Contact Help
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken
0 topics gevondenNieuw topic starten


Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

§ 1.1 Begripsbepalingen

Artikel 1.1

Eerste lid

Bouwconstructie

Een 'bouwconstructie' is elk deel van een bouwwerk dat is bestemd om belasting te dragen. Dit kan bijvoorbeeld zijn een dragende wand, een vloer, een trap of hellingbaan, een ruit of de dakconstructie. Onder 'belasting' wordt in dit verband verstaan elke oorzaak van krachten op of vervormingen in de bouwconstructie.

Brandcompartiment

Een brandcompartiment is bedoeld om gedurende een bepaalde tijd te voorkomen dat de brand zich verder kan uitbreiden dan het brandcompartiment waarin de brand is ontstaan. Binnen deze tijd kan de brandweer handelend optreden en voorkomen dat de brand een grotere omvang aanneemt dan de omvang van het compartiment. Tevens kunnen gebruikers deze tijd benutten om zich, buiten het compartiment waarin de brand is, in veiligheid te stellen. Een brandcompartiment moet daarvoor aan diverse voorschriften voldoen. Onder meer zijn er voorschriften gesteld aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een scheidingsconstructie tussen het brandcompartiment en een andere ruimte. In de definitie van brandcompartiment is gebouwen vervangen door bouwwerken (Stb. 2006, 148). Hiermee is deze definitie ook van toepassing op tunnels.

Brand- en rookvrije vluchtroute

Een brand- en rookvrije vluchtroute voldoet niet alleen aan de eisen die gelden voor een rookvrije vluchtroute, maar ook aan eisen die voorkomen dat de vluchtroute vroegtijdig door brand wordt afgesneden.

Gebruiksfunctie

Een gebruiksfunctie is een gebruiksbestemming van een of meer bouwwerken of gedeelten van bouwwerken op hetzelfde perceel of standplaats. Een gebruiksfunctie bestaat uit een of meer niet-gemeenschappelijke ruimten. Soms deelt een gebruiksfunctie ruimten, routes of voorzieningen met andere gebruiksfuncties. Dit zijn dan gemeenschappelijke ruimten, routes respectievelijk voorzieningen. Voor een beschrijving van hetgeen onder gemeenschappelijk wordt verstaan wordt verwezen naar artikel 1.2. Bij de bepaling van bijvoorbeeld de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie wordt de gebruiksoppervlakte van de gemeenschappelijke ruimte naar verhouding meegeteld. De wijze waarop dit dan moet worden berekend is weergegeven in NEN 2580.

Bij aanvraag van een bouwvergunning geeft de aanvrager de gebruiksbestemming van de te onderscheiden delen van het bouwwerk aan. In een bouwwerk kunnen zich verschillende gebruiksfuncties bevinden. Zo kunnen zich in een kantoorgebouw naast een of meer kantoorfuncties bijvoorbeeld ook een of meer bijeenkomstfuncties (vergaderzalen en bedrijfsrestaurant) bevinden, dit naar oordeel van de aanvrager. Aan de hand van deze bestemming(en) beoordeelt het college van burgemeester en wethouders of de verschillende gebruiksfuncties die zich in het bouwwerk bevinden waarop de aanvraag betrekking heeft aan de eisen van het Bouwbesluit voldoen. Dit besluit onderscheidt twaalf (hoofd)gebruiksfuncties. Afhankelijk van het aspect kunnen binnen gebruiksfuncties subgebruiksfuncties worden onderscheiden. De verschillende hoofdgebruiksfuncties worden gedefinieerd in het derde lid van dit artikel, een aantal subgebruiksfuncties in het vierde lid.

Gebruiksfunctie die bijzonder gevoelig is voor luchtvaartlawaai

In de omschrijving van «gebruiksfunctie die bijzonder gevoelig is voor luchtvaartlawaai» is tot uitdrukking gebracht (Stb. 2009, 400) dat alleen voor de omgeving van Schiphol een LAeq-geluidszone is vastgesteld (bijlage 4 bij de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997). Zie ook de toelichting hierna, bij de wijziging van artikel 3.3, derde lid. De zinsnede «van de uitwendige scheidingsconstructie» is geschrapt, omdat de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 de ten hoogste toelaatbare LAeq-geluidsbelasting koppelt aan het geluidsniveau in de slaapkamer.

Gebruiksfunctie die gevoelig is voor luchtvaartlawaai (Stb. 2009, 400)

De omschrijving van «gebruiksfunctie die gevoelig is voor luchtvaartlawaai» is aangepast aan de wijzigingswet van 18 december 2008 (introductie van de term «beperkingengebied»). Verder is de verwijzing naar de Wet geluidhinder specifiek gemaakt. Concreet gaat het daarbij om het Besluit zonering buitenlandse luchtvaartterreinen Noord- en Midden-Limburg en het Besluit zonering buitenlands luchtvaartterrein Zuid-Limburg. Ten slotte is de reikwijdte van de omschrijving beperkt tot woon-, gezondheidszorg- en onderwijsfuncties, vanwege de beoogde reikwijdte van artikel 3.3, eerste en tweede lid (zie de toelichting bij die leden in Stb. 2001, 410, blz. 244). Om dezelfde reden is de reikwijdte van artikel 3.3, tweede lid, beperkt tot kantoorfuncties.

