesteld aan de hoofddraagconstructie van een woonfunctie (ook in woongebouwen). Deze eisen zijn hoger dan de eis van het eerste lid, welke in beginsel ook voor hoofddraagconstructies geldt. De zwaarte van deze eisen is gekoppeld aan de hoogte van vloeren van de woonfunctie. De eis die krachtens het tweede lid zou gelden, wordt op grond van het derde lid met 30 minuten verminderd, indien de woonfunctie of het woongebouw waarin die woonfunctie ligt is vervaardigd van materialen die niet of nauwelijks kunnen branden, zoals bijvoorbeeld baksteen. De grenswaarde van 500 MJ/m2 is ontleend aan het rapport van TNO Bouw 'Bouwbesluit; permanente vuurbelasting', nr 94-BKR-R1448. Voor een definitie van het begrip hoofddraagconstructie wordt verwezen naar NEN 6702. Voor de bij de genoemde grenswaarde behorende hoogte van zeven meter bij woonfuncties is gekozen om minder veilige situaties voor de brandweer te voorkomen. Het vierde lid bevat een bijzondere eis voor de hoofddraagconstructie van utiliteitsgebouwen waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 meter boven het meetniveau. Ook het vijfde lid geeft speciale eisen, maar dan voor gezondheidszorgfuncties, celfuncties bestemd voor dag- en nachtverblijf en voor logiesverblijven met een gebruiksoppervlakte van meer dan 100 m2, die niet liggen in een logiesgebouw. Dit oppervlaktecriterium betekent, dat gangbare recreatiewoningen, trekkershutten, volkstuinhuisjes en daarmee vergelijkbare bouwwerken met een logiesfunctie niet onder dit vijfde lid vallen. Net als in het tweede lid is de zwaarte van de onderhavige eisen gekoppeld aan de hoogte van het gebouw. Wat betreft gebouwen waarin de vloeren van verblijfsgebieden hoger liggen dan 5 m, geldt dezelfde eis als die het vierde lid aan andere utiliteitsgebouwen stelt. Voor gebouwen die mede zijn bestemd voor overnachting gelden echter nog aan andere hoogteniveaus gekoppelde eisen. Het criterium van 'bestemd voor overnachting' betekent dat deze eisen geen betrekking hebben op bijvoorbeeld gebouwen met een gezondheidszorgfunctie zoals wijkgezondheidscentra en huisartsenpraktijkruimten. Het zesde lid bevat voor utiliteitsfuncties een soortgelijke beperking van de eisen als in het derde lid voor woonfuncties is geregeld. Het gaat hier om gebouwen waarvan de permanente vuurbelasting van alle constructie-onderdelen tezamen niet of nauwelijks een bijdrage levert aan brand. Praktisch betekent dit dat de verminderde eis geldt voor gebouwen van steenachtig materiaal. Omdat de verwijzing in artikel 2.9, zesde lid naar het vierde lid zinloos was (in het vierde lid wordt niet naar de tabel verwezen), is deze louter tekstuele aanpassing gedaan (Stb. 2005, 1). Het zevende lid heeft betrekking op bouwwerken die geen gebouwen zijn. De aard hiervan loopt sterk uiteen, van bruggen tot tribunes en van zendmasten tot verdeelkasten voor de kabeltelevisie. De met het oog op het doel van de bepaling passende tijdsduur van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken zal dan ook sterk verschillen. Om die reden is hier volstaan met een functionele eis, die burgemeester en wethouders voor het individuele geval moeten kwantificeren. Het is duidelijk dat in dit kader de bouwwerken die zijn bestemd voor het publiek, zoals bijvoorbeeld tribunes, de meeste aandacht behoeven.

Artikel 2.10

Van de normen die dit artikel noemt, houdt NEN 6069 de algemene beproevingsmethode in voor de bepaling van de tijdsduur van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken, waarin een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie niet is overschreden. De overige genoemde normen bevatten berekeningsmethoden voor materialen waarvan de brandeigenschappen bekend zijn. De term hoofddraagconstructie in artikel 2.10 is vervangen door bouwconstructie (Stb. 2002, 203). Dit artikel is namelijk ook van toepassing op artikel 2.9, eerste lid, dat geen betrekking heeft op de hoofddraagconstructie maar op de bouwconstructie van een rookvrije vluchtroute.  

§ 2.2.2 Bestaande bouw

Artikel 2.11

In tabel 2.11 is een onjuiste aansturing van artikel 2.12, derde en vierde lid, gecorrigeerd (Stb. 2005, 1). Met deze correctie gelden de zwaardere voorschriften uit dit vierde lid alleen nog maar voor de gebruiksfuncties waarin wordt geslapen. Het niveau van voorschriften voor bestaande bouw is hiermee weer onder het niveau voor nieuwbouw gebracht. In de tabel is in subgebruiksfunctie 4a een tekstuele wijziging doorgevoerd. De in onderdeel I genoemde afstemming in de bij de gezondheidszorgfunctie nieuwbouw gebruikte onderverdeling maakt deze wijziging nodig.  

Het Bouwbesluit 2003 kent voor de bestaande bouw geen verblijfsgebieden, maar alleen verblijfsruimten. Om deze reden is in artikel 2.12, derde lid, en de tabellen 2.12.1 en 2.12.2 de onjuiste term verblijfsgebied vervangen door verblijfsruimte (Stb. 2005, 1).  

In artikel 2.11 wordt gesproken van 'enige tijd', dit is een kortere periode dan de 'redelijke tijd' van artikel 2.8. Zie verder de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.2.1 Nieuwbouw. De voor de bestaande bouw geldende eis van artikel 2.12, vijfde lid, bleek onvoldoende afgestemd met een aantal andere voorschriften voor de bestaande bouw. Om verwarring te voorkomen is aansluiting gezocht bij de formulering van artikel 2.11, eerste lid (Stb. 2002, 203). De in Staatsblad 2001, 410 genoemde normbladen NEN 6071, NEN 6072 en NEN 6073 zijn niet geschikt voor het beoordelen van het overschrijden van de uiterste grenstoestand bij een bestaand bouwwerk en zijn om deze reden geschrapt (Stb. 2002, 203). Het voorschrift is hiermee inhoudelijk weer gelijk aan het voorschrift van het Bouwbesluit uit 1991.

Artikel 2.12

In tabel 2.11 is een onjuiste aansturing van artikel 2.12, derde en vierde lid, gecorrigeerd (Stb. 2005, 1). Met deze correctie gelden de zwaardere voorschriften uit dit vierde lid alleen nog maar voor de gebruiksfuncties waarin wordt geslapen. Het niveau van voorschriften voor bestaande bouw is hiermee weer onder het niveau voor nieuwbouw gebracht. In de tabel is in subgebruiksfunctie 4a een tekstuele wijziging doorgevoerd. De in onderdeel I genoemde afstemming in de bij de gezondheidszorgfunctie nieuwbouw gebruikte onderverdeling maakt deze wijziging nodig.  

Het Bouwbesluit 2003 kent voor de bestaande bouw geen verblijfsgebieden, maar alleen verblijfsruimten. Om deze reden is in artikel 2.12, derde lid, en de tabellen 2.12.1 en 2.12.2 de onjuiste term verblijfsgebied vervangen door verblijfsruimte (Stb. 2005, 1).  

In artikel 2.11 wordt gesproken van 'enige tijd', dit is een kortere periode dan de 'redelijke tijd' van artikel 2.8. Zie verder de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.2.1 Nieuwbouw. De voor de bestaande bouw geldende eis van artikel 2.12, vijfde lid, bleek onvoldoende afgestemd met een aantal andere voorschriften voor de bestaande bouw. Om verwarring te voorkomen is aansluiting gezocht bij de formulering van artikel 2.11, eerste lid (Stb. 2002, 203). De in Staatsblad 2001, 410 genoemde normbladen NEN 6071, NEN 6072 en NEN 6073 zijn niet geschikt voor het beoordelen van het overschrijden van de uiterste grenstoestand bij een bestaand bouwwerk en zijn om deze reden geschrapt (Stb. 2002, 203). Het voorschrift is hiermee inhoudelijk weer gelijk aan het voorschrift van het Bouwbesluit uit 1991.

Artikel 2.13

In tabel 2.11 is een onjuiste aansturing van artikel 2.12, derde en vierde lid, gecorrigeerd (Stb. 2005, 1). Met deze correctie gelden de zwaardere voorschriften uit dit vierde lid alleen nog maar voor de gebruiksfuncties waarin wordt geslapen. Het niveau van voorschriften voor bestaande bouw is hiermee weer onder het niveau voor nieuwbouw gebracht. In de tabel is in subgebruiksfunctie 4a een tekstuele wijziging doorgevoerd. De in onderdeel I genoemde afstemming in de bij de gezondheidszorgfunctie nieuwbouw gebruikte onderverdeling maakt deze wijziging nodig.  

Het Bouwbesluit 2003 kent voor de bestaande bouw geen verblijfsgebieden, maar alleen verblijfsruimten. Om deze reden is in artikel 2.12, derde lid, en de tabellen 2.12.1 en 2.12.2 de onjuiste term verblijfsgebied vervangen door verblijfsruimte (Stb. 2005, 1).  

In artikel 2.11 wordt gesproken van 'enige tijd', dit is een kortere periode dan de 'redelijke tijd' van artikel 2.8. Zie verder de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.2.1 Nieuwbouw. De voor de bestaande bouw geldende eis van artikel 2.12, vijfde lid, bleek onvoldoende afgestemd met een aantal andere voorschriften voor de bestaande bouw. Om verwarring te voorkomen is aansluiting gezocht bij de formulering van artikel 2.11, eerste lid (Stb. 2002, 203). De in Staatsblad 2001, 410 genoemde normbladen NEN 6071, NEN 6072 en NEN 6073 zijn niet geschikt voor het beoordelen van het overschrijden van de uiterste grenstoestand bij een bestaand bouwwerk en zijn om deze reden geschrapt (Stb. 2002, 203). Het voorschrift is hiermee inhoudelijk weer gelijk aan het voorschrift van het Bouwbesluit uit 1991.

Afdeling 2.3 Vloerafscheiding

§ 2.3.1 Nieuwbouw

Artikel 2.14

Het eerste lid geeft de functionele eis voor vloerafscheidingen voor nieuwbouw.  

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie een voorschrift aan dat van toepassing is op die gebruiksfunctie. Door aan dat voorschrift te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:  

1.artikel 2.15 regelt in welke situaties een vloer moet zijn voorzien van een afscheiding aan de rand en in welke niet (aanwezigheid);  
2.artikel 2.16 bepaalt wat voor hoogte een vloerafscheiding minimaal moet hebben (hoogte);  
3.artikel 2.17 bevat eisen betreffende de maximale grootte van openingen in en bij een vloerafscheiding (openingen), en  artikel 2.18 verbiedt het voorkomen van opstapmogelijkheden in een bepaalde hoogtezone van een vloerafscheiding (opstapmogelijkheden). 

Voor de sub-gebruiksfunctie 'woonfunctie gelegen in een woonwagen' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfunctie van toepassing is.  

In tabel 2.14 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar (functie 2a) en de opvang van oudere kinderen (functie 2b). Voor de eerste groep zijn de eisen voor overklauterbaarheid en de breedte van de openingen in een vloerafscheiding aan de rand van een vloer in overeenstemming gebracht met die voor de woonfunctie. Voor de opvang van kinderen van basisschoolleeftijd (buitenschoolse opvang) is het veiligheidsniveau gelijkgesteld aan dat van de onderwijsfunctie. In de tabel is voorts de aansturing van het nieuwe vijfde lid van artikel 2.16 opgenomen.  

Artikel 2.15

Het doel van dit artikel is te voorkomen dat mensen van de rand van een vloer kunnen vallen. Als de valhoogte minder is dan 1 m, wordt het risico beperkt geacht. In artikel 2.15, eerste lid, is 'afscheiding' vervangen door 'niet beweegbare afscheiding' (Stb. 2005, 1), omdat in de praktijk bleek dat het begrip afscheiding zonder de toevoeging 'niet beweegbare' soms aanleiding gaf tot onjuiste interpretaties. Er is nu duidelijk voorgeschreven dat in een vloerafscheiding tot de voorgeschreven hoogte geen beweegbare delen mogen zitten. Dat betekent dat een deur of laag raam in de gevelopening alleen is toegelaten als voor die deur of dat raam een niet beweegbaar hekwerk van de voorgeschreven hoogte is aangebracht (bijvoorbeeld bij een Frans balkon). Constructies waarbij bijvoorbeeld het raam met behulp van speciaal gereedschap in zijn geheel uit de sponningen kan worden gelicht, ten behoeve van verhuizing, kunnen als 'niet beweegbaar' worden aangemerkt en nog gewoon worden toegepast.  

Onder vloeren worden ook vloeren verstaan van bijvoorbeeld balkons, bordessen, galerijen en dakterrassen. De voorgeschreven vloerafscheiding kan een hekwerk zijn, maar even goed denkbaar zijn vormen als een plantenbak of muurtje langs een trapgat of een doorlopende gevel langs een dakterras. Het tweede en het derde lid wijzen een aantal situaties aan waarin een vloerafscheiding niet is vereist.  

Artikel 2.16

De algemene eis voor de minimale hoogte van een vereiste vloerafscheiding bedraagt krachtens het eerste lid 1 m. Voor cellen en voor hoogteverschillen van meer dan 13 m geldt volgens het tweede lid een zwaardere eis van minimaal 1,2 m. Het derde lid bevat in afwijking van de voorgaande leden een lagere minimumeis voor afscheidingen (borstweringen) ter plaatse van een raam. De reden hiervan is dat een raam zelf al een zekere bescherming biedt tegen vallen. Verder zal de bovenzijde van een dergelijke borstwering veelal zijn uitgevoerd als vensterbank die ook een belemmering vormt tegen het naar buiten kunnen vallen. Het raam mag kunnen worden geopend. [Artikel 2.16, derde lid, is zo aangepast (Stb. 2005, 1) dat voortaan alleen bij een niet beweegbaar (niet te openen) raam zonder meer met een borstwering van 0,85 m kan worden volstaan. Deze wijziging houdt rekening met het veiligheidsprincipe uit de model-bouwverordening van voor 1992 en doet recht aan de noodzaak de veiligheid bij te openen ramen ook voor de steeds hoger wordende gebouwen te waarborgen.  

Het vierde lid, dat bijvoorbeeld geldt voor vloerafscheidingen van theaters en sporthallen, is redactioneel aangepast (Stb. 2005, 1) om een betere afstemming met de andere artikelleden te waarborgen. Op grond van het vierde lid mag nog steeds met een hoogte van 70 cm worden volstaan, indien de hoogte en de breedte van de afscheiding samen ten minste 110 cm zijn. Dit betekent dat de afscheiding in dit geval een breedte van 40 cm moet hebben. De minimale som van 110 cm voor breedte en hoogte geeft voldoende waarborg dat iemand die tegen de afscheiding valt niet daaroverheen slaat. Dit biedt de mogelijkheid bij bijvoorbeeld theaters en sporthallen voldoende uitzicht te behouden. Bij deze gebruiksfuncties is een zo weinig mogelijk belemmerd uitzicht voor toeschouwers van groot belang. Zowel het vierde als het nieuwe vijfde lid (Stb. 2005, 1) gaan uit van het principe dat de veiligheid wordt gewaarborgd door een combinatie van hoogte van de borstwering en breedte van de bovenregel (horizontaal vlak) respectievelijk vensterbank. [Het nieuwe vijfde lid heeft betrekking op de vloerafscheiding voor een te openen raam en gaat uit van een minimum hoogte van 0,85 m. Volgens zowel het vierde als het vijfde lid moet de som van de hoogte en de breedte van het horizontale vlak op die hoogte ten minste 1,1 m zijn. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij een borstweringhoogte van 0,85 m over de volle breedte van een te openen raam, een vensterbank of bovenregel met een breedte van ten minste 0,25 m aanwezig moet zijn. Is een dergelijke voorziening niet aangebracht of smaller dan 0,25 m dan zal de borstwering, afhankelijk van de wel aanwezige breedte, hoger moeten zijn.

Artikel 2.17

Een vloerafscheiding mag volgens het eerste lid zijwaarts op enige afstand van de rand van de vloer zijn geplaatst. De opening tussen de rand van de vloer en de afscheiding is aan voorschriften gebonden om het risico dat mensen door zo'n opening vallen of erin bekneld raken te voorkomen. Het tweede tot en met het vierde lid hebben betrekking op openingen in de afscheiding zelf. Voor een woonfunctie, een gedeelte van een utiliteitsgebouw en een bouwwerk geen gebouw zijnde, dat is bestemd voor bezoekers, geldt een eis voor de zone van de afscheiding tussen 20 en 70 cm hoogte boven de vloer. Een opening in die zone mag volgens het tweede en het vierde lid niet breder zijn dan 10 cm, dan wel, wat betreft een bouwwerk geen gebouw zijnde, 50 cm. Het derde lid bevat de eis dat een vereiste vloerafscheiding geen openingen heeft met een breedte van meer dan 50 cm. Dit is ten opzichte van de eisen van het tweede en het vierde lid een aanvulling voor de zones van de afscheiding boven de 70 cm. Voor utiliteitsgebouwen die niet zijn bestemd voor bezoekers, is dit de enige eis inzake openingen in de afscheiding. Praktisch gezien komt de breedte-eis erop neer, dat een bol met een doorsnede van meer dan 10 cm respectievelijk 50 cm niet door een eventuele opening in het hekwerk mag kunnen.

Artikel 2.18

Het doel van dit voorschrift is zoveel mogelijk te voorkomen dat kleine kinderen makkelijk over een voorgeschreven vloerafscheiding kunnen klimmen.

§ 2.3.2 Bestaande bouw

Artikel 2.19

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.3.1 Nieuwbouw.

In tabel 2.19 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar (gebruiksfunctie 2a) ingevoegd (Stb. 2005, 1). De eisen aan overklauterbaarheid en de breedte van de openingen in een vloerafscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Artikel 2.22, tweede lid, is voor de kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar aangestuurd. In de tabeltekst is, in plaats van een vaste waarde, een verwijzing naar de grenswaarde in tabel 2.19 opgenomen. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

Artikel 2.20

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.3.1 Nieuwbouw.

In tabel 2.19 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar (gebruiksfunctie 2a) ingevoegd (Stb. 2005, 1). De eisen aan overklauterbaarheid en de breedte van de openingen in een vloerafscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Artikel 2.22, tweede lid, is voor de kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar aangestuurd. In de tabeltekst is, in plaats van een vaste waarde, een verwijzing naar de grenswaarde in tabel 2.19 opgenomen. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

Artikel 2.21

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.3.1 Nieuwbouw.

In tabel 2.19 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar (gebruiksfunctie 2a) ingevoegd (Stb. 2005, 1). De eisen aan overklauterbaarheid en de breedte van de openingen in een vloerafscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Artikel 2.22, tweede lid, is voor de kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar aangestuurd. In de tabeltekst is, in plaats van een vaste waarde, een verwijzing naar de grenswaarde in tabel 2.19 opgenomen. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

Artikel 2.22

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.3.1 Nieuwbouw.

In tabel 2.19 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar (gebruiksfunctie 2a) ingevoegd (Stb. 2005, 1). De eisen aan overklauterbaarheid en de breedte van de openingen in een vloerafscheiding zijn, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw gelijkgesteld aan die voor nieuwbouw. Artikel 2.22, tweede lid, is voor de kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar aangestuurd. In de tabeltekst is, in plaats van een vaste waarde, een verwijzing naar de grenswaarde in tabel 2.19 opgenomen. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

Afdeling 2.4 Overbrugging van hoogteverschillen

§ 2.4.1 Nieuwbouw

Artikel 2.23

Het eerste lid geeft de functionele eis voor overbrugging van hoogteverschillen voor nieuwbouw.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie een voorschrift aan dat van toepassing is op die gebruiksfunctie. Door aan dat voorschrift te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de overbrugging van hoogteverschillen is volstaan met een eis inzake de aanwezigheid van een voorziening om het hoogteverschil te overwinnen.

Voor een lichte industriefunctie gelden op dit onderdeel geen voorschriften. In het derde lid is bepaald dat de functionele eis van het eerste lid evenmin voor deze gebruiksfunctie geldt.

Artikel 2.24

Het doel van dit artikel is tegen te gaan dat gebruikers van een bouwwerk letsel oplopen doordat zij zich stoten of vallen als gevolg van verschillen in hoogte tussen vloeren of tussen een vloer en het aansluitende terrein. Met betrekking tot gebouwen zijn in het eerste lid de ruimten aangegeven, voor de vloeren waarvan de eis van overbrugging bij een hoogteverschil van meer dan 0,21 m geldt. Voor vloeren van de daar niet genoemde ruimten in een gebouw, zoals bijvoorbeeld een bergruimte, geldt deze eis niet. Dit betekent dat er naar ruimten zoals een zolder of vliering in het algemeen geen trap behoeft te worden gemaakt. Als in dergelijke gevallen toch een trap wordt gemaakt hoeft deze niet te voldoen aan de voorschriften voor trappen van dit besluit. De tekstuele aanpassingen van de artikelen 2.24, eerste lid, en artikel 2.26, eerste lid (Stb. 2005, 1), benadrukken dat de voorschriften voor het overbruggen van hoogteverschillen bedoeld zijn voor ruimten die een primaire functie hebben (verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte en een route naar een dergelijke ruimte). Buiten de reikwijdte van dit voorschrift vallen derhalve verkeersruimten die uitsluitend bestemd zijn voor het bereiken van een ruimte zonder primaire functie. Een voorbeeld daarvan is een trap met de daarop aansluitende overloop naar een bergzolder. In het tweede lid is voor de vloeren van bouwwerken die geen gebouw zijn de werkingssfeer van de overbruggingseis beperkt tot vloeren die voor bezoekers toegankelijk zijn. Voorbeelden hiervan zijn vloeren van tribunes en van uitzichttorens voor brand en wild.

§ 2.4.2 Bestaande bouw

Artikel 2.25

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.4.1 Nieuwbouw.

Artikel 2.26

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.4.1 Nieuwbouw.

Afdeling 2.5 Trap

§ 2.5.1 Nieuwbouw

Artikel 2.27

Het eerste lid geeft de functionele eis voor trappen voor nieuwbouw.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.28 bevat eisen aan de afmetingen van trappen en de vrije hoogte erboven (afmetingen trap);  
2.artikel 2.29 bevat eisen aan de afmetingen van trapbordessen, die al of niet onderdeel zijn van een overloop of gang (trapbordes);  
3.artikel 2.30 bevat eisen aan de afmetingen van afscheidingen van trappen, met inbegrip van de openingen daarin (afscheiding);  artikel 2.31 bevat eisen betreffende de aanwezigheid en de hoogte van leuningen (leuning), en  
4.artikel 2.32 regelt wanneer een trap in een besloten ruimte moet liggen (regenwerendheid).

In tabel 2.27 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Deze eisen zijn voor wat betreft de trapafscheiding afgestemd op de eisen voor de onderwijsfunctie. Ook is in de tabel de aansturing van het nieuwe artikel 2.28, elfde lid, voor een noodtrap opgenomen. Voor onderdelen van gebruiksfuncties wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze onderdelen van toepassing is.

Artikel 2.28

Verschillen in hoogte van meer dan 21 cm tussen vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein moeten volgens afdeling 2.4 zijn overbrugd door een trap of hellingbaan. Aan trappen naar en tussen andere ruimten zijn geen eisen gesteld. Het doel van dit artikel is te verzekeren dat de afmetingen van een voorgeschreven trap en zijn onderdelen zodanig zijn, dat gebruikers daarvan op veilige wijze gebruik kunnen maken. Voor de woonfunctie gelden in beginsel op grond van het eerste lid de lichtere eisen van kolom A van tabel 2.28a. Trappen waarvan aannemelijk is dat meer personen gelijktijdig en in twee richtingen ervan gebruik zullen maken, moeten echter op grond van het tweede en derde lid voldoen aan de zwaardere eisen van kolom B van tabel 2.28a. In het tweede lid gaat het om trappen die toegang geven tot een woongebouw of tot een zeer grote woonfunctie in of buiten een woongebouw, bijvoorbeeld een groot appartement of een gezinsvervangende woning. Op grond van het derde lid vallen bovendien onder de waarden van kolom B van tabel 2.28a trappen van woongebouwen die aan bepaalde criteria voldoen. Deze criteria hebben betrekking op de bestemming van de trap - het ontsluiten van een verblijfsgebied - en een minimale vloeroppervlakte die op de trap is aangewezen. Dit betekent dat in de praktijk trappen waarvan door veel personen tegelijk gebruik moet kunnen worden gemaakt, in ieder geval moeten voldoen aan kolom B van tabel 2.28a. In de klimlijn is een correctie (Stb. 2002, 516) van 1 cm ten opzichte van het geconverteerde Bouwbesluit (Stb. 2001, 410) aangebracht.

Voor de utiliteitsbouw gelden in beginsel op grond van het vijfde lid de lichtere eisen van kolom A van tabel 2.28b. Voor trappen waar meer personen gelijktijdig en in twee richtingen gebruik van zullen maken, gelden volgens het zesde lid de zwaardere eisen van kolom B van tabel 2.28b. De aanvrager van een bouwvergunning kan op grond van de in tabel 2.27 gegeven grenswaarden voor de utiliteitsbouw bepalen of hij aan de eisen van het zesde lid moet voldoen. De grenswaarden betreffen de bezettingsgraadklasse in relatie tot de op de trap aangewezen vloeroppervlakte van de verblijfsgebieden. In tabel 2.28b is de minimum vrije hoogte boven de trap gesteld (Stb. 2005, 1) op 2,3 m en daarmee gelijk aan de in artikel 4.12, eerste lid, opgenomen plafondhoogte voor een verkeersroute in een utiliteitsgebouw (zoals gewijzigd in tabel 4.10).

'Aantrede' is de horizontale afstand tussen de voorkanten van twee opeenvolgende treden. 'Optrede' is het hoogteverschil tussen twee opeenvolgende treden en 'tredevlak' is het horizontale bovenvlak van een trede. Met het oog op het groeiend aantal ouderen dat ook langer thuis zal wonen en om voortijdige aanpassing van de gebruiksfunctie te voorkomen, zijn de aantrede en optrede van trappen in woningen aangescherpt. Hiermee wordt een betere beloopbaarheid van deze trappen verkregen. De breedte van een trap wordt gemeten tussen de trapafscheidingen. Voor woongebouwen is deze minimum breedte, gelijk aan die van de vrije doorgang van een verkeersroute in een woongebouw in artikel 4.12, lid 2, aangescherpt van 1,1 m tot 1,2 m; dit eveneens met het oog op het groeiend aantal ouderen. Een aan de trap grenzende wand wordt aangemerkt als trapafscheiding. Waar een trapafscheiding ontbreekt, wat toegelaten is voor de onderste meter van de trap, geldt de buitenzijde van de trapboom als begrenzing. Bij het bepalen van de breedte moeten de leuningen buiten beschouwing worden gelaten. Met de eis aangaande de vrije hoogte boven de trap wordt gewaarborgd dat er voldoende vrije loopruimte boven de trap aanwezig is. Gelijk aan de hoogte van deuren (artikel 4.11) is, in verband met de toenemende gemiddelde lengte van de bevolking, de vrije hoogte boven trappen van woonfuncties aangescherpt van 2,1 naar 2,3 m. De vrije hoogte is vooral van belang bij het afdalen van de trap. Daarentegen heeft men bij het bestijgen van een trap de neiging om iets voorovergebogen te lopen. Voor de ruimere trappen die vallen onder kolom B van de tabellen 2.28a en 2.28b geldt dat de minimum breedte van hun tredevlakken op zijn minst 17 cm moet zijn. Dit betekent dat zo'n trap praktisch gesproken niet als wenteltrap kan worden uitgevoerd wegens de grote diameter van de spil die daarvoor nodig zou zijn. Met het invoegen van de eisen voor een noodtrap in artikel 2.28, elfde lid (Stb. 2005, 1), is tegemoet gekomen aan de wens van het bouwbedrijfsleven voor een duidelijker onderscheid tussen de eisen voor een gewone trap, en de (lichtere) eisen voor een noodtrap. Tabel 2.28b is nu ook van toepassing op een noodtrap van een woonfunctie, zodat een noodtrap van een woongebouw geen zogenoemde 'luie trap' meer behoeft te zijn. Met het invoegen van de eis voor een noodtrap is in het derde en zesde lid de (bij Stb. 2002, 203 ingevoegde) zinsnede 'voor het bereiken van een verblijfsgebied' overbodig geworden en aldus geschrapt (Stb. 2005, 1). Daarnaast wordt nu in het zesde lid verwezen naar het vijfde lid, waarmee een eerdere onjuiste verwijzing naar het eerste lid ongedaan is gemaakt. Hiermee wordt voorkomen dat brandtrappen aan te zware eisen moeten voldoen. Brandtrappen zijn namelijk niet zozeer bedoeld voor het bereiken maar voor het kunnen ontvluchten van een verblijfsgebied. Het vierde, zevende en tiende lid betreffen trapvormige constructies waarmee binnen een verblijfsgebied hoogteverschillen worden overbrugd voor het bereiken van lager of hoger gelegen vloeren of zitplaatsen. Voorbeelden hiervan zijn constructies als zitkuilen, tussenvloeren, tribunes in sportzalen en tribunes in de open lucht. De voorschriften betreffende trappen zijn daarop niet van toepassing. Niettemin dienen deze constructies vanuit een oogpunt van gebruiksveiligheid aan enige eisen te voldoen.