Integraal toegankelijke toiletruimte

Een voor rolstoelgebruikers toegankelijke toiletruimte is voorgeschreven afhankelijk van de soort en grootte van de gebruiksfunctie. De integraal toegankelijke toiletruimte ligt in een toegankelijkheidssector.

Integraal toegankelijke badruimte

Een voor rolstoelgebruikers toegankelijke badruimte is voorgeschreven afhankelijk van de soort en grootte van de gebruiksfunctie. De integraal toegankelijke badruimte ligt in een toegankelijkheidssector.

Inwendige scheidingsconstructie

Een inwendige scheidingsconstructie is bijvoorbeeld een woningscheidende wand, een binnenwand of een verdiepingscheidende vloer. Deuren, ramen, schachten, kanalen en kolommen, die in een inwendige scheidingsconstructie voorkomen, maken deel uit van die scheidingsconstructie. Het gaat om het geheel van de constructie die de scheiding vormt tussen twee voor mensen toegankelijke ruimten.

Klimlijn

De klimlijn geeft een denkbeeldige route weer die mensen over de trap volgen. Een aantal voorschriften die betrekking hebben op de beloopbaarheid van de trap zijn aan deze klimlijn gerelateerd, bijvoorbeeld de aantrede van de trap.

Meetniveau

Het meetniveau is de bovenkant van het terrein ter plaatse van de toegang van een gebouw. Indien een gebouw slechts kan worden betreden via een trap of een hellingbaan, is het meetniveau de hoogte van het terrein aan de voet van de trap of hellingbaan.

NEN

Het begrip 'NEN' dient ter aanduiding van een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut (voorheen NNI, nu bekend onder de naam NEN) als Nederlandse norm aanvaard en gepubliceerd document.

Nevenfunctie

Wanneer er sprake is van 'een ruimte die ten dienste staat van' kan dit in de systematiek van het geconverteerde Bouwbesluit betrekking hebben op twee verschillende situaties. Ten eerste de situatie als bedoeld in artikel 1.2 van het geconverteerde Bouwbesluit. Het gaat daar om een onzelfstandige ruimte die onderdeel is van een bepaalde gebruiksfunctie. Een dergelijke ruimte moet naar rato worden meegeteld bij de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie. Een voorbeeld hiervan is een gemeenschappelijke woonkamer in een studentenhuis. In het tweede geval gaat het om een ruimte die weliswaar ten dienste staat van een andere gebruiksfunctie maar die toch als zelfstandige gebruiksfunctie wordt aangemerkt. Om te voorkomen dat er in dit tweede geval toch een toerekening van de gebruiksoppervlakte aan de hoofdgebruiksfunctie moet plaatsvinden, een gevolg van artikel 1.2, is alsnog besloten het begrip nevenfunctie in te voeren en artikel 1.2 hierop aan te passen (Stb. 2002, 203). Bij een nevenfunctie kan gedacht worden aan een garage bij een woning, een fietsenstalling bij een kantoor, een werkplaats in een gevangeniscomplex, of een liftschacht bij een tunnel.

Nooddeur (Stb. 2005, 1)

Als gevolg van de afstemming van het Bouwbesluit 2003 met het Arbeidsomstandighedenbesluit is een definitie opgenomen van het begrip 'nooddeur'. Een nooddeur is uitsluitend bestemd voor ontvluchten in geval van calamiteiten en zal niet voor regulier gebruik worden benut. Op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit moet een nooddeur met de vluchtrichting meedraaien en is toepassing van een schuifdeur als nooddeur niet toegestaan voor een ruimte waarin wordt gewerkt met brandgevaarlijke of voor de gezondheid gevaarlijke stoffen. Daarom is in de artikelen 2.146, 2.148, 2.151, 2.152, 2.171 en 2.180 van het Bouwbesluit 2003, die alle op het ontvluchten betrekking hebben, een verbod opgenomen voor de toepassing van een schuifdeur als nooddeur. Een nooddeur zal onder alle omstandigheden van binnenuit zonder sleutel moeten kunnen worden geopend, bijvoorbeeld door middel van een zogenoemde 'panieksluiting', terwijl deze deur normaliter niet van buitenaf te openen is. Wanneer een in een vluchtroute gelegen deur onder normale omstandigheden ook wordt benut voor het bereiken van ruimten in een gebouw, dan is er geen sprake van een nooddeur maar van een deur van een toegang die ook als vluchtdeur kan dienen. Het is daarom niet uitgesloten dat in bijvoorbeeld de hoofdtoegang of een andere toegang van een gebouw een schuifdeur wordt toegepast. Het Bouwbesluit 2003 schrijft overigens geen nooddeuren voor, maar stelt slechts de eis dat een nooddeur die in een rookvrije of brand- en rookvrije vluchtroute ligt geen schuifdeur mag zijn. Opgemerkt moet worden dat ook een nooduitgang uitsluitend bedoeld voor het ontvluchten van een gebouw volgens de systematiek van dit besluit wordt benoemd als een toegang.