Artikel 2.29

Een bordes aan de bovenzijde van een voorgeschreven trap is nodig, opdat gebruikers veilig kunnen overgaan van diagonale naar horizontale voortbeweging en zonodig even kunnen rusten. Zo'n bordes kan deel uitmaken van de trap, bijvoorbeeld als het een tussenbordes is, maar ook van de gang of overloop waarop de trap aansluit. De in dit artikel vereiste minimum breedte van het bordes is afgestemd op de minimum breedte van de daarop aansluitende trap volgens de tabellen 2.28a en 2.28b. De term 'vrije vloeroppervlakte' geeft aan dat er direct bovenaan de trap geen constructie- onderdeel, zoals bijvoorbeeld een deur, mag zijn geplaatst. Het is wel toegestaan dat de deur van een ruimte die uitkomt op het bordes, zoals bijvoorbeeld een overloop, draait over de vrije vloeroppervlakte (de wijzigingen in Stb. 2002, 203 en Stb. 2002, 516 zijn alleen procedureel). De minimum voorgeschreven vrije hoogte boven een trapbordes is nu (Stb. 2005, 1) voor utiliteitsgebouwen in overeenstemming gebracht met die voor de woonfunctie. Tevens is in de voorschriften van de artikelen 2.29 en 2.35 'vrije vloeroppervlakte' vervangen door de vloeroppervlakte met een vrije hoogte van ten minste 2.3 m respectievelijk 1,9 m. De definitie van vrije vloeroppervlakte koppelde namelijk een voorgeschreven hoogte aan een bepaalde oppervlakte. Het beoogde verschil in niveau van eisen tussen nieuwbouw en bestaande bouw is hiermee tot uitdrukking gebracht.

Artikel 2.30

De zijkanten van een voorgeschreven trap dienen evenzeer als de randen van een vloer te zijn voorzien van een afscheiding. Dit geldt op grond van het eerste lid zowel voor woningbouw als voor utiliteitsbouw. Het zou te ver voeren zo'n afscheiding te verlangen voor een lage trap van bijvoorbeeld vier treden. Daarom is de grens gelegd bij een hoogteverschil van ten minste 1 meter. Bij trappen die hoger zijn en dus moeten zijn voorzien van een afscheiding, geldt die eis niet voor de onderste meter van de trap. Verder mag de afscheiding zijn geplaatst op maximaal 5 cm van de rand van een tredevlak. Dit is om te voorkomen dat men door de opening naar beneden valt of erin bekneld raakt. Om te voorkomen dat iemand door een geopende vloerafscheiding aan de zijkant van een trap kan vallen, schrijft artikel 2.30, eerste lid, voor (Stb. 2005, 1), dat die vloerafscheiding niet beweegbaar mag zijn. In het tweede, derde en vijfde lid worden met het zelfde doel eisen aan de breedte van openingen in afscheidingen gesteld. Trappen van woningen en trappen van utiliteitsgebouwen die toegang geven tot verblijfsruimten die mede zijn bestemd voor bezoekers, mogen in de afscheidingen geen openingen hebben die breder zijn dan 10 cm. Praktisch gezien komt deze eis erop neer, dat een bol met een doorsnede van meer dan 10 cm niet door een eventuele opening in de afscheiding mag kunnen. Voor trappen in utiliteitsgebouwen die niet mede zijn bestemd voor bezoekers geldt dat de afscheidingen openingen mogen hebben tot 50 cm breedte. Het doel van het vierde en zesde lid is te voorkomen dat kleine kinderen over een trapafscheiding kunnen klimmen.

Artikel 2.31

Dit artikel schrijft voor dat een trap waarlangs een afscheiding aanwezig moet zijn, tevens moet zijn voorzien van een leuning. Bij trappen met een geringe helling bestaat hieraan weinig behoefte. De kans dat men van zo'n trap valt is gering, daarom zijn zulke trappen uitgezonderd.

Artikel 2.32

Met dit artikel wordt beoogd te voorkomen dat een woning of woongebouw uitsluitend bereikbaar is via een buitentrap. De reden hiervan is dat deze bij slechte weersomstandigheden al snel slecht begaanbaar en daardoor onveilig is. De eis geldt niet voor trappen die niet hoger zijn dan 1,5 m. Een voorgeschreven trap die hoger is dan 1,5 m dient in zijn geheel in een besloten ruimte te liggen, dus ook de onderste 1,5 m. Met de aanpassing van artikel 2.32 (Stb 2002, 203) komt tot uiting dat het in dit artikel niet alleen gaat om het hoogteverschil met het aangrenzende terrein, maar ook om de hoogteverschillen tussen de bordessen.

§ 2.5.2

Artikel 2.33

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.5.1 Nieuwbouw.

In tabel 2.33 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor de veiligheid van de kinderen jonger dan 4 jaar is de breedte van de openingen langs een trap, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw gelijk gesteld aan die voor nieuwbouw. Ook is in artikel 2.36, tweede lid, in plaats van een vaste waarde een verwijzing naar de grenswaarde in tabel 2.33 opgenomen. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

Artikel 2.34

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.5.1 Nieuwbouw.

In tabel 2.33 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor de veiligheid van de kinderen jonger dan 4 jaar is de breedte van de openingen langs een trap, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw gelijk gesteld aan die voor nieuwbouw. Ook is in artikel 2.36, tweede lid, in plaats van een vaste waarde een verwijzing naar de grenswaarde in tabel 2.33 opgenomen. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

Artikel 2.35

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.5.1 Nieuwbouw.

In tabel 2.33 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor de veiligheid van de kinderen jonger dan 4 jaar is de breedte van de openingen langs een trap, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw gelijk gesteld aan die voor nieuwbouw. Ook is in artikel 2.36, tweede lid, in plaats van een vaste waarde een verwijzing naar de grenswaarde in tabel 2.33 opgenomen. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

Artikel 2.36

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.5.1 Nieuwbouw.

In tabel 2.33 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor de veiligheid van de kinderen jonger dan 4 jaar is de breedte van de openingen langs een trap, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw gelijk gesteld aan die voor nieuwbouw. Ook is in artikel 2.36, tweede lid, in plaats van een vaste waarde een verwijzing naar de grenswaarde in tabel 2.33 opgenomen. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

Artikel 2.37

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.5.1 Nieuwbouw.

In tabel 2.33 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor de veiligheid van de kinderen jonger dan 4 jaar is de breedte van de openingen langs een trap, op verzoek van de branche, voor de bestaande bouw gelijk gesteld aan die voor nieuwbouw. Ook is in artikel 2.36, tweede lid, in plaats van een vaste waarde een verwijzing naar de grenswaarde in tabel 2.33 opgenomen. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

Afdeling 2.6 Hellingbaan

§2.6.1  Nieuwbouw

Artikel 2.38

Het eerste lid geeft de functionele eis voor hellingbanen voor nieuwbouw.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.39 bevat eisen aan de afmetingen en de hellinggraad van hellingbanen (afmetingen hellingbaan);  
2.artikel 2.40 bevat eisen aan de afmetingen van hellingbaanbordessen, die al of niet onderdeel zijn van een overloop of gang (hellingbaan-bordes), en  
3.artikel 2.41 bevat eisen aan de afmetingen van afscheidingen van hellingbanen, met inbegrip van de openingen daarin (afscheiding).

Voor de onderdelen van enkele gebruiksfuncties wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het is evenmin noodzakelijk dat de functionele eis van het eerste lid voor deze gebruiksfuncties geldt. Daarom verklaart het derde lid dat de functionele eis er niet op van toepassing is.

In tabel 2.38 is de aansturing van de eisen aan hellingbanen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor de veiligheid van de kinderen jonger dan 4 jaar zijn de eisen met betrekking tot de overklauterbaarheid van de vloerafscheiding en de breedte van de openingen daarin van belang. Het niveau van eisen komt nu overeen met dat voor de woonfunctie. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

Artikel 2.39

Verschillen in hoogte van meer dan 21 cm tussen vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein moeten volgens paragraaf 2.4.1 zijn overbrugd door een trap of hellingbaan. Voor hellingbanen naar en tussen andere ruimten gelden geen eisen. Het doel van dit artikel is te verzekeren dat de afmetingen van een vereiste hellingbaan zodanig zijn, dat gebruikers daarvan op veilige wijze gebruik kunnen maken. De voorgeschreven minimum breedte van 1,1 m waarborgt dat er ook bij plaatsing van twee leuningen voldoende ruimte is voor het voortbewegen van een rolstoel. De maximum hoogte die door middel van een hellingbaan mag worden overbrugd is 1 m. Voor grotere hoogteverschillen moet men dus meer dan één hellingbaan aanleggen, dan wel een trap of een lift. Tussen twee op elkaar aansluitende hellingbanen moet op grond van het volgende artikel een bordes aanwezig zijn van voldoende grootte. Ten slotte bevat dit artikel nog eisen betreffende de steilte van een hellingbaan. Met het oog op de door de rolstoelgebruiker te leveren inspanning moet de helling flauwer zijn naarmate het hoogteverschil groter is. Zo dient bij een hoogteverschil van 1 m de helling 1:20 te zijn, wat een lengte van de hellingbaan betekent van 20 m.

Artikel 2.40

Een bordes aan de bovenzijde van een hellingbaan is nodig opdat de rolstoelgebruiker desgewenst even kan rusten en zonodig kan draaien in de gewenste richting. Hiervoor is een grotere oppervlakte nodig dan voor een trapbordes. De minimum voorgeschreven vrije hoogte boven een hellingbaanbordes is nu voor utiliteitsgebouwen in overeenstemming gebracht (Stb. 2005, 1) met die voor de woonfunctie. Tevens is in de voorschriften van de artikelen 2.40 en 2.44 'vrije vloeroppervlakte' vervangen door de vloeroppervlakte met een vrije hoogte van ten minste 2.3 m respectievelijk 1,9 m. De definitie van vrije vloeroppervlakte koppelde namelijk een voorgeschreven hoogte aan een bepaalde oppervlakte. Het beoogde verschil in niveau van eisen tussen nieuwbouw en bestaande bouw is hiermee tot uitdrukking gebracht.

Artikel 2.41

Het met een rolstoel van de rand van een hellingbaan storten kan ook op een lagere hoogte ernstig letsel teweegbrengen. Daarom is in het eerste lid voor beide zijkanten een afscheiding voorgeschreven die zich uitstrekt over het gehele beloop van de hellingbaan. Het komt ook voor, dat een zijkant van een hellingbaan op een grotere hoogte ligt dan 1 m, bijvoorbeeld wanneer deze een opvolgend onderdeel vormt in een reeks van hellingbanen die naar een grotere hoogte dan 1 m leiden. Voorzover deze zijkant ligt op een hoogte van meer dan 1 m boven een aan de neerwaartse voortzetting van de aan die zijkant grenzende vloer of het daaraan aansluitende terrein, geldt voor de hoogte van de afscheiding langs (dat deel van) die zijkant een minimum hoogte-eis van 85 cm. Om te voorkomen dat iemand door een geopende vloerafscheiding aan de zijkant van een hellingbaan kan vallen, schrijft artikel 2.41, eerste lid, voor (Stb. 2005, 1), dat die vloerafscheiding niet beweegbaar mag zijn. De eisen aangaande openingen bij en in de afscheidingen van een hellingbaan die het tweede en het vierde tot en met het achtste lid bevatten, zijn gelijk aan die voor trapafscheidingen (zie daarvoor de toelichting op artikel 2.30).

§ 2.6.2 Bestaande bouw

Artikel 2.42

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.6.1 Nieuwbouw.

In tabel 2.42 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Op verzoek van de branche zijn de eisen voor een vloerafscheiding van een hellingbaan bij de kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar (functie 2a) voor de bestaande bouw gelijk gesteld aan die voor nieuwbouw (Stb. 2005, 1). Voortvloeiende uit de aansturing van artikel 2.45, derde lid, voor deze bijeenkomstfunctie, is in dit lid in plaats van een vaste waarde een verwijzing opgenomen naar de nu in tabel 2.42 opgenomen grenswaarden. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

Artikel 2.43

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.6.1 Nieuwbouw.

In tabel 2.42 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Op verzoek van de branche zijn de eisen voor een vloerafscheiding van een hellingbaan bij de kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar (functie 2a) voor de bestaande bouw gelijk gesteld aan die voor nieuwbouw (Stb. 2005, 1). Voortvloeiende uit de aansturing van artikel 2.45, derde lid, voor deze bijeenkomstfunctie, is in dit lid in plaats van een vaste waarde een verwijzing opgenomen naar de nu in tabel 2.42 opgenomen grenswaarden. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

Artikel 2.44

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.6.1 Nieuwbouw.

In tabel 2.42 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Op verzoek van de branche zijn de eisen voor een vloerafscheiding van een hellingbaan bij de kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar (functie 2a) voor de bestaande bouw gelijk gesteld aan die voor nieuwbouw (Stb. 2005, 1). Voortvloeiende uit de aansturing van artikel 2.45, derde lid, voor deze bijeenkomstfunctie, is in dit lid in plaats van een vaste waarde een verwijzing opgenomen naar de nu in tabel 2.42 opgenomen grenswaarden. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie.

Artikel 2.45

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.6.1 Nieuwbouw.

In tabel 2.42 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Op verzoek van de branche zijn de eisen voor een vloerafscheiding van een hellingbaan bij de kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar (functie 2a) voor de bestaande bouw gelijk gesteld aan die voor nieuwbouw (Stb. 2005, 1). Voortvloeiende uit de aansturing van artikel 2.45, derde lid, voor deze bijeenkomstfunctie, is in dit lid in plaats van een vaste waarde een verwijzing opgenomen naar de nu in tabel 2.42 opgenomen grenswaarden. Voor alle andere vormen van kinderopvang (de buitenschoolse opvang van kinderen vanaf 4 jaar) is aangesloten bij de eisen voor de onderwijsfunctie

Afdeling 2.7 Elektriciteits- en noodstroomvoorziening

§ 2.7.1 Nieuwbouw

Artikel 2.46

Het eerste lid geeft de functionele eis voor elektriciteits- en noodstroomvoorzieningen voor nieuwbouw.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.47 bepaalt in welke situatie er een elektrische installatie of noodstroomvoorziening aanwezig moet zijn (aanwezigheid);  
2.artikel 2.48 bepaalt dat een voorgeschreven elektrische installatie een aansluitmogelijkheid moet hebben om te kunnen worden aangesloten op het openbare elektriciteitsnet (aansluitmogelijkheid);  
3.artikel 2.49 geeft de veiligheidseisen waaraan elektrische installaties en noodstroomvoorzieningen moeten voldoen (veiligheid);  
4.artikel 2.50 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en  
5.artikel 2.51 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).  

Artikel 2.47

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een elektrische installatie en de aanwezigheid van een voorziening voor noodstroom. Een elektrische installatie is voor de meeste gebruiksfuncties voorgeschreven. Onder de gebruiksfuncties waarvoor geen elektrische installatie is voorgeschreven vallen bijvoorbeeld opslagloodsen, abri's en garages bij woningen. Indien er in deze uitzonderingsgevallen een lift aanwezig is, is er om die reden toch een elektrische installatie. Het is derhalve niet nodig in dergelijke gevallen een elektrische installatie voor te schrijven.

Artikel 2.48

Dit artikel regelt de minimumomvang van een voorgeschreven elektrische installatie. De installatie moet in de meterruimte een aansluitpunt hebben, waarmee zij kan worden aangesloten op het openbare elektriciteitsnet. Dit aansluitpunt wordt in het Bouwbesluit 'aansluitmogelijkheid' genoemd in onderscheid van de aansluitpunten voor de gebruiker. Voorschriften omtrent de daadwerkelijke aansluiting zijn opgenomen in de gemeentelijke bouwverordening. Bij woonwagens maakt de meterruimte in beginsel deel uit van de standplaats; de installaties van woonwagen en standplaats moeten zijn gekoppeld.

Artikel 2.49

Met het voldoen aan de bij ministeriële regeling aangewezen Model-aansluitvoorwaarden voor elektrische energie van EnergieNed wordt gerealiseerd dat elektriciteits- en noodstroomvoorzieningen veilig en van voldoende omvang zijn. Alle installaties, ook die niet in het Bouwbesluit zijn voorgeschreven moeten aan deze voorschriften voldoen. Oogmerk van het derde lid is dat de noodverlichting bij uitval van de normale stroomvoorziening zo lang blijft branden dat het bouwwerk veilig kan worden verlaten.

Artikel 2.50

Artikel 2.51

§ 2.7.2

Artikel 2.52

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.7.1 Nieuwbouw. In de bij ministeriële regeling aangewezen Model-aansluitvoorwaarden voor elektrische energie van EnergieNed wordt voor bestaande bouw verwezen naar een document, waarin aan de omvang en inrichting van een bestaande elektriciteitsinstallatie en noodstroomvoorziening eisen zijn gesteld die zijn afgeleid van NEN 1010. Een elektriciteitsinstallatie in bestaande bouw moet aan nagenoeg hetzelfde veiligheidsniveau voldoen als bij nieuwbouw. De omvang van de bestaande elektrische installatie mag echter wel beperkter zijn. Voor de omvang geldt slechts de eis die werd gehanteerd ten tijde van de aanleg van de installatie. Om een noodstroomvoorziening in geen enkel geval van toepassing te laten zijn voor woonwagens, is in tabel 2.52 de woonfunctie gesplitst in 1a 'woonfunctie van een woonwagen' en 1b 'andere woonfunctie' (Stb. 2002, 203).

Artikel 2.53

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.7.1 Nieuwbouw. In de bij ministeriële regeling aangewezen Model-aansluitvoorwaarden voor elektrische energie van EnergieNed wordt voor bestaande bouw verwezen naar een document, waarin aan de omvang en inrichting van een bestaande elektriciteitsinstallatie en noodstroomvoorziening eisen zijn gesteld die zijn afgeleid van NEN 1010. Een elektriciteitsinstallatie in bestaande bouw moet aan nagenoeg hetzelfde veiligheidsniveau voldoen als bij nieuwbouw. De omvang van de bestaande elektrische installatie mag echter wel beperkter zijn. Voor de omvang geldt slechts de eis die werd gehanteerd ten tijde van de aanleg van de installatie. Om een noodstroomvoorziening in geen enkel geval van toepassing te laten zijn voor woonwagens, is in tabel 2.52 de woonfunctie gesplitst in 1a 'woonfunctie van een woonwagen' en 1b 'andere woonfunctie' (Stb. 2002, 203).

Artikel 2.54

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.7.1 Nieuwbouw. In de bij ministeriële regeling aangewezen Model-aansluitvoorwaarden voor elektrische energie van EnergieNed wordt voor bestaande bouw verwezen naar een document, waarin aan de omvang en inrichting van een bestaande elektriciteitsinstallatie en noodstroomvoorziening eisen zijn gesteld die zijn afgeleid van NEN 1010. Een elektriciteitsinstallatie in bestaande bouw moet aan nagenoeg hetzelfde veiligheidsniveau voldoen als bij nieuwbouw. De omvang van de bestaande elektrische installatie mag echter wel beperkter zijn. Voor de omvang geldt slechts de eis die werd gehanteerd ten tijde van de aanleg van de installatie. Om een noodstroomvoorziening in geen enkel geval van toepassing te laten zijn voor woonwagens, is in tabel 2.52 de woonfunctie gesplitst in 1a 'woonfunctie van een woonwagen' en 1b 'andere woonfunctie' (Stb. 2002, 203).

Artikel 2.55

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.7.1 Nieuwbouw. In de bij ministeriële regeling aangewezen Model-aansluitvoorwaarden voor elektrische energie van EnergieNed wordt voor bestaande bouw verwezen naar een document, waarin aan de omvang en inrichting van een bestaande elektriciteitsinstallatie en noodstroomvoorziening eisen zijn gesteld die zijn afgeleid van NEN 1010. Een elektriciteitsinstallatie in bestaande bouw moet aan nagenoeg hetzelfde veiligheidsniveau voldoen als bij nieuwbouw. De omvang van de bestaande elektrische installatie mag echter wel beperkter zijn. Voor de omvang geldt slechts de eis die werd gehanteerd ten tijde van de aanleg van de installatie. Om een noodstroomvoorziening in geen enkel geval van toepassing te laten zijn voor woonwagens, is in tabel 2.52 de woonfunctie gesplitst in 1a 'woonfunctie van een woonwagen' en 1b 'andere woonfunctie' (Stb. 2002, 203).

Afdeling 2.8 Verlichting

§ 2.8.1 Nieuwbouw

Artikel 2.56

Het eerste lid geeft de functionele eis voor verlichting voor nieuwbouw.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.57 bepaalt in welke situatie een verlichtingsinstallatie aanwezig moet zijn, met de bijbehorende eis aan de verlichtingssterkte (verlichtingssterkte);
2.artikel 2.58 bepaalt in welke situatie een verlichtingsinstallatie moet zijn aangesloten op de voorziening voor elektriciteit (stroomvoorziening);
3.artikel 2.59 bepaalt in welke situatie een verlichtingsinstallatie moet zijn aangesloten op de voorziening voor noodstroom (noodverlichting);
4.artikel 2.60 stelt eisen aan de inrichting van een voorziening voor noodstroom (voorziening voor noodstroom);
5.artikel 2.61 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
6.artikel 2.62 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).

Voor de woonfunctie van woonwagens wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het derde lid bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfunctie van toepassing is. In tabel 2.56 zijn in het kader van deregulering de specifieke voorschriften voor speciaal onderwijs, de sportfunctie bij het speciaal onderwijs en de sportfunctie bij het basisonderwijs geschrapt (Stb. 2005, 1). Hiervoor gelden nu de gewone eisen voor de onderwijsfunctie respectievelijk de sportfunctie. Bovendien is in de tabel de term 'gemeenschappelijk' bij de celfunctie 3.2 geschrapt. Het gevolg hiervan is, dat ook in een niet gemeenschappelijke ruimte voor bezoekers een verlichtingsinstallatie moet worden opgenomen.

Artikel 2.57

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een verlichtingsinstallatie en de vereiste verlichtingssterkte. Met dit voorschrift worden met name de gebruiksveiligheid, sociale veiligheid en bruikbaarheid gediend. Vanuit een oogpunt van gebruiksveiligheid is in het algemeen een verlichtingssterkte van 1 lux voldoende. Omdat wordt aangenomen dat zowel het daglicht als het nachtelijk hemellicht een verlichtingssterkte hebben van meer dan 1 lux is voor niet-besloten ruimten geen aanvullende verlichting voorgeschreven. Voor besloten ruimten is wel een verlichtingsinstallatie voorgeschreven. Een verlichtingssterkte van 1 lux zou voldoende zijn om een gebouw bij een calamiteit, waaronder brand, snel en veilig te kunnen verlaten. Bij bijvoorbeeld een lift is niet alleen uitgegaan van de hoeveelheid licht die minimaal nodig is om deze veilig te kunnen gebruiken. Aansluiting op een voorziening voor noodstroom zou dan vol staan. Het minimaal in dit artikel vereiste verlichtingsniveau is echter niet 1 lux, maar 10 lux. Hiervoor is gekozen met het oog op sociaal veilig gebruik. De vereiste verlichtingssterkte voor cellen, onderwijsruimten en sportruimten is gezien de kenmerkende activiteiten in deze gebouwen hoger dan 10 lux. Bij deze gebruiksfuncties worden hogere waarden voorgeschreven met het oog op de bruikbaarheid. Bovenstaande uitgangspunten leiden ertoe dat de aanwezigheid van een verlichtingsinstallatie noodzakelijk wordt geacht voor verblijfsruimten in vrijwel alle utiliteitsgebouwen, voor de routes van voorgeschreven vluchtmogelijkheden en voor liftkooien. Een verlichtingsinstallatie is niet vereist voor bijvoorbeeld ruimten van een woonwagen en van een industriefunctie voor opslag, voor het houden van dieren of voor andere agrarische doeleinden. Verder is een verlichtingsinstallatie niet vereist voor ruimten van kleine bovengrondse gebouwen (gebruiksoppervlakte < 50 m2) voor het personenvervoer. Met het toevoegen van een verwijzing, naar artikel 2.173, opvang- en doorstroomcapaciteit, is een onvolkomenheid in artikel 2.57, tweede lid, weggenomen (Stb. 2005, 1). Met deze wijziging is over de totale breedte van elke vluchtroute een adequate verlichting geregeld. Voorts is de term 'bovenzijde' in het voorschrift geschrapt, omdat dit een overbodige toevoeging was.

Omdat voor een bouwwerk geen gebouw zijnde niet op voorhand is aan te geven of en in hoeverre kunstlicht noodzakelijk is voor een veilig gebruik geeft het vierde lid een functionele eis waarmee burgemeester en wethouders enige beleidsruimte hebben bij het stellen van op de situatie toegespitste voorschriften. Een bouwwerk dat niet is bestemd om in nachtelijke uren door mensen te worden betreden, of dat zo is ingericht dat het nachtelijk hemellicht of licht uit een andere niet tot het bouwwerk behorende lichtbron voldoende is, hoeft geen verlichtingsinstallatie te hebben. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn bij een aanlegsteiger of een open tribune.

Artikel 2.59

Voor risicovolle situaties wordt een aansluiting op de elektrische installatie niet voldoende betrouwbaar geacht en is een aansluiting op een voorziening van noodstroom voorgeschreven. Noodstroom is voorgeschreven voor grote verblijfsruimten met een hoge bezettingsgraad in utiliteitsgebouwen, voor liftkooien en - afhankelijk van de gebruiksfunctie - voor de routes van voorgeschreven vluchtmogelijkheden. Met de vermelding van '> 900' in de laatste kolom van tabel 2.56 wordt bedoeld dat voor die bezettingsgraadklasse ongeacht de afmetingen van het verblijfsgebied geen aansluiting op de voorziening voor noodstroom is voorgeschreven.

Artikel 2.60

Dit artikel geeft de eis waaraan de verlichting op noodstroom moet voldoen. Omdat het om uitzonderlijke situaties gaat, kan worden volstaan met een verlichtingssterkte van 1 lux gedurende 1 uur. Aan artikel 2.60 is een volzin toegevoegd (Stb. 2005, 1) waarin is aangegeven op welke plaats de lichtsterkte moet worden gemeten. Hiermee is de bepalingsmethode van de lichtsterkte expliciet vastgelegd.

§ 2.8.2 Bestaande bouw

Artikel 2.63

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.8.1 Nieuwbouw. Het vereiste basisniveau van de verlichtingssterkte is hier lager dan dat voor nieuwbouw en komt overeen met het bij nieuwbouw voorgeschreven niveau van een op noodstroom aangesloten verlichtingsinstallatie. Het schrappen in tabel 2.63 van de aansturing van artikel 2.66, derde lid, voor gebruiksfunctie 11d (Stb. 2002, 203) voorkomt dat de voorschriften voor deze bestaande gebruiksfunctie strenger zijn dan voor nieuwbouw. In tabel 2.63 is de voor de bestaande logiesfunctie geldende grenswaarde van het eerste lid van artikel 2.66 van 500 m2 gecorrigeerd in 1.200 m2 (Stb. 2005, 1). Hiermee is de onjuiste situatie dat de bestaande bouw zwaardere eisen kent dan de nieuwbouw weggenomen. Nu is het eisenniveau voor de bestaande logiesfunctie, evenals dat bij nieuwbouw het geval is, gelijk aan het overeenkomstige niveau voor de gezondheidszorg- en de kantoorfunctie. In artikel 2.64, tweede lid, is de term 'bovenzijde' vervallen (Stb. 2005, 1). Hiermee is het voorschrift in overeenstemming met het gewijzigde artikel 2.57, tweede lid.

Artikel 2.64

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.8.1 Nieuwbouw. Het vereiste basisniveau van de verlichtingssterkte is hier lager dan dat voor nieuwbouw en komt overeen met het bij nieuwbouw voorgeschreven niveau van een op noodstroom aangesloten verlichtingsinstallatie. Het schrappen in tabel 2.63 van de aansturing van artikel 2.66, derde lid, voor gebruiksfunctie 11d (Stb. 2002, 203) voorkomt dat de voorschriften voor deze bestaande gebruiksfunctie strenger zijn dan voor nieuwbouw. In tabel 2.63 is de voor de bestaande logiesfunctie geldende grenswaarde van het eerste lid van artikel 2.66 van 500 m2 gecorrigeerd in 1.200 m2 (Stb. 2005, 1). Hiermee is de onjuiste situatie dat de bestaande bouw zwaardere eisen kent dan de nieuwbouw weggenomen. Nu is het eisenniveau voor de bestaande logiesfunctie, evenals dat bij nieuwbouw het geval is, gelijk aan het overeenkomstige niveau voor de gezondheidszorg- en de kantoorfunctie. In artikel 2.64, tweede lid, is de term 'bovenzijde' vervallen (Stb. 2005, 1). Hiermee is het voorschrift in overeenstemming met het gewijzigde artikel 2.57, tweede lid.

Artikel 2.65

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.8.1 Nieuwbouw. Het vereiste basisniveau van de verlichtingssterkte is hier lager dan dat voor nieuwbouw en komt overeen met het bij nieuwbouw voorgeschreven niveau van een op noodstroom aangesloten verlichtingsinstallatie. Het schrappen in tabel 2.63 van de aansturing van artikel 2.66, derde lid, voor gebruiksfunctie 11d (Stb. 2002, 203) voorkomt dat de voorschriften voor deze bestaande gebruiksfunctie strenger zijn dan voor nieuwbouw. In tabel 2.63 is de voor de bestaande logiesfunctie geldende grenswaarde van het eerste lid van artikel 2.66 van 500 m2 gecorrigeerd in 1.200 m2 (Stb. 2005, 1). Hiermee is de onjuiste situatie dat de bestaande bouw zwaardere eisen kent dan de nieuwbouw weggenomen. Nu is het eisenniveau voor de bestaande logiesfunctie, evenals dat bij nieuwbouw het geval is, gelijk aan het overeenkomstige niveau voor de gezondheidszorg- en de kantoorfunctie. In artikel 2.64, tweede lid, is de term 'bovenzijde' vervallen (Stb. 2005, 1). Hiermee is het voorschrift in overeenstemming met het gewijzigde artikel 2.57, tweede lid.

Artikel 2.66

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.8.1 Nieuwbouw. Het vereiste basisniveau van de verlichtingssterkte is hier lager dan dat voor nieuwbouw en komt overeen met het bij nieuwbouw voorgeschreven niveau van een op noodstroom aangesloten verlichtingsinstallatie. Het schrappen in tabel 2.63 van de aansturing van artikel 2.66, derde lid, voor gebruiksfunctie 11d (Stb. 2002, 203) voorkomt dat de voorschriften voor deze bestaande gebruiksfunctie strenger zijn dan voor nieuwbouw. In tabel 2.63 is de voor de bestaande logiesfunctie geldende grenswaarde van het eerste lid van artikel 2.66 van 500 m2 gecorrigeerd in 1.200 m2 (Stb. 2005, 1). Hiermee is de onjuiste situatie dat de bestaande bouw zwaardere eisen kent dan de nieuwbouw weggenomen. Nu is het eisenniveau voor de bestaande logiesfunctie, evenals dat bij nieuwbouw het geval is, gelijk aan het overeenkomstige niveau voor de gezondheidszorg- en de kantoorfunctie. In artikel 2.64, tweede lid, is de term 'bovenzijde' vervallen (Stb. 2005, 1). Hiermee is het voorschrift in overeenstemming met het gewijzigde artikel 2.57, tweede lid.

Artikel 2.67

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.8.1 Nieuwbouw. Het vereiste basisniveau van de verlichtingssterkte is hier lager dan dat voor nieuwbouw en komt overeen met het bij nieuwbouw voorgeschreven niveau van een op noodstroom aangesloten verlichtingsinstallatie. Het schrappen in tabel 2.63 van de aansturing van artikel 2.66, derde lid, voor gebruiksfunctie 11d (Stb. 2002, 203) voorkomt dat de voorschriften voor deze bestaande gebruiksfunctie strenger zijn dan voor nieuwbouw. In tabel 2.63 is de voor de bestaande logiesfunctie geldende grenswaarde van het eerste lid van artikel 2.66 van 500 m2 gecorrigeerd in 1.200 m2 (Stb. 2005, 1). Hiermee is de onjuiste situatie dat de bestaande bouw zwaardere eisen kent dan de nieuwbouw weggenomen. Nu is het eisenniveau voor de bestaande logiesfunctie, evenals dat bij nieuwbouw het geval is, gelijk aan het overeenkomstige niveau voor de gezondheidszorg- en de kantoorfunctie. In artikel 2.64, tweede lid, is de term 'bovenzijde' vervallen (Stb. 2005, 1). Hiermee is het voorschrift in overeenstemming met het gewijzigde artikel 2.57, tweede lid.

Afdeling 2.9 Gasvoorziening

§ 2.9.1 Nieuwbouw

Artikel 2.68

Het eerste lid geeft de functionele eis voor gasvoorzieningen voor nieuwbouw.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.69 bepaalt in welke situatie er een gasinstallatie aanwezig moet zijn (aanwezigheid);
2.artikel 2.70 bepaalt de omvang van de gasinstallatie voor wat betreft aansluitpunten voor het gebruik en een aansluitmogelijkheid voor aansluiting op het openbare distributienet (aansluitingen), en
3.artikel 2.71 geeft de veiligheidseisen waaraan gasinstallaties moeten voldoen (veiligheid).

Artikel 2.69

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een gasinstallatie. De aanwezigheid van een gasinstallatie is hoofdzakelijk met het oog op verwarming voorgeschreven. Indien de betrokken gebruiksfuncties kunnen worden aangesloten op een gemeenschappelijke of publieke voorziening voor verwarming is een gasinstallatie niet nodig. Stadsverwarming is een voorbeeld van een publieke voorziening voor verwarming.

Artikel 2.70

Dit artikel regelt de minimumomvang van een gasinstallatie. Er moet in de meterruimte een aansluitpunt zijn, waarmee de installatie kan worden aangesloten op het distributienet van gas. Dit aansluitpunt wordt in het Bouwbesluit 'aansluitmogelijkheid' genoemd ter onderscheid van de in het tweede lid voorgeschreven aansluitpunten voor de gebruiker. Of een installatie daadwerkelijk moet zijn aangesloten op het distributienet of niet, is geregeld in de gemeentelijke bouwverordening. Voor een woonfunctie bepaalt het tweede lid waar er aansluitpunten moeten zijn. Dit is ongeacht de daadwerkelijke aanwezigheid van een op gas gestookt toestel. Voor niet tot bewoning bestemde bouwwerken bepaalt het derde lid dat er een aansluitpunt moet zijn bij elke opstelplaats die is bestemd voor een op gas gestookt verbrandingstoestel. Behalve aan opstelplaatsen voor kook-, stook- en warmwatertoestellen kan men hierbij bijvoorbeeld denken aan een opstelplaats voor een op gas gestookte oven.

Artikel 2.71

Een installatie moet voldoen aan de in de ministeriële regeling aangewezen Modelaansluitvoorwaarden voor gas van EnergieNed. Hiermee wordt beoogd dat de installatie veilig en van voldoende omvang is.

§ 2.9.2 Bestaande bouw

Artikel 2.72

Zie de toelichtingen op de artikelen paragraaf 2.9.1 Nieuwbouw.

Artikel 2.73

Zie de toelichtingen op de artikelen paragraaf 2.9.1 Nieuwbouw.

Artikel 2.74

Zie de toelichtingen op de artikelen paragraaf 2.9.1 Nieuwbouw.

Afdeling 2.10 Beweegbare constructie-onderdelen

§ 2.10.1 Nieuwbouw

Artikel 2.75

Het eerste lid geeft de functionele eis voor beweegbare onderdelen voor nieuwbouw.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.76 regelt de minimale hoogte van de onderkant van ramen en deuren boven een oppervlak binnen of grenzend aan een gebouw (hoogte);
2.artikel 2.77 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
3.artikel 2.78 verklaart de eisen van deze paragraaf tevens van toepassing op het bouwen van niet-permanente bouwwerken (tijdelijke bouw).

Artikel 2.76

Met dit artikel wordt beoogd te voorkomen dat beweegbare onderdelen van bouwwerken, zoals ramen, deuren en luiken, gevaar opleveren bij vluchten uit het bouwwerk, dan wel voor voorbijgangers en langskomend verkeer. Voor woonwagens geldt een speciale eis, die in het vijfde lid staat. Het eerste en tweede lid betreffen de gevels van bouwwerken die aan een weg grenzen. In zo'n gevel mogen zich tot de aangegeven hoogte slechts naar binnen draaiende deuren of ramen, dan wel schuifdeuren of schuiframen bevinden. Het eerste lid, met een hoogtegrens van 4,2 m, heeft betrekking op situaties waarin een bouwwerk onmiddellijk grenst aan een weg waar auto's mogen komen met inbegrip van parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en dergelijke. Het tweede lid, met een hoogtegrens van 2,2 m, betreft situaties waarin alleen fietsers of voetgangers langs het bouwwerk komen. De aanpassing (Stb. 2005, 1) van het tweede lid van artikel 2.76 vloeit voort uit de afstemming van het Bouwbesluit 2003 met het Arbeidsomstandighedenbesluit. Een nooddeur wordt uitsluitend gebruikt voor het vluchten uit een gebouw. Als men het gebouw door die nooddeur moet ontvluchten, dan weegt het veilig kunnen vluchten zwaarder dan de hinder die dat voor eventuele passanten op de niet voor motorrijtuigen openstaande weg kan opleveren. Om deze reden mag een nooddeur naar buiten draaien over bijvoorbeeld een voetpad. Voorheen mocht een deur in geen enkele stand hinder veroorzaken voor personen die zich op een vluchtroute bevinden. Het derde lid heeft betrekking op ruimten waardoor een rookvrije vluchtmogelijkheid voert zoals gangen, galerijen en trappen die zijn aangemerkt als rookvrije vluchtroute in de zin van afdeling 2.18. Deuren en ramen die daarop uitkomen moeten naar binnen draaien of zijn uitgevoerd als schuifdeur of schuifraam. Een uitzondering is gemaakt voor een deur die in geopende stand een vrije doorgang overlaat van ten minste 60 cm. Deze minimum breedte is ontleend aan afdeling 2.19 - Inrichting van rookvrije vluchtroutes. Met de wijziging van het derde lid (Stb. 2005, 1) is een kort moment van hinder als gevolg van het openen van een deur toegestaan, mits de deur in geopende stand geen hinder veroorzaakt. Dat betekent dat nu in veel gevallen een minder brede gang kan worden toegepast. Het vierde lid maakt een uitzondering voor de deur van bijvoorbeeld een meterkast. Dergelijke deuren vormen geen probleem omdat zij nooit van binnen uit zullen worden geopend.

Voor woonwagens bepaalt het vijfde lid, dat deuren en ramen in geopende stand niet buiten de standplaats mogen uitsteken.

§ 2.10.2 Bestaande bouw

Artikel 2.79

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.10.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt het volgende op te merken: Het verbod van naar buiten draaiende ramen en deuren beperkt zich bij bestaande bouw alleen tot voor motorvoertuigen openstaande wegen. Bij bestaande bouw geldt bovendien geen functionele eis voor woonwagens.

Artikel 2.80

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.10.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt het volgende op te merken: Het verbod van naar buiten draaiende ramen en deuren beperkt zich bij bestaande bouw alleen tot voor motorvoertuigen openstaande wegen. Bij bestaande bouw geldt bovendien geen functionele eis voor woonwagens.

Afdeling 2.11 Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie

§ 2.11.1 Nieuwbouw

Artikel 2.81

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voor nieuwbouw.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.82 bepaalt of materiaal in of bij een stookplaats onbrandbaar moet zijn (stookplaats);
2.artikel 2.83 bepaalt of een schacht, koker of kanaal grenzend aan meer dan een brandcompartiment, onbrandbaar moet zijn, (schacht, koker of kanaal);
3.artikel 2.84 bepaalt of een rookgasafvoer onbrandbaar moet zijn alsmede de minimum afstand tussen de uitmonding daarvan en het dak van een ander gebouw (rookgasafvoer);
4.artikel 2.85 bepaalt of een dak niet-brandgevaarlijk dient te zijn (dak);
5.artikel 2.86 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
6.artikel 2.87 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).

Het geconverteerde Bouwbesluit laat, in lijn met fase 2, de mogelijkheid open dat overige gebruiksfuncties een brandgevaarlijk dak kunnen hebben. Dit zou dus ook gelden voor grote stationsgebouwen of parkeergarages, hetgeen in de praktijk tot gevaarlijke situaties kan leiden. Ter voorkoming van deze ongewenste consequentie is in tabel 2.81 voor de overige gebruiksfunctie 11 een grens getrokken bij een gebruiksfunctie van 50 m2 en vervolgens artikel 2.85, eerste en tweede lid, aangewezen voor de omvangrijke overige gebruiksfuncties (11a) die zo een niet- brandgevaarlijk dak voorgeschreven krijgen (Stb. 2002, 203).

Artikel 2.82

Met dit artikel wordt beoogd te voorkomen dat er op of in de nabijheid van een stookplaats brand ontstaat. De NEN 6061 omschrijft deze stookplaats als een plaats die op grond van zijn constructie en inrichting bestemd is voor open verbranding van vaste brandstoffen op cellulosebasis. Feitelijk gezien wordt hiermee een open haard bedoeld. Er kan bij een open haard brand ontstaan wanneer bijvoorbeeld materialen spontaan tot ontbranding komen als gevolg van hittestraling aan de oppervlakte van constructies in de nabijheid van die haard. Voorts kan er brand ontstaan wanneer een materiaal, ook als het zich bevindt in het binnenste van een constructie-onderdeel, wordt blootgesteld aan een hoge temperatuur. Om zo'n brand te voorkomen wordt geëist dat er op die plaatsen waar een te grote hittestraling kan optreden dan wel de temperatuur een te hoge waarde kan bereiken, materialen zijn toegepast die niet kunnen branden.

Artikel 2.83

Een brand die ontstaat in een schacht, koker of kanaal kan gemakkelijk ontsnappen aan de aandacht van de brandweer. Indien zo'n schacht, koker of kanaal langs een ander brandcompartiment voert, kan na enige tijd ook in dat andere brandcompartiment brand ontstaan. Om dit te voorkomen schrijft dit artikel voor dat de combinatie van materialen die is toegepast aan de binnenzijde van die schacht of koker of dat kanaal, over een diepte van 0,01 m onbrandbaar moet zijn. Schachten, kokers en kanalen met een geringe diameter vallen niet onder deze eis. In sanitaire ruimten zijn in de regel niet of nauwelijks brandbare materialen aanwezig, waardoor er naar redelijke verwachting in die ruimten geen brand van enige betekenis zal ontstaan. Daarom geldt dit artikel eveneens niet voor schachten, kokers en kanalen die zich bevinden in een toilet- of badruimte of in meer van deze, boven elkaar gelegen ruimten. Bij toepassing van brandbare materialen in schachten, kokers of kanalen tussen twee brandcompartimenten zal men verder nog rekening moeten houden met de eisen aan de weerstand tegen branddoorslag van de afdelingen 2.13 en 2.14.

Artikel 2.84

Voorzieningen voor de afvoer van rook, zoals een schacht, koker of kanaal, mogen niet de oorzaak zijn van een beginnende brand. Daarom schrijft het eerste lid voor, dat deze voorzieningen brandveilig moeten zijn. De NEN 6062 bevat hiervoor een beproevingsmethode, waarbij onderscheid is gemaakt naar gelang het gaat om kanalen voor vaste dan wel niet-vaste brandstoffen. Bij die beproeving moet de voorziening zijn blootgesteld aan 1) trillingsbelastingen, 2) een luchtdichtheidsbeproeving, 3) een thermische beproeving en 4) een veegproef. Het tweede lid bevat de eis, dat het materiaal waarvan een rookgasafvoer is gemaakt en dat kan zijn blootgesteld aan een temperatuur van meer dan 363 K (= 90°C), onbrandbaar moet zijn. Dit voorschrift geldt niet voor materiaal in de nabijheid van de rookafvoer. Op grond van NEN 6062, waarnaar is verwezen, is namelijk al uitgesloten dat een dergelijke temperatuur zich kan voordoen aan de buitenzijde van de voorziening. Voor het kunnen optreden van een temperatuur van meer dan 363 K zijn bepalend de temperaturen die bij de beproeving volgens NEN 6061 worden bereikt en niet hetgeen men voor het praktische gebruik verwacht. Het doel van het derde lid is te voorkomen dat de deeltjes die aanwezig zijn in de rook van een open haard terechtkomen op daken van nabijgelegen bouwwerken, en aldaar de oorzaak zijn van een beginnende brand.

Artikel 2.85

Dit artikel heeft ten doel te voorkomen dat het dak van een bouwwerk door een onverhoedse aanraking met vuur in brand vliegt. Het gaat hierbij om zogenaamd vliegvuur, zoals bijvoorbeeld in de rook van een open haard of in geval van een vonkenregen, afkomstig van een nabijgelegen brandend bouwwerk. Om te kunnen vaststellen of een dak niet brandgevaarlijk is, dient het op grond van het eerste lid bestand te zijn tegen een in NEN 6063 omschreven beproeving. Op grond van artikel 2.85 zal het merendeel van de gebruiksfuncties een niet brandgevaarlijk dak moeten hebben. Een overige gebruiksfunctie van beperkte omvang, waaronder een aparte berging of garage, mag wel een brandgevaarlijk dak hebben. De wijziging van het eerste lid van artikel 2.85 (Stb. 2005, 1) maakt expliciet dat het gaat om de veiligheid van het gebouw waarin de gebruiksfunctie ligt. Voor een gebouw met verschillende gebruiksfuncties geldt dan het algemene uitgangspunt, dat altijd de zwaarste eis geldt. Met deze wijziging is zeker gesteld dat, indien bijvoorbeeld een berging of een garage in hetzelfde brandcompartiment ligt als een woning, de voorschriften voor de woning gelden. Ook de berging of de garage zal dan een niet brandgevaarlijk dak moeten hebben. Het tweede en derde lid zonderen categorieën bouwwerken uit van de eis van het niet-brandgevaarlijk zijn van een dak. Het gaat om bouwwerken waarin geen verblijfsgebied - respectievelijk voor mensen toegankelijke vloer - hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau en die een dak hebben dat ligt op meer dan 15 m van de perceelsgrens. Het meetniveau is het op het bouwwerk aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de hoofdtoegang van het gebouw. Feitelijk gezien zijn deze bouwwerken in de regel vrijstaande woningen en vrijstaande utiliteitsgebouwen van maximaal twee bouwlagen. De reden van deze uitzondering is, dat bij de genoemde afstand tot de perceelsgrens de kans op brand als gevolg van bijvoorbeeld het stoken van een open haard in een naburig bouwwerk gering is. Verder speelt een rol dat bij gebouwen met een dergelijk beperkt aantal verdiepingen het ontvluchten bij brand gemakkelijker is dan bij hogere gebouwen.

§ 2.11.2 Bestaande bouw

Artikel 2.88

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.11.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt het volgende op te merken:

Voor de gebruiksfunctie 'bouwwerk geen gebouw zijnde' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis van het eerste lid is voldaan.

Artikel 2.89

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.11.1 Nieuwbouw.

Artikel 2.90

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.11.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt het volgende op te merken:

Het eerste lid bevat de eis dat een rookgasafvoer luchtdicht moet zijn, bepaald volgens NEN 8062. Dit betekent dat zo'n schacht, koker of kanaal een beproeving op luchtdoorlatendheid zoals omschreven in die norm moet kunnen doorstaan.

Afdeling 2.12 Beperking van ontwikkeling van brand

§ 2.12.1 Nieuwbouw

Artikel 2.91

Het eerste lid geeft de functionele eis voor de beperking van ontwikkeling van brand.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Wijst de tabel voor een gebruiksfunctie geen prestatie-eis aan, dan geldt daarvoor de functionele eis. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.92 bepaalt dat de zijden van een constructie-onderdeel die niet grenzen aan de buitenlucht een bijdrage tot brandvoortplanting moeten hebben die voldoet aan een aangegeven klasse (binnenoppervlak);
2.artikel 2.93 bepaalt dat de zijden van een constructie-onderdeel die grenzen aan de buitenlucht een bijdrage tot brandvoortplanting moeten hebben die voldoet aan een aangegeven klasse (buitenoppervlak);
3.artikel 2.94 bepaalt dat de bovenzijde van een vloer, hellingbaan of trap een bijdrage tot brandvoortplanting moet hebben die voldoet aan een aangegeven klasse (beloopbaar vlak);
4.artikel 2.95 bepaalt dat de voorgaande voorschriften niet van toepassing zijn op een fractie van de oppervlakte van de betrokken constructie-onderdelen (vrijgesteld);
5.artikel 2.96 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
6.artikel 2.97 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).

In tabel 2.91 is bij de grenswaarden van artikel 2.94 een onderscheid aangebracht tussen de brand- en rookvrije vluchtroute en de rookvrije vluchtroute. Met deze extra kolom is het mogelijk voor woningen een afwijkende klasse aan te geven (Stb 2002, 203). Deze ingreep is nodig geworden als gevolg van de aanpassing van artikel 2.156 (Stb 2002, 203). In tabel 2.91 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1).

Artikel 2.92

Dit artikel heeft als doel te voorkomen dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het binnenoppervlak van constructie-onderdelen van een bouwwerk. Hierdoor zou voor gebruikers van dat bouwwerk onvoldoende tijd kunnen overblijven om het bouwwerk veilig te verlaten. Het voorschrift houdt in dat de bijdrage tot brandvoortplanting van een constructie-onderdeel moet voldoen aan een klasse die is aangegeven in de tabel. Bij het aanwijzen van de betrokken klassen is een onderscheid gemaakt naar gelang de zijden van een constructie-onderdeel grenzen aan een ruimte waardoor al dan niet een brand- en rookvrije vluchtroute of een rookvrije vluchtroute loopt. De bijdrage tot brandvoortplanting van een constructie-onderdeel moet worden bepaald volgens de NEN 6065. In deze norm is bepaald dat om de bedoelde bijdrage te kunnen vaststellen het samenstel van bouwmaterialen dat over een diepte van 0,15 m (artikel 185: 0,165 m) in een constructie-onderdeel is toegepast, aan een beproeving moet zijn onderworpen. De eis voor zijden van constructie-onderdelen die grenzen aan een rookvrije vluchtroute van een woonfunctie en van een logiesfunctie verschilt afhankelijk van de gebruiksoppervlakte. Dit verschil hangt samen met de wijze van brandcompartimentering zoals geregeld in paragraaf 2.13.1. Een woonfunctie of een logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 vormt een brandcompartiment met meer dan een subbrandcompartiment. Het vluchten uit een subbrandcompartiment naar de uitgang van het brandcompartiment gebeurt langs rookvrije vluchtroutes, die aan specifieke eisen moeten voldoen.

Artikel 2.93

Voor het eerste lid van dit artikel geldt hetzelfde als hierboven is gesteld met betrekking tot artikel 2.92. Hier gaat het echter om de zijde van constructie-onderdelen die grenst aan de buitenlucht. Er wordt van uitgegaan dat deuren, ramen, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructie-onderdelen, zoals een ventilatierooster, niet kunnen voldoen aan klasse 2 van brandvoortplanting, daarom geldt daarvoor steeds klasse 4. Een brand die zich over de buitengevel uitbreidt, kan slechts tot een hoogte van 13 meter met gangbaar brandweermateriaal worden bestreden. Daarom bepaalt het tweede lid dat de gevel vanaf die hoogte zodanig moet zijn samengesteld, dat een brand zich niet gemakkelijk daarlangs kan voortplanten. De mogelijkheid bestaat dat een bouwwerk in brand raakt als gevolg van brandstichting in de nabijheid ervan. Om te bewerkstelligen dat een buitenoppervlak, zoals een gevel of een buitenzijde van een tribune, in zo'n situatie bestand is tegen vlam vatten, bevatten het derde en vierde lid een speciale eis aan dit buitenoppervlak tot een hoogte van 2,5 m. Het tweede tot en met het vierde lid betreffen bijzondere situaties, waarvoor hogere eisen worden gesteld dan voor de algemene situatie waarop het eerste lid betrekking heeft. Uit wat bij het eerste lid is opgemerkt, blijkt al dat van deuren, ramen, kozijnen en dergelijke niet kan worden verlangd dat deze voldoen aan een zwaardere klasse van brandvoortplanting dan klasse 4. Daarom is in het vijfde lid ook bepaald dat het tweede tot en met het vierde lid niet van toepassing zijn op laatstgenoemde constructie-onderdelen. Ook het zesde lid betreft een bijzondere situatie. Met het oog op de veiligheid van weggebruikers is hier een speciale eis gesteld aan de naar een weg toegekeerde zijde van een tunnel.

Artikel 2.94

De brandvoortplanting van de bovenzijde van horizontale, met inbegrip van flauw hellende, vlakken wijkt sterk af van die van niet-horizontale vlakken. Daarom bepaalt het eerste lid dat de voorschriften 2.92 en 2.93 daarvoor niet gelden en bevat het tweede lid een speciale eis in de plaats daarvan. Met het oog op het afwijkend brandgedrag van deze constructie-onderdelen moet hun bijdrage tot de brandvoortplanting, zo blijkt uit het tweede lid en uit NEN 6082, zijn bepaald volgens NEN 1775. Volgens deze norm moet het samenstel van bouwmaterialen dat is toegepast over een dikte van 0,03 m, zoals gemeten vanaf het oppervlak van de vloer, het tredevlak of de hellingbaan, aan de beproeving zijn onderworpen. Het eerste lid wijst behalve de genoemde horizontale vlakken de bovenzijde van een dak aan als een constructie-onderdeel waarop de artikelen 2.92 en 2.93 niet van toepassing zijn. Dit heeft als reden, dat een dak al volgens artikel 2.85 niet brandgevaarlijk mag zijn.

Artikel 2.95

Voor het kunnen toepassen van plinten, stopcontacten en andere kleine constructie- onderdelen, zoals lichtarmaturen, brand- en rookmelders, bevat dit artikel een uitzondering op de voorgaande eisen inzake brandvoortplanting. Deze houdt in, dat die eisen niet van toepassing zijn op een percentage van de oppervlakte van de toe te passen constructie-onderdelen. Concentratie van de bedoelde vrijgestelde oppervlakte op één plaats is uiteraard niet de bedoeling.

§ 2.12.2 Bestaande bouw

Artikel 2.98

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.12.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt het volgende op te merken: Voor een 'overige gebruiksfunctie' wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Het is evenmin noodzakelijk dat de functionele eis van het eerste lid voor deze gebruiksfunctie geldt. Daarom verklaart het derde lid dat de functionele eis er niet op van toepassing is.

Artikel 2.99

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.12.1 Nieuwbouw.

Artikel 2.100

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.12.1 Nieuwbouw.

Artikel 2.101

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.12.1 Nieuwbouw.

In de opsomming in het eerste lid van artikel 2.101 ontbrak het dak. Dit had tot gevolg dat de voorschriften voor de bestaande bouw strenger waren dan voor nieuwbouw (Stb 2002, 203).

Artikel 2.102

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.12.1 Nieuwbouw.

Afdeling 2.13 Beperking van uitbreiding van brand

§ 2.13.1 Nieuwbouw

Artikel 2.103

Het eerste lid geeft de functionele eis met betrekking tot de beperking van uitbreiding van brand voor nieuwbouw.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.104 bevat de regel dat een besloten ruimte in een brandcompartiment moet liggen, met uitzonderingen daarop (ligging);
2.artikel 2.105 stelt beperkingen aan de omvang van een brandcompartiment (omvang);
3.artikel 2.106 bevat eisen aan de weerstand van de begrenzing van een brandcompartiment tegen uitbreiding van brand (wbdbo);
4.artikel 2.107 bepaalt dat er in de scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een andere besloten ruimte geen ander beweegbaar deel dan een zelfsluitende deur mag voorkomen (zelfsluitende deur);
5.artikel 2.108 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
6.artikel 2.109 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).

Voor een enkele gebruiksfunctie wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis van het eerste lid is voldaan. In tabel 2.103 is de aanwijzing van het tweede lid van artikel 2.105 voor de andere woonfunctie geschrapt om te voorkomen dat bij de indeling van het woongebouw in brandcompartimenten één of meer woonfuncties tezamen met bijvoorbeeld kelderboxen (buitenberging) van dat woongebouw in één brandcompartiment worden geplaatst (Stb 2002, 203).

Artikel 2.104

Dit artikel is er op gericht om aan te geven welke besloten ruimten in een brandcompartiment moeten liggen, welke ruimten er niet in mogen liggen en welke ruimten er niet in behoeven te liggen. De maximale omvang van een brandcompartiment en de vraag welke ruimten gezamenlijk in een brandcompartiment mogen liggen zijn geregeld in artikel 2.105. Het eerste lid geeft aan dat een besloten ruimte van een gebouw als regel in een brandcompartiment moet liggen. In dit lid worden verder, evenals in het derde lid, op deze regel uitzonderingen voor bepaalde soorten ruimten gemaakt, zoals toiletruimten en badruimten. Deze mogen naar keuze van de indiener zowel binnen als buiten een brandcompartiment liggen. Onder de in het eerste lid van artikel 2.104 genoemde ruimten die bij nieuwbouw kunnen worden uitgeplaatst vallen ook de opstelplaats van een verbrandingstoestel die niet in een stookruimte ligt en een liftschacht indien deze onderdeel is van een vluchttrappenhuis. Met deze toevoeging (Stb 2002, 203) is de opsomming van ruimten die bij nieuwbouw mogelijkerwijs uitgeplaatst kunnen worden expliciet gemaakt. Een dergelijk overzicht ontbrak in het Bouwbesluit uit 1991 en in fase 2. Het tweede lid regelt dat bepaalde ruimten, ook indien deze niet besloten zijn, in een brandcompartiment moeten liggen. Het vierde lid regelt dat bij bepaalde gebruiksfuncties ook de niet besloten verblijfsgebieden in een brandcompartiment moeten liggen. Dan gaat het bijvoorbeeld om een opslag voor brandbare materialen zoals een houtopslag. De daarop volgende leden bevatten uitzonderingen op de voorschriften van het eerste en het vierde lid voor gebruiksfuncties die aan de gestelde criteria voldoen. De uitzonderingen betreffen situaties waarvan mag worden aangenomen dat de kans op het ontstaan van brand er betrekkelijk gering is, of dat een daar beginnende brand geen onmiddellijke bedreiging vormt voor het kunnen ontkomen van personen elders in het gebouw. Op grond van het derde lid mag een brand- en rookvrije vluchtroute niet in een brandcompartiment liggen. Hiermee wordt bereikt dat een brand vanuit een aan een brand- en rookvrije vluchtroute grenzende ruimte slechts tot een brand- en rookvrije vluchtroute kan doordringen door een scheidingsconstructie van een brandcompartiment. Het ontstaan en de ontwikkeling van een brand in de brand- en rookvrije vluchtroute zelf is beperkt op grond van de voorschriften van de paragrafen 2.11 en 2.12. Ruimten van gebruiksfuncties met een geringe vuurbelasting behoeven op grond van het zevende lid niet in een brandcompartiment te liggen. Onder vuurbelasting wordt verstaan: de som van de permanente en de variabele vuurbelasting, zoals beschreven in NEN 6090.

Artikel 2.105

Met brandcompartimentering wordt beoogd de ongehinderde uitbreiding van een brand te beperken tot een gedeelte van het gebouw. Daardoor hebben de gebruikers van het gebouw die zich niet in het gedeelte met de brand bevinden de gelegenheid veilig te ontkomen. Dit geldt ook voor de gebruikers van naburige gebouwen. Tegelijkertijd wordt voorkomen dat de brand in korte tijd een zodanige omvang aanneemt dat hij voor de brandweer niet meer is te beheersen. Een brandcompartiment mag om zijn functie van brandbegrenzer goed te kunnen vervullen niet te groot zijn en geen ruimten omvatten die een bijzonder brandgevaar opleveren in vergelijking met andere ruimten in dat brandcompartiment. In een brandcompartiment mogen in het algemeen meerdere ruimten, gebruiksfuncties of gebouwen liggen, op voorwaarde dat deze allemaal op hetzelfde perceel liggen en het brandcompartiment niet groter is dan is toegestaan. Voor wat betreft een logiesverblijf is in afwijking van de andere gebruiksfuncties gekozen voor een lagere maximale omvang omdat de gasten er overnachten en in het algemeen niet bekend zullen zijn met de vluchtroutes. De redactionele aanpassing van artikel 2.105, derde lid, is het gevolg van de introductie van het begrip 'nevenfunctie'. Als gevolg van de aanpassing van het tweede lid, werd het nodig om de aansturing en inhoud van het derde lid te wijzigen (Stb 2002, 203). Het derde lid regelt na deze wijziging expliciet voor een 'andere woonfunctie', dat een garage of een bergruimte als nevenfunctie bij een woning, in hetzelfde brandcompartiment kan liggen als die woning zelf. In het zesde tot en met het achtste lid is aangegeven welke ruimten een zodanig brandgevaar opleveren, dat deze in een apart brandcompartiment moeten liggen. Met het toevoegen van de verwijzing naar artikel 4.88, vijfde lid, in het zesde lid wordt geregeld dat ook het in dat lid bedoelde gemeenschappelijk stooktoestel in een afzonderlijk brandcompartiment moet liggen (Stb. 2002, 516).

In het negende en het tiende lid zijn voorschriften gesteld, die rekening houden met de beperkte bewegingsvrijheid van bijvoorbeeld aan bed gebonden patiënten of gedetineerden. Gezien het feit dat deze gebruikers bij brand niet naar het aansluitende terrein kunnen vluchten, is geregeld dat men altijd naar een ander brandcompartiment kan vluchten. Een dergelijk brandcompartiment wordt ook wel vluchtcompartiment genoemd. Gebleken is dat de eerdere tekst van artikel 2.105, negende lid, de bedoeling onvoldoende weergaf. Uit de gewijzigde tekst (Stb 2002, 203) blijkt duidelijk dat er in bijvoorbeeld een gevangenis altijd ten minste twee brandcompartimenten zijn, zodat bij brand vanuit een brandcompartiment met cellen naar een ander brandcompartiment kan worden gevlucht. Het voorschrift voor nieuwbouw in artikel 2.105, elfde lid, en het voorschrift voor de bestaande bouw in artikel 2.112, tiende lid, behoren gelijkluidend te zijn. Derhalve is de redactie aangepast (Stb 2002, 203). Omdat in geval van brand een ander brandcompartiment op dezelfde bouwlaag een noodzakelijke opvangmogelijkheid moet hebben, mag een brandcompartiment waar aan bed gebonden patiënten verblijven, niet die gehele bouwlaag van het gebouw omvatten. Dit voorschrift laat de mogelijkheid om wel en niet aan bed gebonden patiënten door elkaar in een ruimte of compartiment te plaatsen, onverlet.

Artikel 2.106

Het indelen van een gebouw in brandcompartimenten met het oog op het beperken van de uitbreiding van een brand heeft alleen zin wanneer de scheidingsconstructies van die brandcompartimenten een deugdelijke weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) hebben. 'Brandoverslag' betekent in dit verband de uitbreiding van brand via de buitenlucht, terwijl met 'branddoorslag' wordt bedoeld de branduitbreiding door een constructie-onderdeel heen. Dit artikel bevat de desbetreffende eisen aan de scheidingsconstructies die het brandcompartiment begrenzen. De wbdbo wordt uitgedrukt in minuten. Onder een besloten ruimte van een gebouw als bedoeld in het eerste lid valt ook een besloten veiligheidstrappenhuis, daarmee geldt dit lid zowel voor besloten als voor niet-besloten veiligheidstrappenhuizen. Met de aangepaste redactie van het eerste lid van artikel 2.106, is de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) tussen brandcompartimenten onderling en tussen een brandcompartiment en een vluchtroute expliciet verwoord (Stb 2002, 203). Ruimten die overeenkomstig artikel 2.104, eerste lid, niet in een brandcompartiment liggen, of niet bij een vluchtroute behoren, vallen buiten dit voorschrift. Het tweede lid houdt voor woningen met betrekkelijk lage permanente vuurbelasting een verlaagde eis in van 30 minuten wbdbo. Het gaat hier om woningen die bestaan uit materialen die niet of nauwelijks kunnen branden, in feite woningen die van steenachtig materiaal zijn vervaardigd. Het hoogtecriterium van het derde lid berust op de veronderstelling dat de brandweer snel haar repressieve taken (blussen) kan uitvoeren en de brand reeds binnen 30 minuten in bedwang kan hebben. Deze lagere eis geldt alleen indien het brandcompartiment en de besloten ruimte op hetzelfde perceel liggen. Voor een celfunctie gelegen in een cellengebouw en een gedeelte van een gezondheidszorggebouw voor bedgebonden patiënten geldt deze lagere eis niet. Het uitgangspunt voor het vijfde lid is het beginsel van gelijke rechten voor iedere burger. Dit beginsel leidt ertoe dat er bij het bouwen ter beperking van het gevaar van brandoverslag rekening moet worden gehouden met een spiegelsymmetrisch, maar verder identiek gebouw op een naburig perceel. Het gaat hierbij om een denkbeeldig identiek gebouw, waarvoor niet van belang is of er feitelijk een gebouw staat en zo ja, wat voor een. Voor dit denkbeeldige, identieke gebouw moet men uitgaan van een identieke gevel die op dezelfde afstand van de perceelsgrens ligt als de het te bouwen gebouw. Wat over het vijfde lid is gezegd is grotendeels ook van toepassing op het zesde lid, dat op woonwagens betrekking heeft. Alleen geldt hier dat niet de werkelijke afstand tot de perceelsgrens geldt, maar een nominale afstand van 5 m. In samenhang met de eisen aan de oppervlakte van de standplaats (artikel 4.1) wordt hiermee bereikt dat de wbdbo-eis onafhankelijk is van de plaatsing van een woonwagen op de standplaats, terwijl toch een redelijke mate van brandveiligheid is gewaarborgd. Overigens is met de redactionele wijziging van artikel 2.106, vijfde lid (Stb 2002, 203), een betere aansluiting verkregen op artikel 2.106, eerste lid.

Artikel 2.107

Openingen in inwendige scheidingsconstructies van een brandcompartiment zouden de met de eisen van het voorgaande artikel bereikte weerstand tegen branduitbreiding tenietdoen. Daarom bepaalt dit artikel dat er geen ramen en dergelijke in die scheidingswanden mogen voorkomen en dat er uitsluitend deuren in mogen zijn geplaatst die zijn voorzien van een dranger. Het gaat hier om de scheidingsconstructies tussen een brandcompartiment en besloten ruimten daarbuiten, en niet om scheidingsconstructies binnen een brandcompartiment.

§ 2.13.2 Bestaande bouw

Artikel 2.110

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.13.1 Nieuwbouw. In tabel 2.110 voor de bestaande bouw is, overeenkomstig de aanpassing van tabel 2.103 voor nieuwbouw, de aanwijzing van het tweede lid van artikel 2.112 voor de andere woonfunctie geschrapt (Stb 2002, 203). Onder de in het eerste lid van artikel 2.111 genoemde ruimten die bij de bestaande bouw uitgeplaatst kunnen zijn, vallen ook een opstelplaats voor een verbrandingstoestel die niet in een stookruimte ligt, en een liftschacht indien deze onderdeel is van een vluchttrappenhuis. Met deze toevoeging is de opsomming van ruimten die bij bestaande bouw uitgeplaatst kunnen zijn expliciet gemaakt (Stb 2002, 203). Een dergelijk overzicht ontbrak in het Bouwbesluit uit 1991 en in fase 2. De voorschriften in artikel 2.112, tweede, derde, achtste lid en tiende lid, voor de bestaande bouw zijn aangepast aan het voorschrift voor nieuwbouw (Stb 2002, 203). In het eerste lid van artikel 2.113 wordt 'een besloten ruimte van een gebouw' vervangen door: een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis (Stb 2002, 516). Het tweede lid van artikel 2.113 voor de bestaande bouw is redactioneel aangepast waardoor een betere aansluiting ontstaat met het voorschrift in artikel 2.112, eerste lid (Stb 2002, 203).

Artikel 2.111

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.13.1 Nieuwbouw. In tabel 2.110 voor de bestaande bouw is, overeenkomstig de aanpassing van tabel 2.103 voor nieuwbouw, de aanwijzing van het tweede lid van artikel 2.112 voor de andere woonfunctie geschrapt (Stb 2002, 203). Onder de in het eerste lid van artikel 2.111 genoemde ruimten die bij de bestaande bouw uitgeplaatst kunnen zijn, vallen ook een opstelplaats voor een verbrandingstoestel die niet in een stookruimte ligt, en een liftschacht indien deze onderdeel is van een vluchttrappenhuis. Met deze toevoeging is de opsomming van ruimten die bij bestaande bouw uitgeplaatst kunnen zijn expliciet gemaakt (Stb 2002, 203). Een dergelijk overzicht ontbrak in het Bouwbesluit uit 1991 en in fase 2. De voorschriften in artikel 2.112, tweede, derde, achtste lid en tiende lid, voor de bestaande bouw zijn aangepast aan het voorschrift voor nieuwbouw (Stb 2002, 203). In het eerste lid van artikel 2.113 wordt 'een besloten ruimte van een gebouw' vervangen door: een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis (Stb 2002, 516). Het tweede lid van artikel 2.113 voor de bestaande bouw is redactioneel aangepast waardoor een betere aansluiting ontstaat met het voorschrift in artikel 2.112, eerste lid (Stb 2002, 203).

Artikel 2.112

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.13.1 Nieuwbouw. In tabel 2.110 voor de bestaande bouw is, overeenkomstig de aanpassing van tabel 2.103 voor nieuwbouw, de aanwijzing van het tweede lid van artikel 2.112 voor de andere woonfunctie geschrapt (Stb 2002, 203). Onder de in het eerste lid van artikel 2.111 genoemde ruimten die bij de bestaande bouw uitgeplaatst kunnen zijn, vallen ook een opstelplaats voor een verbrandingstoestel die niet in een stookruimte ligt, en een liftschacht indien deze onderdeel is van een vluchttrappenhuis. Met deze toevoeging is de opsomming van ruimten die bij bestaande bouw uitgeplaatst kunnen zijn expliciet gemaakt (Stb 2002, 203). Een dergelijk overzicht ontbrak in het Bouwbesluit uit 1991 en in fase 2. De voorschriften in artikel 2.112, tweede, derde, achtste lid en tiende lid, voor de bestaande bouw zijn aangepast aan het voorschrift voor nieuwbouw (Stb 2002, 203). In het eerste lid van artikel 2.113 wordt 'een besloten ruimte van een gebouw' vervangen door: een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis ( Stb 2002, 516). Het tweede lid van artikel 2.113 voor de bestaande bouw is redactioneel aangepast waardoor een betere aansluiting ontstaat met het voorschrift in artikel 2.112, eerste lid (Stb 2002, 203).

Artikel 2.113

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.13.1 Nieuwbouw. In tabel 2.110 voor de bestaande bouw is, overeenkomstig de aanpassing van tabel 2.103 voor nieuwbouw, de aanwijzing van het tweede lid van artikel 2.112 voor de andere woonfunctie geschrapt (Stb 2002, 203). Onder de in het eerste lid van artikel 2.111 genoemde ruimten die bij de bestaande bouw uitgeplaatst kunnen zijn, vallen ook een opstelplaats voor een verbrandingstoestel die niet in een stookruimte ligt, en een liftschacht indien deze onderdeel is van een vluchttrappenhuis. Met deze toevoeging is de opsomming van ruimten die bij bestaande bouw uitgeplaatst kunnen zijn expliciet gemaakt (Stb 2002, 203). Een dergelijk overzicht ontbrak in het Bouwbesluit uit 1991 en in fase 2. De voorschriften in artikel 2.112, tweede, derde, achtste lid en tiende lid, voor de bestaande bouw zijn aangepast aan het voorschrift voor nieuwbouw (Stb 2002, 203). In het eerste lid van artikel 2.113 wordt 'een besloten ruimte van een gebouw' vervangen door: een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis (Stb 2002, 516). Het tweede lid van artikel 2.113 voor de bestaande bouw is redactioneel aangepast waardoor een betere aansluiting ontstaat met het voorschrift in artikel 2.112, eerste lid (Stb 2002, 203).

Artikel 2.114

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.13.1 Nieuwbouw. In tabel 2.110 voor de bestaande bouw is, overeenkomstig de aanpassing van tabel 2.103 voor nieuwbouw, de aanwijzing van het tweede lid van artikel 2.112 voor de andere woonfunctie geschrapt (Stb 2002, 203). Onder de in het eerste lid van artikel 2.111 genoemde ruimten die bij de bestaande bouw uitgeplaatst kunnen zijn, vallen ook een opstelplaats voor een verbrandingstoestel die niet in een stookruimte ligt, en een liftschacht indien deze onderdeel is van een vluchttrappenhuis. Met deze toevoeging is de opsomming van ruimten die bij bestaande bouw uitgeplaatst kunnen zijn expliciet gemaakt (Stb 2002, 203). Een dergelijk overzicht ontbrak in het Bouwbesluit uit 1991 en in fase 2. De voorschriften in artikel 2.112, tweede, derde, achtste lid en tiende lid, voor de bestaande bouw zijn aangepast aan het voorschrift voor nieuwbouw (Stb 2002, 203). In het eerste lid van artikel 2.113 wordt 'een besloten ruimte van een gebouw' vervangen door: een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis (Stb 2002, 516). Het tweede lid van artikel 2.113 voor de bestaande bouw is redactioneel aangepast waardoor een betere aansluiting ontstaat met het voorschrift in artikel 2.112, eerste lid (Stb 2002, 203).

Afdeling 2.14 Verdere beperking van uitbreiding van brand

§ 2.14.1 Nieuwbouw

Artikel 2.115

Het eerste lid geeft de functionele eis met betrekking tot de verdere beperking van uitbreiding van brand voor nieuwbouw. De functionele eis van artikel 2.115, eerste lid, is aangepast (Stb. 2005, 1) om te benadrukken dat de voorschriften voor een subbrandcompartiment alleen bedoeld zijn voor gebruiksfuncties waarin ook geslapen wordt. Met deze wijziging van de functionele eis staat vast dat er geen subbrandcompartiment geëist mag worden voor een gebruiksfunctie waarin niet wordt geslapen.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.116 bepaalt wat voor ruimten in een subbrandcompartiment moeten liggen (ligging);
2.artikel 2.117 stelt beperkingen aan de omvang van een subbrandcompartiment (omvang);
3.artikel 2.118 bevat eisen aan de weerstand van de begrenzing van een subbrandcompartiment tegen uitbreiding van brand (wbdbo);
4.artikel 2.119 bepaalt dat er in de scheidingsconstructie tussen een subbrandcompartiment en een andere besloten ruimte geen ander beweegbaar deel dan een zelfsluitende deur mag voorkomen (zelfsluitende deur).

Voor enkele (onderdelen van) gebruiksfuncties wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan. In de tabel is de aansturing van artikel 2.117, tweede lid, voor het gedeelte voor aan bed gebonden patiënten in de gezondheidszorgfunctie (4a) geschrapt, anders zou bijvoorbeeld de ruimte voor het verplegend personeel in een apart subbrandcompartiment moeten liggen (Stb. 2002, 203). Verder is de logiesfunctie (7) opgesplitst in a. 'niet gelegen in een logiesgebouw', die in de tabel niet wordt aangestuurd en b. 'gelegen in een logiesgebouw' die op dezelfde wijze als voorheen wordt aangestuurd. Dit om te voorkomen dat ten onrechte de conclusie wordt getrokken dat bijvoorbeeld een vakantiebungalow een of meer subbrandcompartimenten moet bevatten (Stb. 2002, 203). In tabel 2.115 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Het betreft hier de categorieën kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar en de zogenoemde 24-uurs opvang, die beide ruimten hebben om te slapen. Voor deze vormen van kinderopvang zijn bezettingsgraadklassen opgenomen. In de tabel is bij de onderverdeling van de gezondheidszorgfunctie (4b) de term 'overige gedeelten' vervangen door 'ander gedeelte'. Voorts is de kolom met grenswaarden als bedoeld in artikel 2.117, zesde lid, toegevoegd.

Artikel 2.116

Dit artikel is er slechts op gericht om aan te geven welke ruimten in een subbrandcompartiment moeten liggen en welke ruimten er niet in mogen, of behoeven te liggen. Het doel van paragraaf 2.13 is een brand gedurende enige tijd binnen een brandcompartiment te houden. Daarmee zijn echter de personen die zich bij brand in het brandcompartiment bevinden waarin de brand is ontstaan niet direct geholpen. In sommige situaties is het nodig om een of meer ruimten binnen een brandcompartiment in een subbrandcompartiment onder te brengen. Als er dan brand ontstaat in een subbrandcompartiment, zijn alle andere ruimten binnen het brandcompartiment nog enige tijd beschermd. Subbrandcompartimenten zijn nodig bij ruimten waarin bijvoorbeeld mensen slapen of ziek te bed liggen. In dat geval hebben die mensen meer tijd nodig om een brandcompartiment te verlaten. De begrenzing van een subbrandcompartiment moet voldoen aan voorschriften die elders in deze paragraaf zijn gesteld. Deze voorschriften zijn vaak minder streng dan die voor het brandcompartiment waarin de subbrandcompartimenten liggen. Wanneer de grens van een subbrandcompartiment samenvalt met de grens van het brandcompartiment moet uiteraard aan beide voorschriften zijn voldaan. Het eerste lid bepaalt voor een niet-gemeenschappelijke ruimte in bijvoorbeeld een woning (met uitzondering van eengezinswoningen met een gebruiksoppervlakte van 500 m2 of minder), een celfunctie, hotelkamers en vakantiewoningen, dat deze in een subbrandcompartiment moeten liggen. Bij cellen behoeft bijvoorbeeld een binnen een cellenblok gelegen gemeenschappelijke ruimte, zoals een ontspanningsruimte, niet in een subbrandcompartiment te liggen. Voorts geeft het eerste lid nu meer concreet aan welke ruimten van een gebruiksfunctie in een subbrandcompartiment moeten liggen en welke daar van uitgezonderd mogen zijn (Stb. 2002, 203). Van een gezondheidszorgfunctie behoeven uitsluitend de verblijfsruimten voor bedgebonden patiënten in een subbrandcompartiment te liggen (derde lid). Hieronder vallen verpleegkamers en hun nevenruimten, zoals badruimten. Verpleegafdelingen waar een permanente bewaking is, zoals een intensivecareafdeling, mogen samen met de daarbij behorende nevenruimte als één subbrandcompartiment worden aangemerkt. In zulke situaties kan het aanwezige personeel namelijk de patiënten direct in veiligheid brengen. Deze worden dan naar het voorgeschreven aangrenzende brandcompartiment overgebracht. In het nieuwe vierde lid van artikel 2.116 (Stb. 2005, 1) is geregeld dat een verblijfsruimte waarin wordt geslapen in een subbrandcompartiment moet liggen. Dit voorschrift geldt uitsluitend voor de in de tabel genoemde bijeenkomstfunctie voor kinderopvang. Het gaat hier concreet om een eis voor de opvang voor kinderen jonger dan 4 jaar en de zogenoemde 24-uurs opvang. In het betreffende subbrandcompartiment mogen wel andere ruimten liggen, zoals een speelruimte, mits de totale omvang van het subbrandcompartiment niet uitgaat boven het gestelde in artikel 2.117, zesde lid.

Artikel 2.117

Een subbrandcompartiment mag om zijn functie van brandbegrenzer goed te kunnen vervullen niet te groot zijn. Dit artikel bevat daarom eisen aan de maximale grootte van een subbrandcompartiment en aan het situeren van bepaalde soorten ruimten in een afzonderlijk subbrandcompartiment. Met de aanpassing van artikel 2.117, tweede lid, is het mogelijk dat bijvoorbeeld een aangebouwde berging als nevenfunctie van een (aanleun)woning op de begane grond van een woongebouw, of een nevenfunctie die ten dienste staat van een andere gebruiksfunctie, in het betreffende subbrandcompartiment van die gebruiksfunctie mag liggen. Het nieuwe voorschrift van het zesde lid (Stb. 2005, 1) richt zich op de opvang van kinderen tot 4 jaar en de 24-uurs opvang. Een verblijfsruimte voor kinderopvang waarin wordt geslapen moet een zelfde mate van brandveiligheid bieden als een ruimte waarin wordt geslapen in een gezondheidszorgfunctie en een logiesfunctie. Derhalve moet ook een dergelijke ruimte voor kinderopvang in een subbrandcompartiment liggen. Door de maximale omvang van het subbrandcompartiment waarin wordt geslapen te beperken tot 200 m2 is gevolg geven aan de wens van de brandweer om de omvang zodanig te beperken dat bij brand een optimale evacuatie mogelijk is. Bij deze optimale omvang is tevens rekening gehouden met de wens vanuit de branche, om in een compartiment voldoende ruimte te kunnen realiseren om daarin twee groepen met begeleiding te kunnen plaatsen. Indien er twee groepen in een subbrandcompartiment verblijven, is het toegestaan om als scheiding tussen die groepen een eenvoudige beweegbare scheidingswand zonder brandwerende eigenschappen te plaatsen. Dit geldt ook voor de scheidingswand tussen een slaapruimte en een speelruimte. Het Bouwbesluit 2003 gaat er van uit dat bij brand de kinderen door het personeel moeten kunnen worden geëvacueerd voordat de brandweer aanwezig is. In een subbrandcompartiment waarin kinderen slapen mogen daarom niet meer dan 40 personen aanwezig zijn. Dit komt neer op ten hoogste twee groepen van 16 kinderen met begeleiding. Daarbij is uitgegaan van de aanwezigheid van voldoende personeel met de juiste kwalificaties om de kinderen in één keer te kunnen evacueren, dus zonder terug te hoeven keren. In de praktijk gaat men er van uit dat één volwassene maximaal 4 baby's tegelijk kan evacueren. Nadere voorschriften omtrent de ontruiming van een inrichting kunnen op grond van de gemeentelijke bouwverordening in de gebruiksvergunning worden opgenomen. Met de aanpassing van het zevende lid (vernummerd van zesde naar zevende lid (Stb. 2005, 1)) is de indruk weggenomen dat een patiëntenkamer met een eigen badruimte of eventueel een serre niet langer toegestaan is, of dat de ruimte van waaruit het verplegend personeel de patiënten verpleegt, niet in het subbrandcompartiment van de aan bed gebonden patiënten mag liggen (Stb. 2002, 203).

Artikel 2.118

Het realiseren van een of meer subbrandcompartimenten heeft alleen zin wanneer de scheidingsconstructies die de subbrandcompartimenten begrenzen voldoende weerstand hebben tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo). 'Brandoverslag' betekent in dit verband de uitbreiding van brand via de buitenlucht, terwijl met 'branddoorslag' wordt bedoeld de branduitbreiding door een constructieonderdeel heen. Dit artikel bevat de desbetreffende eisen aan de scheidingsconstructies die het subbrandcompartiment begrenzen. De wbdbo wordt uitgedrukt in minuten. Met de tekstuele aanpassing van artikel 2.118, eerste lid, is een ongewenste samenloop met de voorschriften van artikel 2.106, eerste lid, ongedaan gemaakt (Stb. 2005, 1). Met deze wijziging is tot uitdrukking gebracht dat de in deze afdeling geregelde subbrandcompartimentering uitsluitend betrekking heeft op een nadere indeling van een (hoofd)brandcompartiment. De relatie met ruimten die buiten dat (hoofd)brandcompartiment liggen is reeds geregeld in artikel 2.106.

Door middel van de in het vijfde lid bedoelde kier onder de deur, die bij de berekening van de wbdbo buiten beschouwing mag worden gelaten, kan worden geventileerd. Het eerste lid van artikel 2.118 is in overeenstemming gebracht (Stb. 2002, 516) met het eerste lid van artikel 2.106.

Artikel 2.119

Dit artikel bepaalt dat geen ramen en dergelijke in de scheidingswanden van bepaalde subbrandcompartimenten mogen voorkomen en dat daarin uitsluitend deuren mogen zijn geplaatst die zijn voorzien van een dranger. Het gaat hier om scheidingsconstructies van een patiëntenkamer, hotelkamer e.d. met besloten ruimten daarbuiten, en niet om wanden binnen zo'n subbrandcompartiment.

§ 2.14.2 Bestaande bouw

Artikel 2.120

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.14.1 Nieuwbouw. Zie voor de aanpassing van tabel 2.120 (bestaande bouw) de toelichting op artikel 2.115 (nieuwbouw) (Stb. 2002, 203). In tabel 2.120 is de aansturing van artikel 2.121, eerste lid, voor de celfunctie geschrapt (Stb. 2005, 1). Het eerste lid van artikel 2.121 geeft nu aan welke ruimten van een gebruiksfunctie in een subbrandcompartiment moeten liggen en welke daar van uitgezonderd zijn (Stb. 2002, 203). Artikel 2.121 is aangepast (Stb. 2005, 1) omdat aan de bestaande bouw geen hogere eisen gesteld moeten worden dan aan nieuwbouw. Met het nieuwe tweede lid (onder vernummering van het tweede tot derde lid tussengevoegd) is voor een celfunctie geregeld dat, net als bij de nieuwbouwvoorschriften, een gemeenschappelijke ruimte niet in een subbrandcompartiment hoeft te liggen. Deze wijziging is ook in de tabel opgenomen. Zie voor de aanpassing van artikel 2.122 de toelichting op artikel 2.117 ( Stb. 2002, 203). Het eerste lid van artikel 2.123 is in overeenstemming gebracht (Stb. 2002, 516) met het eerste lid van artikel 2.106.

Artikel 2.121

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.14.1 Nieuwbouw. Zie voor de aanpassing van tabel 2.120 (bestaande bouw) de toelichting op artikel 2.115 (nieuwbouw) (Stb. 2002, 203). In tabel 2.120 is de aansturing van artikel 2.121, eerste lid, voor de celfunctie geschrapt (Stb. 2005, 1). Het eerste lid van artikel 2.121 geeft nu aan welke ruimten van een gebruiksfunctie in een subbrandcompartiment moeten liggen en welke daar van uitgezonderd zijn (Stb. 2002, 203). Artikel 2.121 is aangepast (Stb. 2005, 1) omdat aan de bestaande bouw geen hogere eisen gesteld moeten worden dan aan nieuwbouw. Met het nieuwe tweede lid (onder vernummering van het tweede tot derde lid tussengevoegd) is voor een celfunctie geregeld dat, net als bij de nieuwbouwvoorschriften, een gemeenschappelijke ruimte niet in een subbrandcompartiment hoeft te liggen. Deze wijziging is ook in de tabel opgenomen. Zie voor de aanpassing van artikel 2.122 de toelichting op artikel 2.117 ( Stb. 2002, 203). Het eerste lid van artikel 2.123 is in overeenstemming gebracht (Stb. 2002, 516) met het eerste lid van artikel 2.106.

Artikel 2.122

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.14.1 Nieuwbouw. Zie voor de aanpassing van tabel 2.120 (bestaande bouw) de toelichting op artikel 2.115 (nieuwbouw) (Stb. 2002, 203). In tabel 2.120 is de aansturing van artikel 2.121, eerste lid, voor de celfunctie geschrapt (Stb. 2005, 1). Het eerste lid van artikel 2.121 geeft nu aan welke ruimten van een gebruiksfunctie in een subbrandcompartiment moeten liggen en welke daar van uitgezonderd zijn (Stb. 2002, 203). Artikel 2.121 is aangepast (Stb. 2005, 1) omdat aan de bestaande bouw geen hogere eisen gesteld moeten worden dan aan nieuwbouw. Met het nieuwe tweede lid (onder vernummering van het tweede tot derde lid tussengevoegd) is voor een celfunctie geregeld dat, net als bij de nieuwbouwvoorschriften, een gemeenschappelijke ruimte niet in een subbrandcompartiment hoeft te liggen. Deze wijziging is ook in de tabel opgenomen. Zie voor de aanpassing van artikel 2.122 de toelichting op artikel 2.117 ( Stb. 2002, 203). Het eerste lid van artikel 2.123 is in overeenstemming gebracht (Stb. 2002, 516) met het eerste lid van artikel 2.106.

Artikel 2.123

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.14.1 Nieuwbouw. Zie voor de aanpassing van tabel 2.120 (bestaande bouw) de toelichting op artikel 2.115 (nieuwbouw) (Stb. 2002, 203). In tabel 2.120 is de aansturing van artikel 2.121, eerste lid, voor de celfunctie geschrapt (Stb. 2005, 1). Het eerste lid van artikel 2.121 geeft nu aan welke ruimten van een gebruiksfunctie in een subbrandcompartiment moeten liggen en welke daar van uitgezonderd zijn (Stb. 2002, 203). Artikel 2.121 is aangepast (Stb. 2005, 1) omdat aan de bestaande bouw geen hogere eisen gesteld moeten worden dan aan nieuwbouw. Met het nieuwe tweede lid (onder vernummering van het tweede tot derde lid tussengevoegd) is voor een celfunctie geregeld dat, net als bij de nieuwbouwvoorschriften, een gemeenschappelijke ruimte niet in een subbrandcompartiment hoeft te liggen. Deze wijziging is ook in de tabel opgenomen. Zie voor de aanpassing van artikel 2.122 de toelichting op artikel 2.117 ( Stb. 2002, 203). Het eerste lid van artikel 2.123 is in overeenstemming gebracht (Stb. 2002, 516) met het eerste lid van artikel 2.106.

Artikel 2.124

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.14.1 Nieuwbouw. Zie voor de aanpassing van tabel 2.120 (bestaande bouw) de toelichting op artikel 2.115 (nieuwbouw) (Stb. 2002, 203). In tabel 2.120 is de aansturing van artikel 2.121, eerste lid, voor de celfunctie geschrapt (Stb. 2005, 1). Het eerste lid van artikel 2.121 geeft nu aan welke ruimten van een gebruiksfunctie in een subbrandcompartiment moeten liggen en welke daar van uitgezonderd zijn (Stb. 2002, 203). Artikel 2.121 is aangepast (Stb. 2005, 1) omdat aan de bestaande bouw geen hogere eisen gesteld moeten worden dan aan nieuwbouw. Met het nieuwe tweede lid (onder vernummering van het tweede tot derde lid tussengevoegd) is voor een celfunctie geregeld dat, net als bij de nieuwbouwvoorschriften, een gemeenschappelijke ruimte niet in een subbrandcompartiment hoeft te liggen. Deze wijziging is ook in de tabel opgenomen. Zie voor de aanpassing van artikel 2.122 de toelichting op artikel 2.117 ( Stb. 2002, 203). Het eerste lid van artikel 2.123 is in overeenstemming gebracht (Stb. 2002, 516) met het eerste lid van artikel 2.106.

Afdeling 2.15 Beperking van ontstaan van rook

§ 2.15.1 Nieuwbouw

Artikel 2.125

Het eerste lid geeft de functionele eis met betrekking tot de beperking van het ontstaan van rook voor nieuwbouw.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.126 bepaalt wat de maximale rookdichtheid mag zijn van een zijde van een constructie-onderdeel dat grenst aan de binnenlucht in een ruimte of de lucht in een tunnel (algemeen);
2.artikel 2.127 regelt dat voor een aantal situaties die in het voorgaande artikel zijn onderscheiden er geen maximumeis voor rookdichtheid geldt voor de bovenzijde van een vloer, hellingbaan of trap (beloopbaar vlak);
3.artikel 2.128 verklaart dat de maximum eisen van artikel 2.126 niet gelden voor een beperkt gedeelte van het binnenoppervlak van constructie-onderdelen (vrijgesteld), en
4.artikel 2.129 bepaalt dat de voorschriften voor nieuwbouw van deze paragraaf ook gelden voor niet-permanente bouw (tijdelijk bouwwerk).

Voor een enkel onderdeel van een gebruiksfunctie wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan. In tabel 2.125 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang jonger dan 4 jaar en voor de 24-uurs opvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor het niveau van eisen is aansluiting gezocht bij andere gebruiksfuncties waarin geslapen wordt.

Artikel 2.126

Bij een beginnende brand kan het zicht in een gebouw als gevolg van een snelle en hevige rookontwikkeling sterk beperkt raken. Hierdoor ontstaat het gevaar dat de gebruikers van het gebouw zich moeilijk kunnen oriënteren bij hun pogingen het gebouw te ontvluchten. Om dit te voorkomen, stelt het eerste lid een algemene eis aangaande de maximaal toegestane rookproductie van een naar een ruimte toegekeerde zijde van een constructie-onderdeel. De overige leden van dit artikel bevatten zwaardere eisen voor bijzondere situaties. Het gaat daarbij om constructie-onderdelen die grenzen aan een besloten, niet-gemeenschappelijke ruimte - zoals een cel -, aan een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute of brand- en rookvrije vluchtroute voert, of aan een verkeersruimte die ligt tussen de toegang van een subbrandcompartiment en de toegang van het betrokken rookcompartiment. De laatste drie leden bevatten eisen voor soortgelijke situaties in tunnels of tunnelvormige bouwwerken die zijn bestemd voor het verkeer. Ook in tunnels kan rook blijven hangen. Voor al deze gevallen zijn eisen gesteld die zijn gekoppeld aan een klasse van de bijdrage tot brandvoortplanting. Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat de totale hoeveelheid rook die bij een brand vrijkomt afhankelijk is van het oppervlak aan constructie-onderdelen dat brandt. Voor de bepaling van deze rookproductie, die is uitgedrukt in termen van rookdichtheid, bevat NEN 6066 een beproevingsmethode. Voorwerp van deze beproeving is de combinatie van bouwmaterialen die is toegepast in een constructie-onderdeel, over een dikte van 6,5 cm, gemeten vanaf het oppervlak.

Artikel 2.127

In dit artikel worden beloopbare vlakken uitgezonderd van een aantal bijzondere eisen van de voorgaande artikelen. De reden hiervan is dat een brand zich betrekkelijk langzaam uitbreidt over de bovenzijde van een horizontaal vlak. Daardoor zal een brand die begint op een vloer, hellingbaan of trap zich niet snel uitbreiden over een grote oppervlakte. Voor de beloopbare vlakken geldt door deze uitzondering hetzij de algemene eis, indien de bijzondere eis daaraan was gekoppeld, hetzij geen eis, indien de bijzondere eis op zichzelf staat.

Artikel 2.128

De bedoeling van dit artikel is het mogelijk te maken dat plinten, stopcontacten en andere kleine constructie-onderdelen, zoals lichtarmaturen, brand- en rookmelders, kunnen worden toegepast. De vrijgestelde oppervlakte mag echter, gemiddeld gezien, geen onevenredig grote rookproductie hebben. Verder is het niet de bedoeling dat de bedoelde oppervlakte aan constructie-onderdelen van een ruimte op één plaats in die ruimte is geconcentreerd.

§ 2.15.2 Bestaande bouw

Artikel 2.130

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.15.1 Nieuwbouw.

Artikel 2.131

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.15.1 Nieuwbouw.

Artikel 2.132

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.15.1 Nieuwbouw.

Artikel 2.133

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.15.1 Nieuwbouw.

Afdeling 2.16 Beperking van verspreiding van rook

§ 2.16.1 Nieuwbouw

Artikel 2.134

Het eerste lid geeft de functionele eis met betrekking tot de beperking van verspreiding van rook voor nieuwbouw.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.135 bepaalt dat een brandcompartiment is onderverdeeld in rookcompartimenten (ligging);
2.artikel 2.136 bevat regels omtrent de omvang van een rookcompartiment (omvang);
3.artikel 2.137 bevat een eis aan de weerstand tegen rookdoorgang van de begrenzing van een rookcompartiment (weerstand rookdoorgang);
4.artikel 2.138 bepaalt dat er als regel in de scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere besloten ruimte, aan beweegbare constructie-onderdelen alleen maar zelfsluitende deuren mogen voorkomen (zelfsluitende constructie-onderdelen), en
5.artikel 2.139 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).

Voor een enkele gebruiksfunctie wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan. In tabel 2.134 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Voor het niveau van de eisen is voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar en voor de 24-uurs opvang aansluiting gezocht bij de logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw. Doordat bepaald is dat een subbrandcompartiment tevens een rookcompartiment is (artikel 2.136, eerste lid), kan evenals bij de logiesfunctie, gebruik gemaakt worden van de voorschriften voor vluchtroutes die de toegang van een rookcompartiment als startpunt hebben. Voorts zijn in de tabel bij artikel 2.138 twee kolommen geschrapt wegens het vervallen van het tweede en derde lid van dat artikel.

Artikel 2.135

Voor het veilig kunnen vluchten uit een gebouw bij brand is het nodig dat er voorzieningen worden getroffen om de verspreiding van rook tegen te gaan. Meer in het bijzonder gaat het erom, dat rookvrije vluchtroutes in voldoende mate gevrijwaard blijven van rook gedurende de tijd dat het gebouw wordt ontruimd. Verder dient ook binnen een brandcompartiment met het oog op het verlaten van dat brandcompartiment de verspreiding van rook gedurende zekere tijd beperkt te blijven. Met het oog hierop moet een brandcompartiment krachtens het eerste lid worden onderverdeeld in een of meer rookcompartimenten. Bij de uitgang van een rookcompartiment ligt immers in het algemeen het beginpunt van rookvrije vluchtroutes (artikel 2.163, eerste lid). Het tweede lid eist dat er in zeer hoge gebouwen een rooksluis is tussen een verblijfsgebied en een besloten vluchttrappenhuis. Rook van een beginnende brand kan hierdoor slechts bij uitzondering in het trappenhuis doordringen. Aldus wordt bereikt dat de gebruikers van het gebouw meer tijd krijgen om het gebouw veilig te kunnen verlaten. Bovendien kan de brandweer daardoor langer van die trappenhuizen gebruik maken om het gebouw te doorzoeken op achtergebleven personen.

Artikel 2.136

Het tweede, derde en vijfde lid gaan over de maximale loopafstand tussen een punt in een verblijfsgebied of verblijfsruimte en een toegang van het rookcompartiment waarin dat gebied of die ruimte ligt. De bedoeling is te voorkomen dat de bij het uitbreken van brand in een rookcompartiment aanwezige personen een lange weg door de rook moeten afleggen. Daarbij zouden ze het risico lopen de uitgang niet tijdig te kunnen vinden. Het tweede lid staat toe dat er bij het bepalen van de loopafstand geen rekening wordt gehouden met de niet-dragende scheidingsconstructies binnen een verblijfsgebied. De reden hiervan is de wens geen afbreuk te doen aan het beginsel van de vrije indeelbaarheid. Niettemin zou zonder compensatie hiervoor de werkelijke, door de rook af te leggen afstand onaanvaardbaar groot kunnen worden. Daarom dient de berekende afstand te worden vermenigvuldigd met een factor anderhalf. Het derde lid is een zogenaamde vangnet-bepaling voor gevallen dat een verblijfsgebied zodanig in verblijfsruimten is ingedeeld, dat de werkelijke loopafstand toch nog onaanvaardbaar groot zou zijn. De toegelaten loopafstanden zijn gelijk aan de basisgrenswaarden voor verblijfsgebieden, maar de in een verblijfsruimte gemeten loopafstand hoeft niet met anderhalf te worden vermenigvuldigd. Het vierde, zesde en zevende lid bevatten een regeling voor het maximale hoogteverschil tussen vloeren in een rookcompartiment. Het vierde lid stelt het maximale hoogteverschil tussen een vloer van een verblijfsgebied en de toegang van het betrokken rookcompartiment op 4 m. Dit betekent praktisch gezien, dat een rookcompartiment niet meer dan twee verdiepingen kan omvatten. Het impliceert ook dat men bij het vluchten binnen een rookcompartiment in de regel van niet meer dan één trap gebruik hoeft te maken. Het zesde lid maakt het mogelijk dat in een rookcompartiment van een penitentiaire inrichting een vide mag worden gerealiseerd met een maximaal hoogteverschil tussen vloeren daarin van 12 m. Hiermee wordt voorkomen dat teveel gebruikers van het gebouw gelijktijdig aan rook, afkomstig van eenzelfde brandhaard, worden blootgesteld. Op grond van het zevende lid geldt voor een industriefunctie de eis van maximaal 4 m hoogteverschil niet in het geval de bouwlagen met elkaar in verbinding staan door middel van een vide van voldoende omvang. De in dit artikel gestelde maximum afstanden en hoogteverschillen zijn zodanig, dat ervan mag worden uitgegaan dat vluchtende personen in de regel in staat zullen zijn met ingehouden adem een uitgang van een rookcompartiment te bereiken.

Artikel 2.137

Het indelen van een gebouw in rookcompartimenten met het oog op het beperken van de verspreiding van rook heeft alleen zin wanneer de scheidingsconstructies van die rookcompartimenten met andere besloten ruimten een deugdelijke weerstand tegen rookdoorgang hebben. In dit artikel wordt een tijdsduur van ten minste 30 minuten gesteld, gedurende welke de rook niet in naburige besloten ruimten mag doordringen, bepaald volgens NEN 6075. Door de tekstuele aanpassing van artikel 2.137 (Stb. 2005, 1) is dit voorschrift niet meer onbedoeld strenger dan de eisen die in het kader van brandcompartimentering (afdeling 2.13) gelden. Een rookcompartiment ligt altijd binnen de begrenzing van een brandcompartiment. Onbedoeld waren eisen gesteld aan ruimten die buiten het brandcompartiment kunnen liggen.

Artikel 2.138

Openingen in de omhulling van een rookcompartiment zouden de met de eisen van het voorgaande artikel bereikte weerstand tegen branduitbreiding tenietdoen. Daarom bepaalt het eerste lid voor woningen dat er in die begrenzing slechts deuren, ramen, luiken e.d. mogen voorkomen, indien deze zelfsluitend zijn, wat neerkomt op het voorzien zijn van een dranger. Het gaat hier om de scheidingsconstructies tussen een brandcompartiment en besloten ruimten daarbuiten, en niet om scheidingsconstructies binnen een brandcompartiment. Omdat het derde lid van artikel 2.138 inhoudelijk gelijk was aan het eerste lid is het derde lid geschrapt (Stb. 2005, 1) . Het tweede lid is vervallen (Stb. 2005, 1) omdat het voorschrift betrekking had op een situatie die geen regeling behoeft. Een woning in een woongebouw moet een zelfstandig subbrandcompartiment zijn, doch behoeft geen afzonderlijk rookcompartiment te zijn. Een uitzondering op het eerste lid is daarom niet nodig.

§ 2.16.2 Bestaande bouw

Artikel 2.140

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.16.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt op te merken dat de minimale tijdsduur dat de begrenzing van een rookcompartiment weerstand moet bieden tegen rookdoorgang korter is dan die voor nieuwbouw. Deze eisen geven een ondergrens aan die voor de veiligheid van dat bestaande bouwwerk of onderdeel daarvan minimaal noodzakelijk is. In tabel 2.140 voor de bestaande bouw is de logiesfunctie (7) omwille van de consistentie afgestemd op tabel 2.134 voor nieuwbouw en om die reden nader opgesplitst (Stb. 2002, 203). In tabel 2.140 zijn bij artikel 2.144 twee artikelleden vervallen (Stb. 2005, 1).

Artikel 2.141

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.16.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt op te merken dat de minimale tijdsduur dat de begrenzing van een rookcompartiment weerstand moet bieden tegen rookdoorgang korter is dan die voor nieuwbouw. Deze eisen geven een ondergrens aan die voor de veiligheid van dat bestaande bouwwerk of onderdeel daarvan minimaal noodzakelijk is. In tabel 2.140 voor de bestaande bouw is de logiesfunctie (7) omwille van de consistentie afgestemd op tabel 2.134 voor nieuwbouw en om die reden nader opgesplitst (Stb. 2002, 203). In tabel 2.140 zijn bij artikel 2.144 twee artikelleden vervallen (Stb. 2005, 1).

Artikel 2.142

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.16.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt op te merken dat de minimale tijdsduur dat de begrenzing van een rookcompartiment weerstand moet bieden tegen rookdoorgang korter is dan die voor nieuwbouw. Deze eisen geven een ondergrens aan die voor de veiligheid van dat bestaande bouwwerk of onderdeel daarvan minimaal noodzakelijk is. In tabel 2.140 voor de bestaande bouw is de logiesfunctie (7) omwille van de consistentie afgestemd op tabel 2.134 voor nieuwbouw en om die reden nader opgesplitst (Stb. 2002, 203). In tabel 2.140 zijn bij artikel 2.144 twee artikelleden vervallen (Stb. 2005, 1).

Artikel 2.143

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.16.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt op te merken dat de minimale tijdsduur dat de begrenzing van een rookcompartiment weerstand moet bieden tegen rookdoorgang korter is dan die voor nieuwbouw. Deze eisen geven een ondergrens aan die voor de veiligheid van dat bestaande bouwwerk of onderdeel daarvan minimaal noodzakelijk is. In tabel 2.140 voor de bestaande bouw is de logiesfunctie (7) omwille van de consistentie afgestemd op tabel 2.134 voor nieuwbouw en om die reden nader opgesplitst (Stb. 2002, 203). In tabel 2.140 zijn bij artikel 2.144 twee artikelleden vervallen (Stb. 2005, 1).

Artikel 2.144

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.16.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt op te merken dat de minimale tijdsduur dat de begrenzing van een rookcompartiment weerstand moet bieden tegen rookdoorgang korter is dan die voor nieuwbouw. Deze eisen geven een ondergrens aan die voor de veiligheid van dat bestaande bouwwerk of onderdeel daarvan minimaal noodzakelijk is. In tabel 2.140 voor de bestaande bouw is de logiesfunctie (7) omwille van de consistentie afgestemd op tabel 2.134 voor nieuwbouw en om die reden nader opgesplitst (Stb. 2002, 203). In tabel 2.140 zijn bij artikel 2.144 twee artikelleden vervallen (Stb. 2005, 1).

Afdeling 2.17 Vluchten binnen een rookcompartiment en een subbrandcompartiment

§ 2.17.1 Nieuwbouw

Artikel 2.145

Het eerste lid geeft de functionele eis met betrekking tot het vluchten binnen een rookcompartiment en een subbrandcompartiment voor nieuwbouw.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.146 bevat eisen aan de inrichting van een (sub)brandcompartiment in relatie met de daarin gelegen verblijfsruimten, onder meer betreffende loopafstand en aantal en ligging van toegangen (verblijfsgebied en -ruimte);
2.artikel 2.147 bevat eisen aan de toegangen van een subbrandcompartiment (subbrandcompartiment);
3.artikel 2.148 bevat eisen aan de inrichting van een rookcompartiment, onder meer betreffende de vrije doorgang van toegangen en de draairichting van deuren (rookcompartiment), en
4.artikel 2.149 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).

Voor een enkele gebruiksfunctie wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan. In tabel 2.145.1 is de aansturing van het eerste en tweede lid van artikel 2.146 voor gebruiksfunctie 1c geschrapt, omdat een niet in een woongebouw gelegen woning geen gemeenschappelijk verblijfsgebied of gemeenschappelijke verblijfsruimte heeft (Stb. 2002, 203). Het zesde lid van artikel 2.146 is ook aangewezen voor de gebruiksfuncties 7a en 7b. Deze bepaling, afkomstig uit artikel 7.6.7 (fase 2), was ten onrechte niet in het geconverteerde Bouwbesluit opgenomen (Stb. 2002, 203). Voorts is de eis van artikel 2.146, dertiende lid, voor subgebruiksfunctie 4b geschrapt, omdat deze 'andere gezondheidszorgfunctie' volgens afdeling 2.14 geen subbrandcompartimenten kent en is een zestiende lid aan artikel 2.146 toegevoegd. Tot slot zijn de grenswaarden van het achtste lid van artikel 2.146 aangepast, waarmee de rekenwaarden gelijk zijn aan de bestaande praktijk van de Algemene Regelen voor Ontvluchting en Redding (AROR). De achtergrond van deze rekenwaarden is 90 personen bij 1 m breedte (Stb. 2002, 203).

In tabel 2.145.2 zijn artikel 2.147, eerste en tweede lid, ook op de gebruiksfuncties 3, 4a en 7b van toepassing verklaard (Stb. 2002, 203).

In tabel 2.145.2, vluchten binnen een rookcompartiment en een subbrandcompartiment, nieuwbouw is voor wat betreft de aansturing van artikel 2.147, tweede lid, als gevolg van de wijziging in Staatsblad 2005, 1, ten onrechte een onderscheid ontstaan tussen de gebruiksfuncties 1d en 1e (woonfunctie in een woongebouw met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 500 m2 respectievelijk meer dan 500 m2. Omdat dit onderscheid niet nodig is, zijn in de tabel de functies 1d en 1e nu samengevoegd (Stb 2005, 528). Verder ontbrak in de tabel bij functie 2b, de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar, de 24 uursopvang. Dit is gecorrigeerd (Stb 2005, 528).

In de aansturing van artikel 2.147 is een tweetal onjuistheden hersteld (Stb. 2005, 1). Voor de celfunctie, gezondheidszorgfunctie en logiesfunctie betekent dit dat de werking zich nu ook uitstrekt tot subbrandcompartimenten waarin zich geen gemeenschappelijke ruimte bevindt, zoals een celruimte, een ziekenzaal of een hotelkamer. Voorts is in deze tabel ook de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd. In een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar en in een voor 24-uurs opvang kan worden geslapen. Daarom zijn, zoals geregeld in artikel 2.148, tweede lid, ten minste twee toegangen voor het rookcompartiment verplicht gesteld indien de omvang van dat compartiment 75 m2 of meer bedraagt. De eisen voor kinderopvang voor kinderen van basisschoolleeftijd (buitenschoolse opvang) zijn gelijkgesteld aan de eisen voor de onderwijsfunctie. Voor de woonfuncties 1d en 1e is de grenswaarde van artikel 2.148, tweede lid, gewijzigd van 500 m2 in 800 m2 (Stb. 2005, 1). Het gaat in beide gevallen om een woonfunctie in een woongebouw. Deze wijziging maakt het mogelijk om bij een traditionele portiekoplossing met één toegang te kunnen volstaan (bij een woongebouw als bedoeld in artikel 2.157, vijfde lid).

Artikel 2.146

Het doel van dit artikel is te waarborgen, dat er voor het geval van brand veilige mogelijkheden zijn om vanuit een verblijfsgebied of verblijfsruimte het betrokken rookcompartiment binnen één minuut te verlaten. Het gaat hier dus om het bereiken van het beginpunt van een of meer rookvrije vluchtroutes. Op de rookvrije vluchtroute zelf, dat wil zeggen vanaf de toegang van het rookcompartiment naar het aansluitende terrein of eventueel een ander brandcompartiment, hebben de paragrafen 2.18.1 - Rookvrije vluchtroutes - en 2.19.1 - Inrichting van rookvrije vluchtroutes - betrekking. Het eerste lid regelt de maximum loopafstand tussen een punt in een verblijfsgebied van een woning en een toegang van het subbrandcompartiment waarin dat verblijfsgebied ligt. Bij het bepalen van de loopafstand mogen binnen het verblijfsgebied niet-dragende constructie-onderdelen, zoals bijvoorbeeld gipswanden, buiten beschouwing worden gelaten. Hierdoor blijft de mogelijkheid in het bouwplan een of meer niet-ingedeelde verblijfsgebieden op te nemen, onaangetast. Ter compensatie van de aldus beperkte in rekening te brengen loopafstand moet deze binnen een verblijfsgebied met anderhalf worden vermenigvuldigd. In het zesde lid is een grens gesteld aan de afstand tussen een uitgang van een in een woning gelegen verblijfsruimte en een uitgang van het betrokken brandcompartiment of subbrandcompartiment. Dit kan ertoe leiden dat een grote woning nader moet worden ingedeeld in subbrandcompartimenten. Een veel voorkomende situatie in een woning is dat men om vanuit een bepaalde kamer of de keuken een rookvrije vluchtroute of het aansluitende terrein te bereiken een besloten ruimte moet passeren. Het zevende lid vereist de aanwezigheid van een niet-ioniserende rookmelder voor die tussenliggende besloten ruimten, zoals bijvoorbeeld een andere kamer, toiletruimte of gang in de woning. De rookmelder dient te zijn aangesloten op het lichtnet. Onderzoek heeft uitgewezen dat een optische rookmelder bij smeulbranden - het type brand waarbij in woningen verreweg de meeste slachtoffers zijn te betreuren - beter en sneller reageert dan de ioniserende rookmelder. Bovendien zal naar verwachting de ioniserende rookmelder voor toepassing in de nieuwbouw vanaf 1 januari 2002, op grond van de ministeriële regeling Rechtvaardiging van Handelingen en werkzaamheden behorende bij het besluit Stralingsbescherming, niet langer zijn toegestaan. Onder een niet-ioniserende rookmelder is over het algemeen een optische rookmelder begrepen. De eis van het achtste lid is erop gericht dat de aanwezige mensen voldoende snel de in een rookcompartiment gelegen ruimten kunnen verlaten. Deze eis regelt dat de uitgangen voldoende breed moeten zijn of in voldoende mate aanwezig. Met de aanpassing van artikel 2.146, achtste lid (Stb. 2005, 1), is de breedte van een nooddeur gelijkgesteld aan de in artikel 4.11 opgenomen vrije doorgang van 0,85 m. Met een vrije doorgang van 0,85 m in plaats van 0,6 m kan er ook door mensen met een functiebeperking sneller worden gevlucht. De doorstroomsnelheid is bij een bredere nooddeur aanzienlijk groter en dientengevolge het risico op een opstopping aanzienlijk kleiner. Wanneer er bij vluchten veel mensen op dezelfde uitgang zijn aangewezen is de kans reëel dat er bij die deur een opstopping ontstaat als hij naar binnen toe draaiend moet worden geopend. Om dit te voorkomen houdt het negende lid in dat deuren van een verblijfsgebied en een verblijfsruimte niet tegen de vluchtrichting in mogen draaien, wanneer de vloeroppervlakte groter is dan voor de betrokken bezettingsgraadklasse is aangegeven in de tabel. In dit verband wordt een draaideur aangemerkt als een deur die tegen de vluchtrichting indraait. Schuifdeuren zijn daarentegen in deze situatie wel toegestaan. Het voorschrift in het negende lid is als gevolg van de afstemming van het Bouwbesluit 2003 met het Arbeidsomstandighedenbesluit aangevuld (Stb. 2005, 1) met de voorwaarde dat een nooddeur geen schuifdeur mag zijn. Opslag van of werken met voor de gezondheid gevaarlijke stoffen heeft met name betrekking op giftige en zeer giftige stoffen. Bij het ongewild vrijkomen van die stoffen moet de ruimte onmiddellijk kunnen worden verlaten, om blootstelling aan die stoffen zo gering mogelijk te doen zijn. In het elfde lid is daarom voor dit soort ruimten voorgeschreven dat de afstand tot de uitgang van de ruimte nergens meer dan 20 meter mag bedragen. Met de tekstuele wijziging in het elfde lid is zeker gesteld dat voor de gezondheid schadelijke stoffen ook bij ministeriële regeling kunnen worden aangewezen (Stb. 2002, 516). Het twaalfde lid heeft als algemene regel dat een toegang van een verblijfsruimte aansluit op een verkeersruimte. Hiervan mag worden afgeweken op voorwaarde dat men vanuit een verblijfsruimte door slechts één andere verblijfsruimte behoeft te gaan om in een zo-even bedoelde verkeersruimte te komen. Bovendien moet die andere verblijfsruimte twee of meer uitgangen hebben die ten minste 5 m van elkaar liggen. Voorbeelden van zo'n situatie zijn een directiekamer die men alleen via het secretariaat kan verlaten en een kantoorfunctie binnen een industriefunctie die alleen via het laatste kan worden ontvlucht. Het twaalfde lid van artikel 2.146 is redactioneel aangepast omdat een verkeersruimte overeenkomstig de definitie in artikel 1.1 niet door een verblijfsgebied voert (Stb. 2002, 203). Het voorschrift zou anders problemen kunnen opleveren bij bijvoorbeeld de transformatie van een kantoortuin met een looppad (deel van verblijfsgebied) naar een kantoor met gescheiden werkkamers met een middengang. Deze nieuwe gang kan namelijk geen 'verkeersruimte' in de zin van het geconverteerde Bouwbesluit zijn zolang het oorspronkelijke looppad bestempeld is als (een deel van een) verblijfsgebied. In die situatie is het looppad een verkeersroute en dat blijft ook de daarna ontstane middengang. Omgekeerd geldt dat een ruimte geen verkeersruimte is als er geen verkeersroute doorloopt.

Uit het veertiende lid vloeit voort dat een uitgang in het kader van deze eisen pas meetelt wanneer deze op niet minder dan 5 m afstand van een andere uitgang ligt. In het vijftiende lid is zeker gesteld dat een ziekenhuisbed met toebehoren kan worden geëvacueerd. De maten van het blok zijn afgestemd op een regulier ziekenhuisbed met toebehoren. De redactie van het vijftiende lid gaf de bedoeling van het voorschrift, namelijk dat aan bed gebonden patiënten snel en zonder obstakels met bed en al van het ene naar het andere brandcompartiment moeten kunnen worden verplaatst, onvoldoende weer. Het genoemde blok symboliseert de afmetingen van een ziekenhuisbed. Met de wijziging is ook de hoogte van dat blok teruggebracht tot 1,2 m, wat overeenkomt met de hoogte van zo'n doorsnee bed (Stb. 2002, 203). Artikel 2.146, zestiende lid, is gebaseerd op artikel 188, vierde lid, van fase 2 (Stb. 1998, 618) en is van toepassing op de utiliteitsbouw (Stb. 2002, 203). Dit voorschrift was ten onrechte niet geconverteerd.

Artikel 2.147

Dit artikel is gericht op het veilig kunnen verlaten van een subbrandcompartiment, zoals bijvoorbeeld een appartement in een woongebouw of een verpleegkamer in een ziekenhuis. In de aansturing van artikel 2.147 is een tweetal onjuistheden hersteld (Stb. 2005, 1). Voor de celfunctie, gezondheidszorgfunctie en logiesfunctie betekent dit dat de werking zich nu ook uitstrekt tot subbrandcompartimenten waarin zich geen gemeenschappelijke ruimte bevindt, zoals een celruimte, een ziekenzaal of een hotelkamer. De toegang van zo'n subbrandcompartiment moet krachtens het eerste lid aansluiten op een verkeersruimte die voert naar een uitgang van het betrokken rookcompartiment. Om te voorkomen dat deze wijziging voor de woonfunctie tot een onbedoelde inhoudelijke wijziging leidt, is in het tweede lid voor de woonfunctie bepaald (Stb. 2005, 1), dat het eerste lid uitsluitend betrekking heeft op een subbrandcompartiment met een gemeenschappelijk verblijfsgebied of een gemeenschappelijke verblijfsruimte. De voormalige eis van het tweede lid was overbodig. Voor de betreffende gebruiksfuncties is een subbrandcompartiment met een oppervlakte groter dan 500 m2 namelijk niet toegelaten (zie de artikelen 2.105, tiende lid, en 2.117, derde lid).

Artikel 2.148

Terwijl de voorgaande artikelen voorschriften bevatten met betrekking tot verblijfsruimten en subbrandcompartimenten binnen een rookcompartiment, houdt het onderhavige artikel eisen in op het niveau van het rookcompartiment zelf. Het eerste lid betekent dat een open haard niet dichtbij een trap mag liggen. De bedoeling hiervan is dat bij het ontstaan van brand door bijvoorbeeld oververhitting van de haard, het vluchten over de trap niet wordt belemmerd of onmogelijk gemaakt. De eis van het derde lid is erop gericht dat de aanwezige mensen voldoende snel het rookcompartiment kunnen verlaten. De gesommeerde eis betekent dat de uitgangen voldoende breed moeten zijn of in voldoende mate aanwezig. Ook ten aanzien van het vluchten uit een rookcompartiment geldt dat de kans reëel is dat er een opstopping ontstaat, wanneer er veel mensen op dezelfde uitgang zijn aangewezen. Om dit te voorkomen houdt het vierde lid in dat een toegangsdeur van een rookcompartiment niet tegen de vluchtrichting in mag draaien, wanneer de vloeroppervlakte groter is dan voor de betrokken bezettingsgraadklasse in de tabel is aangegeven. Ook in verband met deze eis moet een draaideur worden aangemerkt als een deur die tegen de vluchtrichting indraait. Schuifdeuren zijn daarentegen in deze situatie wel toegestaan.

Op grond van het vijfde lid geldt hetzelfde verbod van tegen de vluchtrichting indraaien van een deur van een rookcompartiment nog voor een andere situatie. Dit is het geval, wanneer er binnen dat rookcompartiment een deur van een verblijfsgebied of verblijfsruimte krachtens artikel 2.146, negende lid, niet tegen de vluchtrichting mag indraaien. Zie voor de aanpassing van artikel 2.148, derde, vierde en vijfde lid (Stb. 2005, 1), de nieuwe toelichting op onderdeel 2.146, achtste en negende lid.

Het zesde lid bevat een eis aan de maximale lengte die mensen mogen afleggen over een verkeersroute die binnen een rookcompartiment van een gezondheidszorg- of kantoorfunctie ligt. De voorgeschreven maximale lengte is ontleend aan de vroegere Algemene Richtlijnen Ontvluchting en Redding (AROR), die behoorden bij de Model-brandbeveiligingsverordening. Aan artikel 2.148 is een zevende lid toegevoegd (Stb. 2005, 1). Het is namelijk noodzakelijk dat er, indien ten minste twee deuren voorgeschreven worden, tussen de deuren een onderlinge afstand van 5 m wordt aangehouden. Pal naast elkaar liggende deuren functioneren uit het oogpunt van brandveiligheid als één deur. Zij kunnen bij een brand nabij een van die deuren vrijwel tegelijk door vuur, hitte of rook geblokkeerd raken.

§ 2.17.2 Bestaande bouw

Artikel 2.150

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.17.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat de functionele eis bij bestaande bouw iets lichter is. Er worden alleen eisen gesteld aan het veilig kunnen verlaten van het bouwwerk en niet aan de snelheid van het verlaten. Ten onrechte werd in tabel 2.150 het eerste lid van artikel 2.152 aangestuurd voor een niet in een logiesgebouw gelegen logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1000 m2. Dit is aangepast ( Stb . 2002, 203). Voorts is in de tabel het nieuwe zesde lid van artikel 2.152 opgenomen, dat wordt aangestuurd voor de utiliteitsbouw, met uitzondering van de industriefunctie (5) waarvoor het vijfde lid geldt (Stb. 2002, 203).

In tabel 2.150, vluchten binnen een rookcompartiment en een subbrandcompartiment, bestaande bouw, is de grenswaarde voor functie 1a (woonfunctie gelegen in een woongebouw) gewijzigd in 800 m2. Deze waarde is daarmee (Stb. 2005, 528) in overeenstemming gebracht met geldende grenswaarde (artikel 2.148, tweede lid).

Het vierde lid van artikel 2.151 en het derde en vierde lid van artikel 2.152 zijn als gevolg van de afstemming van het Bouwbesluit 2003 met het Arbeidsomstandighedenbesluit aangevuld met de voorwaarde dat een nooddeur geen schuifdeur mag zijn (Stb. 2005, 1). Voor een nooddeur, niet bedoeld voor het betreden van een ruimte, maar uitsluitend voor het ontvluchten in geval van een calamiteit, is het gebruik van een schuifdeur volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit namelijk niet toegestaan. Met de tekstuele wijziging in het vijfde lid van artikel 2.151 is zeker gesteld dat voor de gezondheid schadelijke stoffen ook bij ministeriële regeling kunnen worden aangewezen ( Stb. 2002, 516). Zie voor de toelichting op de wijziging van het zesde lid van artikel 2.151 de toelichting op artikel 2.146 vijftiende lid (Stb. 2002, 203). Het nieuwe zesde lid van artikel 2.152 was, evenals het overeenkomstige nieuwbouwvoorschrift van artikel 2.146, zestiende lid, ten onrechte bij de conversie buiten beschouwing gelaten. Het regelt de maximale loopafstand tussen de toegangen van een rookcompartiment en de toegang van een verblijfsruimte die in dat rookcompartiment ligt. Dit voorschrift is gebaseerd op artikel 302, tweede lid, onder b, van fase 2 (Stb. 1998, 618) en is, met uitzondering van de industriefunctie, van toepassing op de utiliteitsbouw ( Stb. 2002, 203).

Artikel 2.151

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.17.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat de functionele eis bij bestaande bouw iets lichter is. Er worden alleen eisen gesteld aan het veilig kunnen verlaten van het bouwwerk en niet aan de snelheid van het verlaten. Ten onrechte werd in tabel 2.150 het eerste lid van artikel 2.152 aangestuurd voor een niet in een logiesgebouw gelegen logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1000 m2. Dit is aangepast (Stb. 2002, 203). Voorts is in de tabel het nieuwe zesde lid van artikel 2.152 opgenomen, dat wordt aangestuurd voor de utiliteitsbouw, met uitzondering van de industriefunctie (5) waarvoor het vijfde lid geldt (Stb. 2002, 203).

In tabel 2.150, vluchten binnen een rookcompartiment en een subbrandcompartiment, bestaande bouw, is de grenswaarde voor functie 1a (woonfunctie gelegen in een woongebouw) gewijzigd in 800 m2. Deze waarde is daarmee (Stb. 2005, 528) in overeenstemming gebracht met geldende grenswaarde (artikel 2.148, tweede lid).

Het vierde lid van artikel 2.151 en het derde en vierde lid van artikel 2.152 zijn als gevolg van de afstemming van het Bouwbesluit 2003 met het Arbeidsomstandighedenbesluit aangevuld met de voorwaarde dat een nooddeur geen schuifdeur mag zijn (Stb. 2005, 1). Voor een nooddeur, niet bedoeld voor het betreden van een ruimte, maar uitsluitend voor het ontvluchten in geval van een calamiteit, is het gebruik van een schuifdeur volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit namelijk niet toegestaan. Met de tekstuele wijziging in het vijfde lid van artikel 2.151 is zeker gesteld dat voor de gezondheid schadelijke stoffen ook bij ministeriële regeling kunnen worden aangewezen ( Stb. 2002, 516). Zie voor de toelichting op de wijziging van het zesde lid van artikel 2.151 de toelichting op artikel 2.146 vijftiende lid (Stb. 2002, 203). Het nieuwe zesde lid van artikel 2.152 was, evenals het overeenkomstige nieuwbouwvoorschrift van artikel 2.146, zestiende lid, ten onrechte bij de conversie buiten beschouwing gelaten. Het regelt de maximale loopafstand tussen de toegangen van een rookcompartiment en de toegang van een verblijfsruimte die in dat rookcompartiment ligt. Dit voorschrift is gebaseerd op artikel 302, tweede lid, onder b, van fase 2 (Stb. 1998, 618) en is, met uitzondering van de industriefunctie, van toepassing op de utiliteitsbouw ( Stb. 2002, 203).

Artikel 2.152

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.17.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat de functionele eis bij bestaande bouw iets lichter is. Er worden alleen eisen gesteld aan het veilig kunnen verlaten van het bouwwerk en niet aan de snelheid van het verlaten. Ten onrechte werd in tabel 2.150 het eerste lid van artikel 2.152 aangestuurd voor een niet in een logiesgebouw gelegen logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1000 m2. Dit is aangepast (Stb. 2002, 203). Voorts is in de tabel het nieuwe zesde lid van artikel 2.152 opgenomen, dat wordt aangestuurd voor de utiliteitsbouw, met uitzondering van de industriefunctie (5) waarvoor het vijfde lid geldt (Stb. 2002, 203).

In tabel 2.150, vluchten binnen een rookcompartiment en een subbrandcompartiment, bestaande bouw, is de grenswaarde voor functie 1a (woonfunctie gelegen in een woongebouw) gewijzigd in 800 m2. Deze waarde is daarmee (Stb. 2005, 528) in overeenstemming gebracht met geldende grenswaarde (artikel 2.148, tweede lid).

Het vierde lid van artikel 2.151 en het derde en vierde lid van artikel 2.152 zijn als gevolg van de afstemming van het Bouwbesluit 2003 met het Arbeidsomstandighedenbesluit aangevuld met de voorwaarde dat een nooddeur geen schuifdeur mag zijn (Stb. 2005, 1). Voor een nooddeur, niet bedoeld voor het betreden van een ruimte, maar uitsluitend voor het ontvluchten in geval van een calamiteit, is het gebruik van een schuifdeur volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit namelijk niet toegestaan. Met de tekstuele wijziging in het vijfde lid van artikel 2.151 is zeker gesteld dat voor de gezondheid schadelijke stoffen ook bij ministeriële regeling kunnen worden aangewezen ( Stb. 2002, 516). Zie voor de toelichting op de wijziging van het zesde lid van artikel 2.151 de toelichting op artikel 2.146 vijftiende lid (Stb. 2002, 203). Het nieuwe zesde lid van artikel 2.152 was, evenals het overeenkomstige nieuwbouwvoorschrift van artikel 2.146, zestiende lid, ten onrechte bij de conversie buiten beschouwing gelaten. Het regelt de maximale loopafstand tussen de toegangen van een rookcompartiment en de toegang van een verblijfsruimte die in dat rookcompartiment ligt. Dit voorschrift is gebaseerd op artikel 302, tweede lid, onder b, van fase 2 (Stb. 1998, 618) en is, met uitzondering van de industriefunctie, van toepassing op de utiliteitsbouw ( Stb. 2002, 203).

Afdeling 2.18 Vluchtroutes

§ 2.18.1 Nieuwbouw

Artikel 2.153

Het eerste lid geeft de functionele eis voor rookvrije vluchtroutes voor nieuwbouw.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.154 geeft aan wat het eindpunt is van een rookvrije vluchtroute (veilige plaats);
2.artikel 2.155 bevat een functionele eis aan rookvrije vluchtroutes van bouwwerken die geen gebouw zijn (algemeen);
3.artikel 2.156 betreft rookvrije vluchtroutes vanuit een rookcompartiment (rookcompartiment);
4.artikel 2.157 bevat soortgelijke eisen aan rookvrije vluchtroutes vanuit een subbrandcompartiment (subbrandcompartiment);
5.artikel 2.158 geeft aan wanneer een vluchttrappenhuis aan de eisen voor een brand- en rookvrije vluchtroute moet voldoen (vluchttrappenhuis);
6.artikel 2.159 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijk bouwwerk).

Voor een enkel onderdeel van een gebruiksfunctie wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan. De wijziging (Stb. 2002, 203) van tabel 2.153 vloeit voort uit het vervallen van artikel 2.156, eerste lid. Zie de toelichting op artikel 2.156. In tabel 2.153 (Stb. 2005, 1) is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd. Voor kinderopvang van kinderen jonger dan 4 jaar is de grenswaarde van artikel 2.156, zevende lid, de lengte waarover twee vluchtroutes mogen samenvallen op 5 m gesteld. Dit heeft tot gevolg dat beperkingen zijn gesteld aan de mogelijkheid brand- en rookvrije vluchtroutes te maken die beginnen aan het uiteinde van een (doodlopende) gang. In zo'n geval kan dus maar een kant op worden gevlucht. Voor een volledige ontruiming zal het personeel in het algemeen meer dan één keer heen en weer moeten lopen met niet-zelfredzame kinderen. Er is dus van uit gegaan dat kinderen jonger dan 4 jaar naar buiten moeten worden gedragen. Als er slechts sprake is van een enkele (samenvallende) vluchtroute, dan is bij een loopafstand van meer dan 5 m het risico te groot, dat deze voordat de evacuatie is voltooid door brand of rook wordt geblokkeerd. Een dergelijke enkele vluchtroute staat ook wel bekend als een doodlopende gang. De eisen voor de opvang voor kinderen van basisschoolleeftijd zijn gelijkgesteld aan de eisen voor de onderwijsfunctie. Ook is bij artikel 2.156, zesde lid, de grenswaarde voor de bezettingsgraadklasse B5 bij een 'ander rookcompartiment' van een gezondheidszorgfunctie (in tabel 2.153, functies 4a2 en 4b2) gewijzigd van 1800 in n.t. (niet toegestaan). Het Arbeidsomstandighedenbesluit staat bezettingsgraadklasse B5 hier namelijk niet toe. Omwille van de veiligheid van het publiek gelden de voorschriften voor vluchtroutes, inclusief een vluchttrappenhuis, nu ook voor grote parkeergarages. Daartoe is in de tabel de 'overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen' (functie 11b) opgenomen, waarvoor dezelfde artikelen worden aangestuurd als voor de 'overige gebruiksfunctie voor personenvervoer' (functie 11a). Aan artikel 2.156 is een nieuw elfde lid toegevoegd en aangestuurd voor alle gebruiksfuncties waarvoor artikel 2.155 en het eerste lid van artikel 2.156 reeds waren aangestuurd. Omdat nu is aangegeven dat een vluchtroute gemeenschappelijk mag zijn, kunnen verschillende gebruiksfuncties van dezelfde vluchtroute gebruik maken.

In tabel 2.153 is de aansturing van artikel 2.156, vierde lid, gewijzigd (Stb. 2005, 528). Voortaan geldt dit artikel voor bijna alle gebruiksfuncties. In de bij Staatsblad 2005, 1 vanwege de invoering van de gebruiksfunctievoor kinderopvang gewijzigde tabel was dit vierde lid ten onrechte slechts voor de andere woonfunctie aangestuurd. De aansturing is na inwerkingtreding van de onderhavige wijziging weer zoals deze was (het voorschrift stond toen nog in artikel 2.156, eerste lid). In een incidenteel geval is het niet uit te sluiten dat in de periode tussen 1 september 2005 en de inwerkingtreding van dit besluit nodig is bij de aanvraag van een bouwvergunning op deze wijziging te anticiperen. Voorts is in de tabel artikel 2.156, elfde lid, voortaan ook voor de functie bouwwerk geen gebouw zijnde aangestuurd (Stb. 2005, 528, Stb. 2006, 257)..

Aan artikel 2.157 is een nieuw zesde lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat net als de andere leden van dat artikel is aangestuurd voor een 'andere woonfunctie'.

Artikel 2.154

Het voor de hand liggende einddoel van een rookvrije vluchtroute is het aansluitende terrein. Het eerste lid waarborgt dat men dit kan bereiken zonder het risico te lopen in zijn vlucht te worden gestuit door een op slot zijnde deur. Voor penitentiaire inrichtingen is het echter niet de bedoeling dat ongehinderd het aansluitende terrein kan worden bereikt. Daarom dient krachtens het tweede en het derde lid een rookvrije vluchtroute in een gevangenis niet verder te leiden dan naar een ander brandcompartiment. Gelet op de personele capaciteit die in een gevangenis beschikbaar is, kan daar met organisatorische voorzieningen een gelijkwaardige veiligheid worden geboden als bij een rechtstreekse rookvrije vluchtroute naar het aansluitende terrein. De redactionele aanpassing van het tweede lid van artikel 2.154 is het gevolg van de introductie van het begrip 'nevenfunctie'. Een penitentiaire inrichting bevat behalve celfuncties ook andere gebruiksfuncties. Deze gebruiksfuncties zijn nevenfuncties van de celfuncties. In geval van brand moeten de gedetineerden vanuit die nevenfuncties naar een ander brandcompartiment kunnen vluchten. Het is aan de aanvrager van een bouwvergunning om aan te geven welke nevenfuncties het bouwwerk zal bevatten. Een kantoor voor de administratie van de inrichting hoeft bijvoorbeeld geen nevenfunctie van de celfunctie te zijn, waardoor het kantoorpersoneel bij brand wel rechtstreeks naar het aansluitende terrein kan vluchten (Stb. 2002, 203).

Artikel 2.155

Dit artikel bevat een functionele eis voor de vluchtroutes van bouwwerken die geen gebouw zijn. De reden hiervan is de zeer uiteenlopende aard van deze bouwwerken, zoals bijvoorbeeld open tribunes en bruggen. Hierdoor moeten de uitvoerende organen een zekere beleidsruimte hebben om passende eisen te kunnen stellen voor concrete situaties. Als algemeen uitgangspunt geldt, dat er in twee richtingen moet kunnen worden gevlucht om het bij het bouwwerk aansluitende terrein te kunnen bereiken.

Artikel 2.156

Dit artikel heeft als doel te waarborgen dat er vanuit een rookcompartiment veilige vluchtmogelijkheden zijn voor het geval van brand. Deze rookvrije vluchtroutes beginnen bij de toegang van een rookcompartiment. De aanpassing van artikel 2.156 (het vervallen van het eerste lid, met vernummering van de volgende leden) houdt in dat voor woningen en woongebouwen ook slechts rookvrije vluchtroutes zijn vereist, in plaats van brand- en rookvrije vluchtroutes. Met deze wijziging zijn deze voorschriften identiek aan die in het Bouwbesluit uit 1991 en in fase 2 (Stb. 2002, 203). Het eerste lid bevat de hoofdregel, namelijk dat er vanaf de toegang van een rookcompartiment moet kunnen worden gevlucht via twee verschillende rookvrije vluchtroutes, zodat er altijd nog één overblijft als de andere versperd is. Dit houdt in dat de gebruikers van het gebouw vanaf die toegang in twee richtingen moeten kunnen vluchten. De eis van twee vluchtroutes geldt volgens het eerste lid evenmin voor een klein rookcompartiment - met een gebruiksoppervlakte tot en met 250 m2 -, waarin geen verblijfsruimte ligt. Het gaat hierbij dus om rookcompartimenten waarin gewoonlijk slechts af en toe enkele personen aanwezig zullen zijn. Met de wijzigingen (Stb. 2005, 1) van het eerste en vierde lid van artikel 2.156 zijn deze leden op elkaar afgestemd. Het vierde lid was alleen gericht op een technische ruimte en geeft nu expliciet aan dat elk rookcompartiment waarin geen mensen verblijven, waaronder een technische ruimte, tot een gebruiksoppervlakte van 250 m2 geen rookvrije vluchtroute behoeft te hebben. Het tweede lid geeft voor het eerste lid de mogelijkheid om onder bepaalde condities slechts een vluchtroute te realiseren. Het derde tot en met het zevende lid bevatten verdere uitzonderingen op de hoofdregel van het eerste lid. Doordat zij niet meer dan een vluchtroute vereisen, maken zij het - voor bepaalde situaties - mogelijk dat er 'doodlopende einden' in een gebouw voorkomen. Zo'n doodlopend eind is namelijk toegestaan indien dit ligt aan het aansluitende terrein of aan een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert. De uitzondering van het derde lid betreft het geval dat de vluchtroute door een veiligheidstrappenhuis voert, wat wil zeggen dat het trappenhuis in de vluchtrichting uitsluitend kan worden bereikt vanuit een niet-besloten ruimte. De uitzonderingen van het vierde en vijfde lid zijn afhankelijk van de hoeveelheid gebruiksoppervlakte die is aangewezen op de vluchtroute. In het vierde lid gaat het om een 'eenvoudige' rookvrije vluchtroute, in het vijfde lid om een brand- en rookvrije vluchtroute, die aan zwaardere eisen moet voldoen dan de 'eenvoudige' rookvrije vluchtroute. Daarom is de maximale hoeveelheid gebruiksoppervlakte die op een brand- en rookvrije vluchtroute mag zijn aangewezen aanzienlijk groter dan bij de rookvrije vluchtroute het geval is. Voorts is nu (Stb. 2005, 1) in het negende lid recht gedaan aan de voorwaarde dat ook bij grotere hoogteverschillen in een veiligheidstrappenhuis van een logiesfunctie de brandveiligheid in voldoende mate moet zijn gewaarborgd. Bij een hotel met meerdere bouwlagen mag een zogenoemde doodlopende gang naar een hotelkamer slechts een beperkte lengte hebben. De eis van het tiende lid geldt uitsluitend voor gedeelten van gezondheidszorgfuncties die zijn bestemd voor bedlegerige patiënten. Deze gebouwen moeten een bijzondere rookvrije vluchtroute hebben, waardoor de patiënten kunnen worden geëvacueerd. De rookvrije vluchtroute moet van de toegang van het rookcompartiment leiden naar een ander brandcompartiment, zodanig dat men geen gebruik behoeft te maken van een trap of een lift. De aanpassing van het tiende lid is een wetstechnische wijziging. In de definitie 'rookvrije vluchtroute' is reeds geregeld dat de vluchtroute niet door een lift mag voeren (Stb. 2002, 516). In het nieuwe elfde lid (Stb. 2005, 1) is aangegeven dat een rookvrije en brand- en rookvrije vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn. Zonder deze toevoeging zou, overeenkomstig het uitgangspunt dat een voorziening alleen gemeenschappelijk mag zijn wanneer dat expliciet in het Bouwbesluit 2003 is aangegeven, een vluchtroute niet gemeenschappelijk mogen zijn.

Artikel 2.157

Dit artikel is soortgelijk aan het voorgaande, het heeft echter betrekking op rookvrije vluchtroutes vanuit subbrandcompartimenten. Ook voor deze subbrandcompartimenten geldt als hoofdregel dat er vanaf de toegang moet kunnen worden gevlucht via twee verschillende rookvrije vluchtroutes. Aan artikel 2.157, eerste lid, is de tekst "behalve bij de toegang" toegevoegd (Stb. 2005, 1). Daarmee is het voorschrift in overeenstemming gebracht met andere soortgelijke voorschriften over de aanwezigheid van onafhankelijke vluchtroutes. Twee onafhankelijke vluchtroutes behoeven ter plaatse van de toegang niet met een brandwerende deur van elkaar gescheiden te worden. Het tweede en derde lid bevatten uitzonderingen op de hoofdregel van de aanwezigheid van onafhankelijke vluchtroutes, die inhouden dat als er aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, de toegang van het subbrandcompartiment mag liggen aan een ruimte waardoor slechts één rookvrije vluchtroute voert. Deze voorwaarden hebben betrekking op de indeling van subbrandcompartimenten en rookvrije vluchtroutes. Het vierde en het vijfde lid houden verzachtende uitzonderingen in op de bedoelde voorwaarden. Zo zijn krachtens het vijfde lid 'doodlopende einden' toegestaan in bijvoorbeeld het portiek van een appartementengebouw. Aan artikel 2.157 is, net als in artikel 2.156 (elfde lid), een nieuw (in dit geval zesde) lid toegevoegd (Stb. 2005, 1). Daarmee is expliciet aangegeven dat een rookvrije en brand- en rookvrije vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute kan zijn.

Artikel 2.158

Trappenhuizen in hogere gebouwen die een mogelijkheid tot vluchten bieden, moeten zodanig zijn dat zij voldoende bescherming bieden tijdens het vluchten. Dit artikel bepaalt daarom dat zo'n trappenhuis moet worden beschouwd als een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert. Het trappenhuis moet dan dus voldoen aan de eisen die gelden voor dergelijke ruimten. Deze eisen, zoals bijvoorbeeld betreffende weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag vanuit een rookcompartiment naar het trappenhuis, zijn strenger dan voor een 'eenvoudige' rookvrije vluchtroute. Er is niet bepaald dat de mogelijkheid tot vluchten die het trappenhuis biedt een brand- en rookvrije vluchtroute moet zijn. Daardoor blijft de mogelijkheid open om het vluchten vanuit het trappenhuis naar het aansluitende terrein te laten plaatsvinden via een 'eenvoudige' rookvrije vluchtroute.

§ 2.18.2 Bestaande bouw

Artikel 2.160

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.18.1 Nieuwbouw. Ten onrechte was in artikel 2.160, eerste lid, de bredere term 'route' in plaats van 'vluchtroute' gebruikt. Met de wijziging (Stb. 2005, 1) is het voorschrift voor bestaande bouw weer in het juiste verband gebracht met het voorschrift voor nieuwbouw (artikel 2.153, eerste lid).

In tabel 2.160 zijn bij artikel 2.163 een nieuw tweede en zevende lid ingevoegd (Stb. 2005, 1) die worden aangestuurd voor alle gebruiksfuncties waarvoor ook het eerste lid van dat artikel is aangestuurd.

De redactionele aanpassing van het tweede lid van artikel 2.161 voor de bestaande bouw is gelijk aan de aanpassing van artikel 2.154, tweede lid, voor nieuwbouw (Stb. 2002, 203). In artikel 2.163, eerste lid, is de tweede volzin geschrapt (Stb. 2005, 1). Deze is vervolgens in een nieuw tweede lid opgenomen, waarmee deze eisen aan een rookcompartiment waarin geen mensen verblijven, voor de bestaande bouw in overeenstemming zijn gebracht met de nieuwbouweisen van artikel 2.156. De aanpassing van artikel 2.163, vijfde lid, is een wetstechnische wijziging. In de definitie 'rookvrije vluchtroute' is reeds geregeld dat de vluchtroute niet door een lift mag voeren (Stb. 2002, 516). Voorts is een nieuw zevende lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat expliciet aangeeft dat een rookvrije en brand- en rookvrije vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn. Aan artikel 2.164 is een nieuw vijfde lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat gelijk aan de daaraan voorafgaande artikelleden wordt aangestuurd voor de 'andere woonfunctie'. Daarmee is expliciet aangegeven dat de vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn.

Artikel 2.161

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.18.1 Nieuwbouw. Ten onrechte was in artikel 2.160, eerste lid, de bredere term 'route' in plaats van 'vluchtroute' gebruikt. Met de wijziging (Stb. 2005, 1) is het voorschrift voor bestaande bouw weer in het juiste verband gebracht met het voorschrift voor nieuwbouw (artikel 2.153, eerste lid).

In tabel 2.160 zijn bij artikel 2.163 een nieuw tweede en zevende lid ingevoegd (Stb. 2005, 1) die worden aangestuurd voor alle gebruiksfuncties waarvoor ook het eerste lid van dat artikel is aangestuurd.

De redactionele aanpassing van het tweede lid van artikel 2.161 voor de bestaande bouw is gelijk aan de aanpassing van artikel 2.154, tweede lid, voor nieuwbouw (Stb. 2002, 203). In artikel 2.163, eerste lid, is de tweede volzin geschrapt (Stb. 2005, 1). Deze is vervolgens in een nieuw tweede lid opgenomen, waarmee deze eisen aan een rookcompartiment waarin geen mensen verblijven, voor de bestaande bouw in overeenstemming zijn gebracht met de nieuwbouweisen van artikel 2.156. De aanpassing van artikel 2.163, vijfde lid, is een wetstechnische wijziging. In de definitie 'rookvrije vluchtroute' is reeds geregeld dat de vluchtroute niet door een lift mag voeren (Stb. 2002, 516). Voorts is een nieuw zevende lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat expliciet aangeeft dat een rookvrije en brand- en rookvrije vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn. Aan artikel 2.164 is een nieuw vijfde lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat gelijk aan de daaraan voorafgaande artikelleden wordt aangestuurd voor de 'andere woonfunctie'. Daarmee is expliciet aangegeven dat de vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn.

Artikel 2.162

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.18.1 Nieuwbouw. Ten onrechte was in artikel 2.160, eerste lid, de bredere term 'route' in plaats van 'vluchtroute' gebruikt. Met de wijziging (Stb. 2005, 1) is het voorschrift voor bestaande bouw weer in het juiste verband gebracht met het voorschrift voor nieuwbouw (artikel 2.153, eerste lid).

In tabel 2.160 zijn bij artikel 2.163 een nieuw tweede en zevende lid ingevoegd (Stb. 2005, 1) die worden aangestuurd voor alle gebruiksfuncties waarvoor ook het eerste lid van dat artikel is aangestuurd.

De redactionele aanpassing van het tweede lid van artikel 2.161 voor de bestaande bouw is gelijk aan de aanpassing van artikel 2.154, tweede lid, voor nieuwbouw (Stb. 2002, 203). In artikel 2.163, eerste lid, is de tweede volzin geschrapt (Stb. 2005, 1). Deze is vervolgens in een nieuw tweede lid opgenomen, waarmee deze eisen aan een rookcompartiment waarin geen mensen verblijven, voor de bestaande bouw in overeenstemming zijn gebracht met de nieuwbouweisen van artikel 2.156. De aanpassing van artikel 2.163, vijfde lid, is een wetstechnische wijziging. In de definitie 'rookvrije vluchtroute' is reeds geregeld dat de vluchtroute niet door een lift mag voeren (Stb. 2002, 516). Voorts is een nieuw zevende lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat expliciet aangeeft dat een rookvrije en brand- en rookvrije vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn. Aan artikel 2.164 is een nieuw vijfde lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat gelijk aan de daaraan voorafgaande artikelleden wordt aangestuurd voor de 'andere woonfunctie'. Daarmee is expliciet aangegeven dat de vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn.

Artikel 2.163

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.18.1 Nieuwbouw. Ten onrechte was in artikel 2.160, eerste lid, de bredere term 'route' in plaats van 'vluchtroute' gebruikt. Met de wijziging (Stb. 2005, 1) is het voorschrift voor bestaande bouw weer in het juiste verband gebracht met het voorschrift voor nieuwbouw (artikel 2.153, eerste lid).

In tabel 2.160 zijn bij artikel 2.163 een nieuw tweede en zevende lid ingevoegd (Stb. 2005, 1) die worden aangestuurd voor alle gebruiksfuncties waarvoor ook het eerste lid van dat artikel is aangestuurd.

De redactionele aanpassing van het tweede lid van artikel 2.161 voor de bestaande bouw is gelijk aan de aanpassing van artikel 2.154, tweede lid, voor nieuwbouw (Stb. 2002, 203). In artikel 2.163, eerste lid, is de tweede volzin geschrapt (Stb. 2005, 1). Deze is vervolgens in een nieuw tweede lid opgenomen, waarmee deze eisen aan een rookcompartiment waarin geen mensen verblijven, voor de bestaande bouw in overeenstemming zijn gebracht met de nieuwbouweisen van artikel 2.156. De aanpassing van artikel 2.163, vijfde lid, is een wetstechnische wijziging. In de definitie 'rookvrije vluchtroute' is reeds geregeld dat de vluchtroute niet door een lift mag voeren (Stb. 2002, 516). Voorts is een nieuw zevende lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat expliciet aangeeft dat een rookvrije en brand- en rookvrije vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn. Aan artikel 2.164 is een nieuw vijfde lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat gelijk aan de daaraan voorafgaande artikelleden wordt aangestuurd voor de 'andere woonfunctie'. Daarmee is expliciet aangegeven dat de vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn.

Artikel 2.164

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.18.1 Nieuwbouw. Ten onrechte was in artikel 2.160, eerste lid, de bredere term 'route' in plaats van 'vluchtroute' gebruikt. Met de wijziging (Stb. 2005, 1) is het voorschrift voor bestaande bouw weer in het juiste verband gebracht met het voorschrift voor nieuwbouw (artikel 2.153, eerste lid).

In tabel 2.160 zijn bij artikel 2.163 een nieuw tweede en zevende lid ingevoegd (Stb. 2005, 1) die worden aangestuurd voor alle gebruiksfuncties waarvoor ook het eerste lid van dat artikel is aangestuurd.

De redactionele aanpassing van het tweede lid van artikel 2.161 voor de bestaande bouw is gelijk aan de aanpassing van artikel 2.154, tweede lid, voor nieuwbouw (Stb. 2002, 203). In artikel 2.163, eerste lid, is de tweede volzin geschrapt (Stb. 2005, 1). Deze is vervolgens in een nieuw tweede lid opgenomen, waarmee deze eisen aan een rookcompartiment waarin geen mensen verblijven, voor de bestaande bouw in overeenstemming zijn gebracht met de nieuwbouweisen van artikel 2.156. De aanpassing van artikel 2.163, vijfde lid, is een wetstechnische wijziging. In de definitie 'rookvrije vluchtroute' is reeds geregeld dat de vluchtroute niet door een lift mag voeren (Stb. 2002, 516). Voorts is een nieuw zevende lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat expliciet aangeeft dat een rookvrije en brand- en rookvrije vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn. Aan artikel 2.164 is een nieuw vijfde lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat gelijk aan de daaraan voorafgaande artikelleden wordt aangestuurd voor de 'andere woonfunctie'. Daarmee is expliciet aangegeven dat de vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn.

Artikel 2.165

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.18.1 Nieuwbouw. Ten onrechte was in artikel 2.160, eerste lid, de bredere term 'route' in plaats van 'vluchtroute' gebruikt. Met de wijziging (Stb. 2005, 1) is het voorschrift voor bestaande bouw weer in het juiste verband gebracht met het voorschrift voor nieuwbouw (artikel 2.153, eerste lid).

In tabel 2.160 zijn bij artikel 2.163 een nieuw tweede en zevende lid ingevoegd (Stb. 2005, 1) die worden aangestuurd voor alle gebruiksfuncties waarvoor ook het eerste lid van dat artikel is aangestuurd.

De redactionele aanpassing van het tweede lid van artikel 2.161 voor de bestaande bouw is gelijk aan de aanpassing van artikel 2.154, tweede lid, voor nieuwbouw (Stb. 2002, 203). In artikel 2.163, eerste lid, is de tweede volzin geschrapt (Stb. 2005, 1). Deze is vervolgens in een nieuw tweede lid opgenomen, waarmee deze eisen aan een rookcompartiment waarin geen mensen verblijven, voor de bestaande bouw in overeenstemming zijn gebracht met de nieuwbouweisen van artikel 2.156. De aanpassing van artikel 2.163, vijfde lid, is een wetstechnische wijziging. In de definitie 'rookvrije vluchtroute' is reeds geregeld dat de vluchtroute niet door een lift mag voeren (Stb. 2002, 516). Voorts is een nieuw zevende lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat expliciet aangeeft dat een rookvrije en brand- en rookvrije vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn. Aan artikel 2.164 is een nieuw vijfde lid toegevoegd (Stb. 2005, 1), dat gelijk aan de daaraan voorafgaande artikelleden wordt aangestuurd voor de 'andere woonfunctie'. Daarmee is expliciet aangegeven dat de vluchtroute ook een gemeenschappelijke vluchtroute mag zijn.

Afdeling 2.19 Inrichting van rookvrije vluchtroutes

§ 2.19.1 Nieuwbouw

Artikel 2.166

Het eerste lid geeft de functionele eis voor inrichting van vluchtroutes voor nieuwbouw.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.167 regelt welke netto breedte en hoogte een vluchtroute minimaal moet hebben (afmetingen doorgang);
2.artikel 2.168 bevat eisen aan de scheidingsconstructie tussen twee vluchtroutes (scheidingsconstructie tussen vluchtroutes);
3.artikel 2.169 betreft de luchttoevoer naar en rookafvoer uit niet-besloten ruimten waardoor een vluchtroute voert (luchttoevoer en rookafvoer);
4.artikel 2.170 stelt een grens aan de brandbaarheid van materialen in en bij veiligheids- en vluchttrappenhuizen (permanente vuurbelasting);
5.artikel 2.171 bepaalt de draairichting van deuren van ruimten waardoor een vluchtroute voert (draairichting deur);
6.artikel 2.172 bepaalt wat de maximale loopafstand binnen een ruimte is waardoor een vluchtroute voert (loopafstand);
7.artikel 2.173 verleent de bevoegdheid om bij ministeriële regeling voorschriften te geven over de opvang- en doorstroomcapaciteit van ruimten waardoor een vluchtroute voert (opvang- en doorstroomcapaciteit), en
8.artikel 2.174 bevat een functionele eis aan de inrichting van vluchtroutes van bouwwerken die geen gebouwen zijn (inrichting).

Voor een enkel onderdeel van een gebruiksfunctie wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan. In tabel 2.166 is in de kop 'vluchtmogelijkheden' vervangen door: vluchtroutes. Daarmee is het in deze kop gebruikte begrip in lijn gebracht met het Bouwbesluit 2003. Voorts is bij de onderwijsfunctie bij bezettingsgraadklassen B4 en B5 ook n.t. genoteerd. Daarmee is deze tabel in overeenstemming gebracht met andere tabellen waarin aan bezettingsgraadklassen gerelateerde grenswaarden zijn aangegeven (Stb. 2002, 516).

Artikel 2.167

Het doel van dit artikel is te bewerkstelligen dat mensen op hun vlucht vanuit een ruimte naar buiten binnen het gebouw niet worden belemmerd door bouwkundige obstakels op de vluchtroute. Daartoe bepaalt het eerste lid dat de toegang van een rookcompartiment, in feite de plaats waar de vluchtroute begint, en verder alle vrije doorgangen van te passeren ruimten en deuren een minimale breedte en hoogte moeten hebben. Zie voor een toelichting op de wijziging (Stb. 2005, 1) van de breedte van een rookvrije vluchtroute (artikel 2.167, eerste lid) de toelichting op artikel 2.146, achtste lid. Ook is in het eerste lid de minimum hoogte aangepast van 2,1 m naar 2,3 m. De hoogte is daarmee in overeenstemming gebracht met de grenswaarden in de gewijzigde tabel 4.10, zie de toelichting op de tabel 4.10 (artikelen 4.10, 4.11 en 4.12). In het tweede lid is zekergesteld dat een ziekenhuisbed met toebehoren kan worden geëvacueerd. De maten van het blok zijn afgestemd op een regulier ziekenhuisbed met toebehoren. In lijn met de wijziging van de maatvoering in het eerste lid, is in het tweede lid de hoogte van een doorgang voor een ziekenhuisbed aangepast (Stb. 2005, 1).

Artikel 2.168

De aanpassing van het eerste lid van artikel 2.168 vloeit voort uit het vervallen van artikel 2.156, eerste lid (Stb. 2002, 203). Wanneer er brand uitbreekt in een ruimte waardoor een vluchtroute loopt, moet een aangrenzende ruimte met de tweede vluchtroute ten behoeve van hetzelfde brandcompartiment nog voor enige tijd gevrijwaard zijn van brand. Dit is noodzakelijk met het oog op het veilig kunnen vluchten. Het eerste lid bevat hiertoe een eis aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van de scheidingsconstructie. De uitzondering betreft de situatie bij toegangen van rookcompartimenten en subbrandcompartimenten waar twee vluchtroutes beginnen. Omdat er maar één toegang is met twee vluchtroutes is een scheiding hier niet zinvol. Verder mogen volgens het tweede lid de betrokken ruimten slechts met elkaar in verbinding staan door een deur die is voorzien van een dranger.

Artikel 2.169

Het voorschrift regelt dat een niet-besloten ruimte een zodanige capaciteit van de toevoer van verse lucht en afvoer van rook heeft, dat het vluchten uit die ruimte niet wordt belemmerd door de rook die in die ruimte blijft hangen. In deze ruimte moeten de condities (voor wat betreft de afvoer van rook) bij brand zodanig zijn dat aanwezigen gedurende langere tijd veilig via deze ruimte kunnen vluchten. Wanneer aan de voorwaarden voor het veilig vluchten is voldaan kunnen tevens veilig red- en bluswerkzaamheden worden uitgevoerd. Uitgangspunt voor de bepaling van het al dan niet besloten zijn van een ruimte, zijn de condities in die ruimte tijdens een brand. Omdat niet-besloten ruimten waardoor een rookvrije vluchtroute loopt zoals een galerij of een atrium op talloze manieren kunnen worden ontworpen, kan de capaciteit van de benodigde rookafvoer uit deze ruimten niet met een eenduidige prestatie-eis worden bepaald. Een (plaatselijke) ophoping van rook en warmte kan zowel afkomstig zijn van een brand in de beschouwde ruimte zelf als van een brand elders. Voor de grenscondities waarbij het verblijven in die ruimte nog juist mogelijk is, kunnen op grond van het TNO Bouw rapport 1997-CVB-R0883 als veilige waarden worden aangehouden:

a.de stralingsflux niet groter dan 1 kW/m3;
b.de temperatuur niet hoger dan 45 °C, en
c.de zichtlengte niet kleiner dan 100 m.

NEN 6093 'Brandveiligheid van gebouwen - Beoordelingsmethode voor rook- en warmteafvoerinstallaties' brengt voor een aantal typen niet-besloten ruimten de condities voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van rook in beeld, waarmee een veilige situatie bij brand kan worden gecreëerd. Voor de (traditionele) galerijen met een vlak plafond, niet-afsluitbare openingen in de langsgevel en een galerijdiepte van ten hoogste 1,8 meter, kan met behulp van onderdeel 5.3 van NEN 1087 de capaciteit van de toevoer van verse lucht en de afvoer van rook worden bepaald. Deze capaciteit moet ten minste 100 dm3/s per m3 netto inhoud van die ruimte zijn. Toepassing van deze norm is alleen mogelijk als er langs het plafond van de galerij geen uitstekende rand of andere belemmering aanwezig is, waardoor de rookafvoer stagneert en de hete rook zich aan het plafond van de galerij ophoopt. Onder 'diepte' wordt hier verstaan de grootste afstand tussen de opening(en) in de langsgevel en de achterliggende scheidingswand, gemeten loodrecht langs de langs gevel. Dit artikel onderscheidt zich op het gebied van de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook van de voorschriften in afdelingen 3.13 en 3.14 die gericht zijn op de gezondheid bij het gebruik van verbrandingstoestellen.

Artikel 2.170

Trappenhuizen vormen een belangrijk onderdeel van vluchtroutes en worden als zodanig overeenkomstig hoofdstuk 1 aangeduid als vluchttrappenhuizen. Zo'n vluchttrappenhuis geldt als een veiligheidstrappenhuis, indien:

a.de vluchtroute die door dat trappenhuis voert een brand- en rookvrije vluchtroute is, en
b.het trappenhuis in de vluchtrichting uitsluitend kan worden bereikt vanuit een niet-besloten ruimte.

Een veiligheidstrappenhuis moet aan de vluchtende een bijzondere mate van veiligheid bieden. Daarom schrijft het eerste lid voor, dat de constructie-onderdelen die in dat trappenhuis liggen of het omhullen, slechts een zeer geringe vuurbelasting mogen leveren. Dat betekent in de praktijk dat trappen, vloeren en wanden van steenachtig materiaal moeten zijn. Bovendien mogen in deze ruimte slechts deuren, ramen ten behoeve van daglichttoetreding, leuningen en plinten van hout zijn uitgevoerd. De gegeven eis van 3.500 MJ per bouwlaag is afgestemd op de in de praktijk nog realiseerbare bouwkundige oplossingen. Met de wijziging van artikel 2.170, tweede lid, worden de in het geconverteerde Bouwbesluit onbedoeld geïntroduceerde belemmeringen bij het bouwen van portiekflats weer weggenomen (Stb. 2002, 516). Het met artikel 2.170 corresponderende onderdeel in artikel 1 van het wijzigingsbesluit (Stb. 2002, 203), dat deze belemmeringen niet volledig wegnam, is gelijktijdig vervallen (Stb. 2002, 516).

Artikel 2.171

Deuren die liggen in vluchtroutes en tegen de vluchtrichting indraaien, lopen gevaar geblokkeerd te raken. Bij het niet tijdig openen ervan zou een groep mensen op de vlucht zich ertegen aan kunnen drukken. Met dit artikel wordt beoogd te voorkomen dat deuren in vluchtroutes het vluchten belemmeren. Hiertoe zijn er eisen gesteld die inhouden dat deuren in bepaalde situaties niet tegen de vluchtrichting mogen indraaien. In dit verband moet een draaideur worden aangemerkt als een deur die tegen de vluchtrichting indraait. Schuifdeuren zijn daarentegen in deze situatie wel toegestaan. Het voorschriften in het tweede en derde lid (en in artikel 2.180, eerste en tweede lid) zijn als gevolg van de afstemming van het Bouwbesluit 2003 met het Arbeidsomstandighedenbesluit aangevuld met de voorwaarde dat een nooddeur geen schuifdeur mag zijn (Stb. 2005, 1).

Artikel 2.172

Wanneer er brand woedt in een besloten ruimte waardoor een vluchtroute loopt, zal deze zich met rook vullen. De brand en de rook zullen het vluchten bemoeilijken uit de rookcompartimenten die op de vluchtroute uitkomen. Om dit zoveel mogelijk te beperken, schrijft dit artikel voor dat de loopafstand binnen de met rook gevulde ruimte maximaal 30 m is. Met andere woorden, de verkeersruimte moet worden ingedeeld in rookcompartimenten van maximaal 30 m lengte. Deze afstand moet worden gemeten over de kortste route, op een afstand van 0,3 m van enig constructie-onderdeel.

Artikel 2.173

Ook bouwwerken die geen gebouw zijn moeten zodanig zijn ingericht dat zij vluchtroutes hebben met voldoende capaciteit voor het snel en veilig kunnen vluchten. De capaciteit moet zijn afgestemd op het aantal personen dat naar verwachting doorgaans aanwezig is. Bepalend hierbij zijn de doorstroomintensiteit en de loopsnelheid. Wat betreft de doorstroomintensiteit mag men uitgaan van de volgende rekenregels:

  • per 55 cm breedte van een deur of vluchtroute: 50 personen per minuut;
  • per trap die voldoet aan kolom A van tabel 2.28: 25 personen per minuut, en
  • per trap die voldoet aan kolom B van tabel 2.28: 50 personen per minuut.

Wat de loopsnelheid betreft, mag in de regel zijn uitgegaan van 50 m per minuut. Voor voetbalstadions gelden andere dan de hiervoor genoemde rekenregels. Indien er voor dergelijke stadions is uitgegaan van de norm 'Brandbeveiliging voetbalstadions' (Inspectie voor het Brandweerwezen, januari 1988), mag men aannemen dat deze accommodaties voldoende veilig zijn met het oog op het vluchten. Voor het bereiken van een veilige plaats geldt als algemeen uitgangspunt dat de gebruikers van het bouwwerk in twee richtingen moeten kunnen vluchten om het aansluitende terrein te bereiken.

§ 2.19.2 Bestaande bouw

Artikel 2.175

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.19.1 Nieuwbouw. Naast de eisen van het Bouwbesluit voor bestaande gebouwen zijn voor de inrichting van vluchtroutes nog eisen uit de gemeentelijke bouwverordening van belang. Het zijn voorschriften die verband houden met het feitelijk gebruik van het gebouw. De aanwezige bouwkundige inrichting van een ruimte kan ertoe leiden dat het aantal in die ruimte toe te laten personen wordt beperkt of dat aanvullende, niet-bouwkundige voorzieningen moeten zijn getroffen. Deze voorzieningen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de ontdekking, melding of automatische blussing van brand en de afvoer van rook. Verder kunnen zij bestemd zijn voor de alarmering van de in het gebouw aanwezige personen, mede met het oog op de ontruiming van het gebouw. In het bijzonder kan hierbij worden gedacht aan een gebouw voor een bijeenkomstfunctie. Ten onrechte was in tabel 2.175 een grenswaarde voor artikel 2.178 opgenomen. De tabel is op dit onderdeel aangepast (Stb. 2002, 516).

Artikel 2.176

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.19.1 Nieuwbouw. Naast de eisen van het Bouwbesluit voor bestaande gebouwen zijn voor de inrichting van vluchtroutes nog eisen uit de gemeentelijke bouwverordening van belang. Het zijn voorschriften die verband houden met het feitelijk gebruik van het gebouw. De aanwezige bouwkundige inrichting van een ruimte kan ertoe leiden dat het aantal in die ruimte toe te laten personen wordt beperkt of dat aanvullende, niet-bouwkundige voorzieningen moeten zijn getroffen. Deze voorzieningen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de ontdekking, melding of automatische blussing van brand en de afvoer van rook. Verder kunnen zij bestemd zijn voor de alarmering van de in het gebouw aanwezige personen, mede met het oog op de ontruiming van het gebouw. In het bijzonder kan hierbij worden gedacht aan een gebouw voor een bijeenkomstfunctie. Ten onrechte was in tabel 2.175 een grenswaarde voor artikel 2.178 opgenomen. De tabel is op dit onderdeel aangepast (Stb. 2002, 516).

Artikel 2.177

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.19.1 Nieuwbouw. Naast de eisen van het Bouwbesluit voor bestaande gebouwen zijn voor de inrichting van vluchtroutes nog eisen uit de gemeentelijke bouwverordening van belang. Het zijn voorschriften die verband houden met het feitelijk gebruik van het gebouw. De aanwezige bouwkundige inrichting van een ruimte kan ertoe leiden dat het aantal in die ruimte toe te laten personen wordt beperkt of dat aanvullende, niet-bouwkundige voorzieningen moeten zijn getroffen. Deze voorzieningen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de ontdekking, melding of automatische blussing van brand en de afvoer van rook. Verder kunnen zij bestemd zijn voor de alarmering van de in het gebouw aanwezige personen, mede met het oog op de ontruiming van het gebouw. In het bijzonder kan hierbij worden gedacht aan een gebouw voor een bijeenkomstfunctie. Ten onrechte was in tabel 2.175 een grenswaarde voor artikel 2.178 opgenomen. De tabel is op dit onderdeel aangepast (Stb. 2002, 516).

Artikel 2.178

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.19.1 Nieuwbouw. Naast de eisen van het Bouwbesluit voor bestaande gebouwen zijn voor de inrichting van vluchtroutes nog eisen uit de gemeentelijke bouwverordening van belang. Het zijn voorschriften die verband houden met het feitelijk gebruik van het gebouw. De aanwezige bouwkundige inrichting van een ruimte kan ertoe leiden dat het aantal in die ruimte toe te laten personen wordt beperkt of dat aanvullende, niet-bouwkundige voorzieningen moeten zijn getroffen. Deze voorzieningen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de ontdekking, melding of automatische blussing van brand en de afvoer van rook. Verder kunnen zij bestemd zijn voor de alarmering van de in het gebouw aanwezige personen, mede met het oog op de ontruiming van het gebouw. In het bijzonder kan hierbij worden gedacht aan een gebouw voor een bijeenkomstfunctie. Ten onrechte was in tabel 2.175 een grenswaarde voor artikel 2.178 opgenomen. De tabel is op dit onderdeel aangepast (Stb. 2002, 516).

Artikel 2.179

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.19.1 Nieuwbouw. Naast de eisen van het Bouwbesluit voor bestaande gebouwen zijn voor de inrichting van vluchtroutes nog eisen uit de gemeentelijke bouwverordening van belang. Het zijn voorschriften die verband houden met het feitelijk gebruik van het gebouw. De aanwezige bouwkundige inrichting van een ruimte kan ertoe leiden dat het aantal in die ruimte toe te laten personen wordt beperkt of dat aanvullende, niet-bouwkundige voorzieningen moeten zijn getroffen. Deze voorzieningen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de ontdekking, melding of automatische blussing van brand en de afvoer van rook. Verder kunnen zij bestemd zijn voor de alarmering van de in het gebouw aanwezige personen, mede met het oog op de ontruiming van het gebouw. In het bijzonder kan hierbij worden gedacht aan een gebouw voor een bijeenkomstfunctie. Ten onrechte was in tabel 2.175 een grenswaarde voor artikel 2.178 opgenomen. De tabel is op dit onderdeel aangepast (Stb. 2002, 516).

Artikel 2.180

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.19.1 Nieuwbouw. Naast de eisen van het Bouwbesluit voor bestaande gebouwen zijn voor de inrichting van vluchtroutes nog eisen uit de gemeentelijke bouwverordening van belang. Het zijn voorschriften die verband houden met het feitelijk gebruik van het gebouw. De aanwezige bouwkundige inrichting van een ruimte kan ertoe leiden dat het aantal in die ruimte toe te laten personen wordt beperkt of dat aanvullende, niet-bouwkundige voorzieningen moeten zijn getroffen. Deze voorzieningen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de ontdekking, melding of automatische blussing van brand en de afvoer van rook. Verder kunnen zij bestemd zijn voor de alarmering van de in het gebouw aanwezige personen, mede met het oog op de ontruiming van het gebouw. In het bijzonder kan hierbij worden gedacht aan een gebouw voor een bijeenkomstfunctie. Ten onrechte was in tabel 2.175 een grenswaarde voor artikel 2.178 opgenomen. De tabel is op dit onderdeel aangepast (Stb. 2002, 516).

Artikel 2.181

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.19.1 Nieuwbouw. Naast de eisen van het Bouwbesluit voor bestaande gebouwen zijn voor de inrichting van vluchtroutes nog eisen uit de gemeentelijke bouwverordening van belang. Het zijn voorschriften die verband houden met het feitelijk gebruik van het gebouw. De aanwezige bouwkundige inrichting van een ruimte kan ertoe leiden dat het aantal in die ruimte toe te laten personen wordt beperkt of dat aanvullende, niet-bouwkundige voorzieningen moeten zijn getroffen. Deze voorzieningen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de ontdekking, melding of automatische blussing van brand en de afvoer van rook. Verder kunnen zij bestemd zijn voor de alarmering van de in het gebouw aanwezige personen, mede met het oog op de ontruiming van het gebouw. In het bijzonder kan hierbij worden gedacht aan een gebouw voor een bijeenkomstfunctie. Ten onrechte was in tabel 2.175 een grenswaarde voor artikel 2.178 opgenomen. De tabel is op dit onderdeel aangepast (Stb. 2002, 516).

Artikel 2.182

Zie de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.19.1 Nieuwbouw. Naast de eisen van het Bouwbesluit voor bestaande gebouwen zijn voor de inrichting van vluchtroutes nog eisen uit de gemeentelijke bouwverordening van belang. Het zijn voorschriften die verband houden met het feitelijk gebruik van het gebouw. De aanwezige bouwkundige inrichting van een ruimte kan ertoe leiden dat het aantal in die ruimte toe te laten personen wordt beperkt of dat aanvullende, niet-bouwkundige voorzieningen moeten zijn getroffen. Deze voorzieningen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de ontdekking, melding of automatische blussing van brand en de afvoer van rook. Verder kunnen zij bestemd zijn voor de alarmering van de in het gebouw aanwezige personen, mede met het oog op de ontruiming van het gebouw. In het bijzonder kan hierbij worden gedacht aan een gebouw voor een bijeenkomstfunctie. Ten onrechte was in tabel 2.175 een grenswaarde voor artikel 2.178 opgenomen. De tabel is op dit onderdeel aangepast (Stb. 2002, 516).

Afdeling 2.20 Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand

§ 2.20.1 Nieuwbouw

Artikel 2.183

Het eerste lid geeft de functionele eis voor voorkoming en beperking van ongevallen bij brand voor nieuwbouw.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.184 regelt de aanwezigheid van een brandweerlift (aanwezigheid);
2.artikel 2.185 regelt de maximale afstand tussen enerzijds vluchttrappenhuis en brandweerlift en anderzijds toegangen van subbrand- en rookcompartimenten (loopafstand);
3.artikel 2.186 bevat een eis aan de inrichting van een bouwwerk met het oog op het redden van de gebruikers (inrichting bouwwerk), en
4.artikel 2.187 verklaart de eisen van deze paragraaf tevens van toepassing op het bouwen van niet-permanente bouwwerken (tijdelijke bouwwerken).

Voor een enkel onderdeel van een gebruiksfunctie wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan. In tabel 2.183 zijn voor de woonfunctie het derde en vierde lid van artikel 2.185 van toepassing verklaard.

Artikel 2.184

Met dit artikel wordt beoogd de brandweer in staat te stellen in geval van brand langs veilige weg de hoger gelegen verdiepingen van een gebouw te bereiken. Het oogmerk is dat de brandweer deze kan doorzoeken naar achtergebleven personen en een beginnende brand bestrijden met materieel dat met de lift is aangevoerd. Hiertoe is de aanwezigheid van een brandweerlift verplicht gesteld. Het eerste lid betreft gebruiksfuncties waarvoor de aanwezigheidseis geldt indien zij een verblijfsgebied inhouden met een vloer die hoger ligt dan 20 meter. Het meetniveau is het op het gebouw aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de hoofdtoegang van het gebouw. Indien vanaf het aansluitende terrein een trap of hellingbaan naar die toegang leidt, moet het hoogteverschil worden gemeten vanaf het laagste punt van die trap of hellingbaan. Het hoogtecriterium van 20 meter vloeit mede voort uit het feit dat tot die hoogte de brandweer langs de trappen en vluchtwegen die dit besluit vereist het gebouw voldoende snel kan doorzoeken en het benodigde brandweermaterieel aanvoeren. Met de wijziging (Stb. 2005, 1) van artikel 2.184, eerste lid, is nu expliciet aangegeven dat het voorschrift voor de aanwezigheid van een brandweerlift alleen betrekking heeft op een verblijfsgebied voor het verblijven van mensen. Tot deze wijziging moest elk verblijfsgebied onder de gegeven condities een brandweerlift hebben. Het nu gewijzigde voorschrift ging voorbij aan het feit dat niet ieder verblijfsgebied bestemd is voor het verblijven van mensen. Bijvoorbeeld voor opslagruimten in een industriegebouw waarin geen mensen verblijven, is het niet nodig een brandweerlift te hebben. Voortaan is het mogelijk een dergelijk gebouw te realiseren zonder brandweerlift. Het tweede lid kent geen hoogtecriterium en is van toepassing op grote woonfuncties, zoals bijvoorbeeld een gezinsvervangend of bejaardentehuis met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2.

Artikel 2.185

Dit artikel heeft als doel te voorkomen dat de brandweer te grote afstanden moet overbruggen om met geredde mensen een veilige plek te kunnen bereiken of met het gangbare materieel een beginnende brand te blussen. Wat het laatste betreft kan men bijvoorbeeld denken aan praktische beperkingen die zijn gesteld aan het aantal aan elkaar te koppelen brandslangen. Met Stb. 2005, 01 zijn het derde en vierde lid vernummerd tot vijfde en zesde lid. Het nieuwe (Stb. 2005, 1) derde en vierde lid van artikel 2.185 zijn afkomstig uit artikel 4.68 (Hoofdstuk 4, Voorschriften uit het oogpunt van bruikbaarheid). Volgens recente opvattingen weegt het veiligheidsaspect van de bereikbaarheid van de meterruimte zwaarder dan het bruikbaarheidsaspect. Deze verplaatsing naar een ander hoofdstuk heeft in principe geen inhoudelijke gevolgen. Wel kan de verplaatsing bij een beroep op gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003 tot een accentverschuiving bij de beoordeling leiden. De eisen kunnen van invloed zijn op de inhoud van gebouwontwerpen. Zo heeft de afstand van 30 meter die het vijfde lid (was derde lid) eist tussen een toegang van een vluchttrappenhuis en een toegang van een rookcompartiment tot gevolg, dat in gangbare gebouwontwerpen trappenhuizen op niet meer dan 90 meter van elkaar kunnen zijn gesitueerd. Verder leidt de 75 meter die het zesde lid (was vierde lid) eist tussen een toegang van een brandweerlift en een toegang van een rookcompartiment tot afstanden tussen twee brandweerliften van ongeveer 180 meter.

Artikel 2.186

Het eerste lid regelt dat een niet-besloten ruimte een zodanige capaciteit van de toevoer van verse lucht en afvoer van rook heeft, dat reddings- en bluswerkzaamheden niet worden belemmerd door de rook die in die ruimte blijft hangen. In deze ruimte moeten de condities (voor wat betreft de afvoer van rook) bij brand zodanig zijn dat aanwezigen gedurende langere tijd veilig via deze ruimte kunnen worden gered en dat er bluswerkzaamheden kunnen worden verricht. Uitgangspunt voor de bepaling van het al dan niet-besloten zijn van een ruimte, zijn de condities in die ruimte tijdens een brand. Bij de bepaling of aan het voorschrift is voldaan kan gebruik worden gemaakt van de in de toelichting op artikel 2.169 gegeven richtlijnen. Het tweede lid bevat een functionele eis voor bouwwerken die geen gebouw zijn. De reden hiervan is de grote verscheidenheid van bouwwerken die onder deze gebruiksfunctie vallen, welke ook in de grootte van het risico dat ze opleveren tot uiting komt. Bij de bouw of verbouwing van deze bouwwerken kunnen, afhankelijk van de bestemming en de grootte, bouwkundige voorzieningen ten behoeve van het redden door de brandweer worden verlangd. De beleidsruimte die hier aan de uitvoerende organen wordt gelaten heeft betrekking zowel op het al dan niet vereisen van voorzieningen als op de aard van de te verlangen voorzieningen. Op grond van deze bepaling kan bijvoorbeeld worden geëist dat trappen die de brandweer moet kunnen gebruiken op niet te grote afstand van elkaar moeten zijn gelegen.

§ 2.20.2 Bestaande bouw

Artikel 2.188

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.20.1 Nieuwbouw.

Artikel 2.189

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.20.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt het volgende op te merken.

Dit artikel bevat een functionele eis voor bestaande bouwwerken die geen gebouw zijn, welke gelijk luidt als die voor nieuwbouw. Op grond hiervan kan bijvoorbeeld, evenals voor nieuwbouw, worden geëist dat trappen die door de brandweer moeten kunnen worden gebruikt op niet te grote afstand van elkaar zijn gelegen. Deze afstand zal in de regel groter zijn dan bij nieuwbouw, gelet op het feit dat er bij de bouw van het bouwwerk veelal minder ver gaande eisen hebben gegolden.

Afdeling 2.21 Bestrijding van brand

§ 2.21.1 Nieuwbouw

Artikel 2.190

Het eerste lid geeft de functionele eis voor bestrijding van brand voor nieuwbouw.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.191 regelt de aanwezigheid van bouwkundige voorzieningen voor het blussen in een bouwwerk (aanwezigheid);
2.artikel 2.192 bevat eisen aan het aantal droge blusleidingen (aantal);
3.artikel 2.193 bepaalt waaraan de inrichting van een vereiste droge blusleiding moet voldoen (veiligheid);
4.artikel 2.194 geeft aan van welke voorschriften burgemeester en wethouders geen ontheffing kunnen verlenen (verbouw), en
5.artikel 2.195 geeft voor niet-permanente bouw aan welke voorschriften voor nieuwbouw daarvoor gelden, in aanvulling op de relevante voorschriften voor bestaande bouw (tijdelijke bouw).

Voor een enkel onderdeel van een gebruiksfunctie wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan. In tabel 2.190 is de aansturing van de eisen voor de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang ingevoegd (Stb. 2005, 1). Daarmee zijn deze voorschriften afgestemd op die voor de onderwijsfunctie. Evenals in de onderwijsfunctie zal in deze bijeenkomstfunctie altijd een brandslanghaspel aanwezig moeten zijn.

Artikel 2.191

Het doel van dit artikel is te bereiken dat er in bepaalde categorieën bouwwerken bouwkundige voorzieningen voor het bestrijden van brand aanwezig zijn. Het gaat hierbij om bouwwerken die door hun grootte of door de aard van hun bestemming een verhoogd risico opleveren voor het vallen van slachtoffers als gevolg van brand. Een voorbeeld hiervan zijn woongebouwen voor minder zelfredzame personen, zoals bijvoorbeeld een verzorgingsflat. De voorzieningen die worden verlangd zijn in de regel brandslanghaspels en droge blusleidingen. Op grond van de gemeentelijke bouwverordening kunnen er aanvullende, niet-bouwkundige eisen zijn gesteld omtrent de aanwezigheid van middelen tot brandbestrijding. Voorbeelden hiervan zijn kleine blusmiddelen, openbare bluswaterwinplaatsen in de nabijheid van het bouwwerk en een goede bereikbaarheid van het bouwwerk voor brandweervoertuigen. Het eerste lid vereist de aanwezigheid van een of meer droge blusleidingen in gebouwen die hooggelegen ruimten voor het verblijf van mensen omvatten. Het criterium is dat een gebouw een verblijfsgebied inhoudt met een vloer die hoger ligt dan 20 meter. Het meetniveau is het op het gebouw aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de hoofdtoegang van het gebouw. De droge blusleidingen geven de brandweer ook op de hoger gelegen verdiepingen de beschikking over bluswater. Het tweede en het derde lid schrijven de aanwezigheid voor van een of meer brandslanghaspels. Het tweede lid stelt deze voor een aantal gebruiksfuncties vanaf een bepaalde omvang verplicht. Wat betreft niet in een woongebouw gelegen woonfuncties valt hierbij te denken aan bijvoorbeeld een gezinsvervangend of bejaardentehuis met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2. Het derde lid bevat een soortgelijke eis voor andere gebruiksfuncties die een verhoogd risico opleveren, maar dan zonder beperking naar grootte. Met de aanwezigheid van brandslanghaspels wordt beoogd de gebruikers van het gebouw in staat te stellen een beginnende brand zelf te blussen. In het vierde lid is een functionele eis gesteld ten aanzien van bouwwerken die geen gebouw zijn. De reden hiervan is de grote verscheidenheid van bouwwerken die onder deze gebruiksfunctie vallen, welke ook in de grootte van het risico dat ze opleveren tot uiting komt. Bij de bouw of verbouwing van deze bouwwerken kunnen, afhankelijk van de bestemming en de grootte, bouwkundige voorzieningen voor brandbestrijding worden verlangd. De beleidsruimte die hier aan de uitvoerende organen wordt gelaten heeft betrekking zowel op het al dan niet vereisen van voorzieningen als op de aard van de te verlangen voorzieningen. In de regel zal het ook bij deze bouwwerken gaan om droge blusleidingen of brandslanghaspels.

Artikel 2.192

In dit artikel is aangegeven hoe het aantal droge blusleidingen en brandslanghaspels dat voor een gebruiksfunctie wordt vereist, kan worden vastgesteld. Gebouwen waarin een droge blusleiding aanwezig moet zijn, dienen op elke verdieping een brandslangaansluiting van die leiding te hebben. Het eerste en het tweede lid bevatten eisen voor de afstand tussen zo'n brandslangaansluiting en de toegangen van subbrandcompartimenten en rookcompartimenten die op die aansluiting zijn aangewezen. Deze afstand mag met het oog op de beperkte lengte van brandweerslangen niet te groot zijn. Voor woningen en woongebouwen bedraagt deze afstand tot de toegangen van de betrokken subbrandcompartimenten, zoals appartementen en gemeenschappelijke verblijfsgebieden, krachtens het eerste lid niet meer dan 50 meter. Voor utiliteitsgebouwen is op grond van het tweede lid de afstand tot de toegangen van de betrokken rookcompartimenten langs de kortste route niet meer dan 35 meter. Het derde tot en met het vijfde lid regelen het aantal van de brandslanghaspels die krachtens het vorige artikel aanwezig moeten zijn. Voor dit aantal is bepalend het oogmerk dat elk punt van een vloer van de gebruiksfunctie met bluswater kan worden bereikt. Om dit te bewerkstelligen eist het derde lid dat de loopafstand tussen een brandslanghaspel en enig punt van een vloer die daarop aangewezen is niet groter is dan de slanglengte plus vijf meter. Deze vijf meter extra vormen de zogenaamde fictieve worplengte. De werkelijke worplengte, zijnde de doeltreffende reikwijdte van de waterstraal, bedraagt weliswaar zes meter, maar deze mag niet in zijn geheel in rekening worden gebracht. Er moet namelijk rekening worden gehouden met een speling van een meter, die nodig is om bij het passeren van de toegang van een ruimte de slang in de goede richting te kunnen buigen. Om het beginsel van de vrije indeelbaarheid niet te doorkruisen, bepaalt het vierde lid dat binnen een verblijfsgebied niet-dragende constructie-onderdelen, zoals bijvoorbeeld gipswanden, buiten beschouwing mogen worden gelaten. Hierdoor blijft de mogelijkheid in het bouwplan een of meer niet-ingedeelde verblijfsgebieden op te nemen, onaangetast. Ter compensatie van de aldus beperkte in rekening te brengen loopafstand moet krachtens het vijfde lid de loopafstand binnen een verblijfsgebied met anderhalf worden vermenigvuldigd.

Artikel 2.193

Dit artikel bevat eisen aan de hoedanigheid van droge blusleidingen en brandslanghaspels. Krachtens het eerste lid moet de inrichting van een vereiste droge blusleiding voldoen aan NEN 1594. In deze norm zijn eisen gesteld aan onder meer de drukbestendigheid, de onbrandbaarheid van het materiaal van de leiding, de plaatsing van de aansluitpunten ten opzichte van elkaar, de soorten koppelingen ten behoeve van de aansluiting van brandslangen, de plaatsing en de aanduiding van brandslangaansluitingen en de plaatsing en aanduiding van voedingsaansluitingen. Het tweede lid regelt de aansluiting van een vereiste brandslanghaspel aan het leidingnet voor drinkwater. Verder bepaalt het dat de haspel niet mag liggen in een vluchttrappenhuis, zulks om te voorkomen dat een veilige ontvluchting erdoor wordt belemmerd. Om ervoor te zorgen dat met deze brandslanghaspels een brand kan worden geblust, regelt het derde lid dat er voldoende waterdruk bij de uitmonding van de slang aanwezig is en dat deze een voldoende wateropbrengst heeft. Brandslanghaspels zijn voorzieningen die zijn bedoeld voor de bestrijding van een beginnende brand met gewoonlijk slechts één brandhaard. Daarom zijn deze eisen afgestemd op het gelijktijdig gebruik van hooguit twee op dezelfde waterleiding aangesloten brandslanghaspels. Verder is bepaald dat slangen niet langer mogen zijn dan 30 meter, omdat ze anders voor de gebruikers van het gebouw niet meer goed hanteerbaar zijn.

§ 2.21.2 Bestaande bouw

Artikel 2.196

de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.21.1, Bestrijding van brand - nieuwbouw.

In aanvulling daarop valt op te merken dat in artikel 2.199 een beperkt aantal onderdelen is aangewezen uit NEN 1594, die in het kader van het Bouwbesluit ook van toepassing zijn op bestaande gebouwen. De onderdelen van de norm die voor nieuwbouw gelden met betrekking tot de symmetrische plaatsing van de brandslangaansluiting op elke verdieping, de inrichting van de brandslangaansluiting en de plaatsing van een voedingsaansluiting zijn voor bestaande gebouwen niet van toepassing. In het niet al te verre verleden bestonden er voor deze aspecten namelijk geen eenduidige voorschriften, zodat een deel van de bestaande woongebouwen niet aan de nieuwbouweisen voldoet.

Artikel 2.197

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.21.1, Bestrijding van brand - nieuwbouw.

In aanvulling daarop valt op te merken dat in artikel 2.199 een beperkt aantal onderdelen is aangewezen uit NEN 1594, die in het kader van het Bouwbesluit ook van toepassing zijn op bestaande gebouwen. De onderdelen van de norm die voor nieuwbouw gelden met betrekking tot de symmetrische plaatsing van de brandslangaansluiting op elke verdieping, de inrichting van de brandslangaansluiting en de plaatsing van een voedingsaansluiting zijn voor bestaande gebouwen niet van toepassing. In het niet al te verre verleden bestonden er voor deze aspecten namelijk geen eenduidige voorschriften, zodat een deel van de bestaande woongebouwen niet aan de nieuwbouweisen voldoet.

Artikel 2.198

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.21.1, Bestrijding van brand - nieuwbouw.

In aanvulling daarop valt op te merken dat in artikel 2.199 een beperkt aantal onderdelen is aangewezen uit NEN 1594, die in het kader van het Bouwbesluit ook van toepassing zijn op bestaande gebouwen. De onderdelen van de norm die voor nieuwbouw gelden met betrekking tot de symmetrische plaatsing van de brandslangaansluiting op elke verdieping, de inrichting van de brandslangaansluiting en de plaatsing van een voedingsaansluiting zijn voor bestaande gebouwen niet van toepassing. In het niet al te verre verleden bestonden er voor deze aspecten namelijk geen eenduidige voorschriften, zodat een deel van de bestaande woongebouwen niet aan de nieuwbouweisen voldoet.

Artikel 2.199

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.21.1, Bestrijding van brand - nieuwbouw.

In aanvulling daarop valt op te merken dat in artikel 2.199 een beperkt aantal onderdelen is aangewezen uit NEN 1594, die in het kader van het Bouwbesluit ook van toepassing zijn op bestaande gebouwen. De onderdelen van de norm die voor nieuwbouw gelden met betrekking tot de symmetrische plaatsing van de brandslangaansluiting op elke verdieping, de inrichting van de brandslangaansluiting en de plaatsing van een voedingsaansluiting zijn voor bestaande gebouwen niet van toepassing. In het niet al te verre verleden bestonden er voor deze aspecten namelijk geen eenduidige voorschriften, zodat een deel van de bestaande woongebouwen niet aan de nieuwbouweisen voldoet.

Afdeling 2.22 Grote brandcompartimenten

§ 2.22.1 Nieuwbouw

Artikel 2.200

Het eerste lid geeft de functionele eis voor grote brandcompartimenten in nieuwbouw.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De hiervoor bedoelde voorschriften, die prestatie-eisen inhouden, zijn als volgt over de artikelen verdeeld:

1.artikel 2.201 regelt de mate van brandveiligheid die de bouwkundige inrichting van een groot brandcompartiment moet bieden met betrekking tot het beperken van uitbreiding van brand (inrichting);
2.artikel 2.202 betreft de loopafstand tussen een punt in een groot brandcompartiment en het aansluitende terrein (vluchtroute), en
3.artikel 2.203 regelt de mate van brandveiligheid die in een groot brandcompartiment moet worden bereikt door middel van voorzieningen tot bestrijding van brand (bestrijding van brand).

Voor enkele (onderdelen van) gebruiksfuncties wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan.

Artikel 2.201

Op grond van deze paragraaf is het toegestaan dat een gebouw in een of meer brandcompartimenten wordt ingedeeld die groter zijn dan is bedoeld in paragraaf 2.14.1 - Beperking van uitbreiding van brand, nieuwbouw. Voor bestemmingen als bijvoorbeeld een tentoonstellingshal of veilinghal kan zo'n grootte van meer dan 1000 m2 noodzakelijk zijn. Het doel van de voorschriften is te bereiken dat deze grote brandcompartimenten zodanig zijn ingericht, dat zij een zelfde mate van brandveiligheid bieden als is gewaarborgd door de voorschriften voor brandcompartimenten die wel vallen binnen de in paragraaf 2.14.1 bedoelde maximummaten. Dit gebeurt door middel van functionele eisen die voor de relevante aspecten van brandveiligheid een gelijk beschermingsniveau vereisen. De aanvrager van de bouwvergunning moet ten genoegen van burgemeester en wethouders aangeven welke voorzieningen zijn getroffen om hieraan te voldoen. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat er een sprinklerinstallatie wordt toegepast of een rook- en warmteafvoerinstallatie. Het gaat er vooral om te voorkomen dat er bij brand een onbeheersbare situatie ontstaat en te garanderen dat men ondanks de langere vluchtafstand voldoende tijd heeft om het aansluitende terrein veilig te kunnen bereiken. Voor nadere informatie over het ontwerpen van grote brandcompartimenten wordt voor wat betreft het veilig verlaten van het compartiment verwezen naar de onderzoeksrapporten van PRC Bouwcentrum 'Vluchten bij brand uit grote brandcompartimenten' en 'Bepalingsmethode voor veilig vluchten' alsmede naar het TNO Bouw-rapport 96-CVB-R0330. Terzake van het beperken van de branduitbreiding wordt verwezen naar het rapport van het ingenieurs/adviesbureau SAVE 'Beheersbaarheid van brand; bouwstenen voor regelgeving' van oktober 1995.

Artikel 2.202

Op grond van deze paragraaf is het toegestaan dat een gebouw in een of meer brandcompartimenten wordt ingedeeld die groter zijn dan is bedoeld in paragraaf 2.14.1 - Beperking van uitbreiding van brand, nieuwbouw. Voor bestemmingen als bijvoorbeeld een tentoonstellingshal of veilinghal kan zo'n grootte van meer dan 1000 m2 noodzakelijk zijn. Het doel van de voorschriften is te bereiken dat deze grote brandcompartimenten zodanig zijn ingericht, dat zij een zelfde mate van brandveiligheid bieden als is gewaarborgd door de voorschriften voor brandcompartimenten die wel vallen binnen de in paragraaf 2.14.1 bedoelde maximummaten. Dit gebeurt door middel van functionele eisen die voor de relevante aspecten van brandveiligheid een gelijk beschermingsniveau vereisen. De aanvrager van de bouwvergunning moet ten genoegen van burgemeester en wethouders aangeven welke voorzieningen zijn getroffen om hieraan te voldoen. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat er een sprinklerinstallatie wordt toegepast of een rook- en warmteafvoerinstallatie. Het gaat er vooral om te voorkomen dat er bij brand een onbeheersbare situatie ontstaat en te garanderen dat men ondanks de langere vluchtafstand voldoende tijd heeft om het aansluitende terrein veilig te kunnen bereiken. Voor nadere informatie over het ontwerpen van grote brandcompartimenten wordt voor wat betreft het veilig verlaten van het compartiment verwezen naar de onderzoeksrapporten van PRC Bouwcentrum 'Vluchten bij brand uit grote brandcompartimenten' en 'Bepalingsmethode voor veilig vluchten' alsmede naar het TNO Bouw-rapport 96-CVB-R0330. Terzake van het beperken van de branduitbreiding wordt verwezen naar het rapport van het ingenieurs/adviesbureau SAVE 'Beheersbaarheid van brand; bouwstenen voor regelgeving' van oktober 1995.

Artikel 2.203

Op grond van deze paragraaf is het toegestaan dat een gebouw in een of meer brandcompartimenten wordt ingedeeld die groter zijn dan is bedoeld in paragraaf 2.14.1 - Beperking van uitbreiding van brand, nieuwbouw. Voor bestemmingen als bijvoorbeeld een tentoonstellingshal of veilinghal kan zo'n grootte van meer dan 1000 m2 noodzakelijk zijn. Het doel van de voorschriften is te bereiken dat deze grote brandcompartimenten zodanig zijn ingericht, dat zij een zelfde mate van brandveiligheid bieden als is gewaarborgd door de voorschriften voor brandcompartimenten die wel vallen binnen de in paragraaf 2.14.1 bedoelde maximummaten. Dit gebeurt door middel van functionele eisen die voor de relevante aspecten van brandveiligheid een gelijk beschermingsniveau vereisen. De aanvrager van de bouwvergunning moet ten genoegen van burgemeester en wethouders aangeven welke voorzieningen zijn getroffen om hieraan te voldoen. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat er een sprinklerinstallatie wordt toegepast of een rook- en warmteafvoerinstallatie. Het gaat er vooral om te voorkomen dat er bij brand een onbeheersbare situatie ontstaat en te garanderen dat men ondanks de langere vluchtafstand voldoende tijd heeft om het aansluitende terrein veilig te kunnen bereiken. Voor nadere informatie over het ontwerpen van grote brandcompartimenten wordt voor wat betreft het veilig verlaten van het compartiment verwezen naar de onderzoeksrapporten van PRC Bouwcentrum 'Vluchten bij brand uit grote brandcompartimenten' en 'Bepalingsmethode voor veilig vluchten' alsmede naar het TNO Bouw-rapport 96-CVB-R0330. Terzake van het beperken van de branduitbreiding wordt verwezen naar het rapport van het ingenieurs/adviesbureau SAVE 'Beheersbaarheid van brand; bouwstenen voor regelgeving' van oktober 1995.

§ 2.22.2 Bestaande bouw

Artikel 2.204

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.22.1 Nieuwbouw.

Artikel 2.205

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.22.1 Nieuwbouw.

Artikel 2.206

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.22.1 Nieuwbouw.

Artikel 2.207

Zie de toelichtingen op de artikelen van paragraaf 2.22.1 Nieuwbouw.

Afdeling 2.23 Hoge en ondergrondse gebouwen, nieuwbouw

Artikel 2.208

Het eerste lid geeft de functionele eis voor hoge en ondergrondse gebouwen met betrekking tot nieuwbouw.

Met de in het eerste lid gebruikte term 'ingericht' worden uiteraard bouwkundige voorzieningen bedoeld. De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Voor (een enkel onderdeel van) enkele gebruiksfuncties wijst de tabel van het tweede lid geen voorschriften aan. Omdat er hier geen derde lid is dat verklaart dat de functionele eis niet van toepassing is, moet wel aan de functionele eis van het eerste lid worden voldaan. Er zal in dit geval ten genoegen van burgemeester en wethouders moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan.

Artikel 2.209

De voorschriften in het hoofdstuk Veiligheid zijn afgestemd op gebouwen die geen vloeren hoger dan zeventig meter boven de grond of lager dan acht meter onder de grond hebben. Met het onderhavige artikel wordt gewaarborgd dat er voor gebouwen die buiten deze maten vallen een vergelijkbaar veiligheidsniveau wordt verwezenlijkt. Aan dergelijke gebouwen worden dus waar nodig zwaardere eisen gesteld. Artikel 2.209, eerste en tweede lid, zijn aangevuld (Stb. 2005, 1) met een verwijzing naar paragraaf 2.2.1, sterkte bij brand. In de praktijk is gebleken dat juist bij een hoog of ondergronds gebouw ook extra voorzieningen noodzakelijk kunnen zijn met betrekking tot de sterkte bij brand. Het belang van deze aanpassing is aanzienlijk, gezien de recente ontwikkelingen in het bouwen van hoge en ondergrondse gebouwen. De aanvrager van een bouwvergunning moet ten genoegen van burgemeester en wethouders aangeven welke voorzieningen er aan het gebouw zijn getroffen om dezelfde mate van brandveiligheid te realiseren als met de genoemde algemene voorschriften wordt beoogd.

Afdeling 2.24 Toegang van een bouwwerk

§ 2.24.1 Nieuwbouw

Artikel 2.210

Het eerste lid geeft de functionele eis voor toegangen van gebouwen met betrekking tot nieuwbouw. In afdeling 2.24, toegang van een bouwwerk, zijn de functionele eisen voor nieuwbouw en voor bestaande bouw beide aangepast (Stb. 2005, 1). Bij nieuwbouw (artikel 2.210, eerste lid) is de functionele eis nu zo geformuleerd dat blijkt dat het uitsluitend om gemeenschappelijke verkeersruimten van woonfuncties in een woongebouw gaat.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor het onderhavige onderwerp is er slechts één voorschrift. Dit is artikel 2.211, dat eisen bevat voor de deur en andere voorzieningen voor de toegang tot een woongebouw.

\Voor geen enkele andere gebruiksfunctie dan 'woonfunctie gelegen in een woongebouw' wijst tabel 2.210 voorschriften aan. Het derde lid verklaart dat de functionele eis evenmin op deze andere gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 2.211

Het doel van dit artikel is tegen te gaan dat onbevoegden op eenvoudige wijze een woongebouw kunnen binnenkomen. Op grond van het eerste lid moet elke toegang van een woongebouw zijn voorzien van een deur die uit zichzelf in het slot te valt, bijvoorbeeld door middel van een dranger. Dit dient ertoe om te voorkomen dat bewoners van de in het gebouw gelegen woningen die deur al te gemakkelijk laten openstaan. Verder moet zo'n toegangsdeur zijn voorzien van een slot. Voor het openen van de deur is een sleutel nodig, waaronder tevens valt te verstaan een magnetische codekaart voor dit doel. Zonder voorzieningen om vanuit de woningen te kunnen waarnemen of er bezoekers zijn, met hen te spreken en hen desgewenst binnen te laten, bestaat de kans dat bewoners bewust de toegangsdeur laten openstaan. Om dit te voorkomen bevat het tweede lid eisen omtrent de aanwezigheid van een deuropener, bel en spreekinstallatie. Deze voorzieningen hebben slechts zin als ze kunnen worden bediend vanuit de woning. Daarbij zijn in de gevolgde systematiek van het stellen van eisen deuropener, bel en spreekinstallatie gemeenschappelijke voorzieningen die onderdeel vormen van elke daarop aangewezen woning.

§ 2.24.2 Bestaande bouw

Artikel 2.212

Bij bestaande bouw (artikel 2.212, eerste lid), is de functionele eis nu (Stb. 2005, 1) zo geformuleerd dat blijkt dat het uitsluitend om afsluitbare gemeenschappelijke verkeersruimten van woonfuncties in een woongebouw gaat. Hiermee is recht gedaan aan de situatie dat niet alle bestaande woongebouwen een afsluitbaar portiek hebben. Tot begin jaren '90 zijn, met name in de sociale sector, veelvuldig woningen met een open portiek (ofwel een zogenoemd Haags portiek) gerealiseerd. Zie verder de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.24.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt op te merken dat voor de toegang van een bestaand woongebouw slechts is vereist dat deze is uitgerust met voorzieningen voor het in het slot vallen van de deur en voor het geven van een signaal naar de betrokken woningen. Praktisch gezien komt dit neer op het aanwezig zijn van een dranger en een bel. Anders dan bij de nieuwbouw worden er dus geen deuropener en spreekinstallatie verlangd. Op grond van de voorschriften voor bestaande gebouwen kan namelijk een gemeente de eigenaar van een bestaand woongebouw door middel van een aanschrijving dwingen tot het aanbrengen van vereiste voorzieningen. De eisen in het eerste en tweede lid van artikel 2.213 zijn afgestemd (Stb. 2005, 1) op de aangepaste functionele eis van artikel 2.212, waarmee recht wordt gedaan aan het feit dat veel bestaande woongebouwen geen gesloten maar een open portiek hebben. Naast de voorwaarde dat deze eisen uitsluitend van toepassing zijn bij een afsluitbaar portiek, is het tweede lid nog tekstueel in lijn gebracht met dezelfde eis voor nieuwbouw in artikel 2.211, tweede lid.

Artikel 2.213

Bij bestaande bouw (artikel 2.212, eerste lid), is de functionele eis nu (Stb. 2005, 1) zo geformuleerd dat blijkt dat het uitsluitend om afsluitbare gemeenschappelijke verkeersruimten van woonfuncties in een woongebouw gaat. Hiermee is recht gedaan aan de situatie dat niet alle bestaande woongebouwen een afsluitbaar portiek hebben. Tot begin jaren '90 zijn, met name in de sociale sector, veelvuldig woningen met een open portiek (ofwel een zogenoemd Haags portiek) gerealiseerd. Zie verder de toelichting op de artikelen van paragraaf 2.24.1 Nieuwbouw. In aanvulling daarop valt op te merken dat voor de toegang van een bestaand woongebouw slechts is vereist dat deze is uitgerust met voorzieningen voor het in het slot vallen van de deur en voor het geven van een signaal naar de betrokken woningen. Praktisch gezien komt dit neer op het aanwezig zijn van een dranger en een bel. Anders dan bij de nieuwbouw worden er dus geen deuropener en spreekinstallatie verlangd. Op grond van de voorschriften voor bestaande gebouwen kan namelijk een gemeente de eigenaar van een bestaand woongebouw door middel van een aanschrijving dwingen tot het aanbrengen van vereiste voorzieningen. De eisen in het eerste en tweede lid van artikel 2.213 zijn afgestemd (Stb. 2005, 1) op de aangepaste functionele eis van artikel 2.212, waarmee recht wordt gedaan aan het feit dat veel bestaande woongebouwen geen gesloten maar een open portiek hebben. Naast de voorwaarde dat deze eisen uitsluitend van toepassing zijn bij een afsluitbaar portiek, is het tweede lid nog tekstueel in lijn gebracht met dezelfde eis voor nieuwbouw in artikel 2.211, tweede lid.

Afdeling 2.25 Inbraakwerendheid, nieuwbouw

Artikel 2.214

Het eerste lid geeft de functionele eis voor inbraakwerendheid van nieuwbouw.

De in het tweede lid bedoelde tabel wijst per gebruiksfunctie voorschriften aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan die voorschriften te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor het onderhavige onderwerp is er slechts één voorschrift. Dit is artikel 2.215, dat regelt waaraan gevelelementen moeten voldoen met het oog op het voorkomen van inbraak.

Voor geen enkele andere gebruiksfunctie dan 'woning' wijst de tabel van het tweede lid voorschriften aan. In het derde lid wordt bepaald dat de functionele eis evenmin voor deze andere gebruiksfuncties geldt.

Artikel 2.215

Met dit artikel wordt gewaarborgd dat nieuw te bouwen woningen worden voorzien van deugdelijk hang- en sluitwerk en van deugdelijke kozijnen waarop dat hang- en sluitwerk is aangebracht. Hoogwaardig hang- en sluitwerk werkt preventief ten aanzien van inbraken en levert een bijdrage aan de sociale veiligheid. De eisen richten zich op deuren, ramen, kozijnen en vergelijkbare gevelelementen, die bereikbaar zijn voor inbrekers. Tevens gelden de eisen voor dergelijke constructie-onderdelen in een scheidingswand tussen een woning en een ruimte van een aangrenzende gebruiksfunctie of aangrenzende gemeenschappelijke ruimte. Voorbeelden van zo'n aangrenzende gebruiksfunctie die met de woning in verbinding staat, zijn praktijk- of kantoorruimten en garages. Bij woongebouwen kan men denken aan aangrenzende gemeenschappelijke ruimten als een portiek, of een gemeenschappelijke zitgelegenheid. De constructie-onderdelen waarop dit artikel betrekking heeft, moeten een weerstandsklasse hebben van ten minste 2, bepaald overeenkomstig NEN 5096. Een gelegenheidsinbreker met gebruikelijk gereedschap zal hierdoor ten minste 3 minuten nodig hebben om in de woning in te breken. Deze weerstandsklasse 2 is vergelijkbaar met het kwaliteitsniveau zoals dit voortvloeit uit het Politiekeurmerk Veilig Wonen.

Afdeling 2.26 Tunnelveiligheid

§ 2.26.1 Nieuwbouw

Artikel 2.216

De functionele eis in het eerste lid van artikel 2.216 luidt dat een te bouwen bouwwerk weggebruikers een adequaat veiligheidsniveau biedt. In de in het tweede lid bedoelde tabel is voor de gebruiksfunctie bouwwerk geen gebouw zijnde, een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m, aangegeven dat aan de functionele eis van het eerste lid is voldaan door te voldoen aan artikel 2.217. Onder een adequaat veiligheidsniveau wordt verstaan een veiligheidsniveau dat zowel voldoet aan de richtlijn tunnelveiligheid als aan het in Nederland reeds in de praktijk gebruikelijke veiligheidsniveau, voorzover dat uitgaat boven de richtlijn. Concreet betekent dit dat de voorschriften zowel gelden voor tunnels langer dan 250 m, als voor tunnels die geen deel uitmaken van het trans-Europese wegennet, en dat onder omstandigheden een hoger veiligheidsniveau dan in de richtlijn wordt voorgeschreven.

Artikel 2.217

In artikel 2.217 is bepaald dat bij ministeriële regeling nadere voorschriften met betrekking tot de veiligheid van wegtunnels kunnen worden gegeven. Op grond van dit artikel wordt de Regeling Bouwbesluit 2003 gewijzigd. In een nieuw hoofdstuk 5 worden veiligheidseisen voor wegtunnels opgenomen. Er worden met name voorschriften gegeven omtrent:

  • sterkte bij brand;
  • overbrugging van hoogteverschillen;
  • trap;
  • elektriciteits- en noodstroomvoorziening;
  • verlichting;
  • beperking van uitbreiding van brand;
  • beperking van verspreiding van rook;
  • vluchten binnen een rookcompartiment en subbrandcompartiment;
  • vluchtroutes;
  • inrichting van rookvrije vluchtroutes;
  • voorkoming en beperking van ongevallen bij brand;
  • bestrijding van brand;
  • luchtverversing van overige ruimten;
  • meterruimte;
  • inrichtingseisen.

Voorts gelden de niet in de wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003 aangestuurde voorschriften van de gebruiksfunctie bouwwerk geen gebouw zijnde uit het Bouwbesluit 2003.