Noodtrap (Stb. 2005, 1)

Een trap die niet bedoeld is om een ruimte in een bouwwerk te bereiken, maar uitsluitend om bij calamiteiten het bouwwerk te ontvluchten, behoeft niet aan alle eisen te voldoen van een reguliere trap. Om een dergelijke trap te kunnen onderscheiden van een reguliere trap, is het noodzakelijk deze als noodtrap te definiëren.

Rookcompartiment

Een brandcompartiment kan worden opgedeeld in rookcompartimenten. De indeling in rookcompartimenten heeft tot doel bij brand veilig vluchten zonder hinder van rook mogelijk te maken. De eisen die aan een rookcompartiment worden gesteld zorgen ervoor dat de door de rook af te leggen weg niet te lang wordt.

Rookvrije vluchtroute

Onder een rookvrije vluchtroute wordt een route verstaan waarlangs de in een gebouw aanwezige personen zich bij brand zelfstandig in veiligheid kunnen stellen. Om te bewerkstelligen dat die personen bij het vluchten geen direct gevaar voor leven en gezondheid lopen, dient die route onder meer te voldoen aan voorschriften met betrekking tot rookwerendheid. Deze route mag uitsluitend over vloeren, hellingbanen of trappen voeren, omdat het gebruik van bepaalde mechanische voorzieningen zoals liften en roltrappen bij brand risico's met zich meebrengt.

Technische ruimte

Een ruimte voor het plaatsen van apparatuur die noodzakelijk is voor het functioneren van een gebouw. Voorbeelden zijn een meterruimte, een stookruimte, een ruimte waarin de airconditioning is geplaatst of een liftmachineruimte. Onder deze apparatuur worden niet verstaan de machines die zijn bestemd voor de bedrijfsmatige productie van goederen. Een ruimte behoeft niet besloten te zijn om als technische ruimte te kunnen functioneren, want elke technische ruimte (besloten of niet-besloten) moet bij een bepaalde omvang als brandcompartiment worden aangemerkt. Daarom is 'besloten' uit de definitie geschrapt (Stb. 2002, 203).

Toegang van een gebruiksfunctie

De begripsbepaling toegang van een gebruiksfunctie is afwijkend van het algemene principe van toedeling van gemeenschappelijke ruimten zoals dat in de begripsbepaling gebruiksfunctie is omschreven. Het is noodzakelijk de toegang van een gebruiksfunctie afwijkend te definiëren om te kunnen bepalen waar de toegang van de niet-gemeenschappelijke ruimten zich bevindt, bijvoorbeeld de voordeur van een flatwoning. Dit is met name nodig om de ligging van gemeenschappelijke voorzieningen zoals een lift, een toiletruimte of een badruimte ten opzichte van de individuele ruimten van een woning te kunnen bepalen.

Toegankelijkheidssector

Een toegankelijkheidssector is een zone van een bouwwerk waarin een rolstoelgebruiker zich zelfstandig kan verplaatsen. Dit betekent dat er voldoende manoeuvreerruimte is en dat er geen voor een rolstoel onoverbrugbare hoogteverschillen zijn.

Tunnellengte (Stb. 2006, 148)

De begripsbepaling tunnellengte is noodzakelijk om eenduidig vast te kunnen stellen of een wegtunnel wel of niet onder deze voorschriften valt. Het komt er op neer dat de lengte van het omsloten gedeelte van de langste tunnelbuis waarin een rijbaan is gelegen bepalend is. Bij het bepalen van de tunnellengte wordt uitgegaan van het 'omsloten' gedeelte van de tunnel. Het Bouwbesluit 2003 geeft geen definitie van 'omsloten'. In beginsel zal het omsloten gedeelte van de tunnel zich uitstrekken van tunnelmond tot tunnelmond. Het omsloten gedeelte kan echter achter de tunnelmond beginnen, bijvoorbeeld indien er zich in het tunneldak of de tunnelwand voldoende grote openingen bevinden om de bij een brand ontstane rook en hitte in voldoende mate af te voeren. Wanneer sprake is van een 'omsloten gedeelte' is in het kader van de aanvraag om bouwvergunning uiteindelijk ter beoordeling van de gemeente.

Opgemerkt wordt dat de in dit besluit opgenomen definitie van tunnellengte niet letterlijk is overgenomen uit de richtlijn. Zoals hierboven is toegelicht gaat het hier om het volledig omsloten gedeelte en niet om het zoals in de Nederlandse versie van de richtlijn opgenomen 'volledig gesloten' gedeelte. Kenmerkend voor een wegtunnel is ten slotte dat deze aan de tunnelmonden open is. Een tweede punt is, dat in dit besluit wordt uitgegaan van rijbaan in plaats van rijstrook omdat de indeling in rijstroken een niet bouwkundige voorziening is en een rijbaan wel. Met de in dit besluit opgenomen definitie van tunnellengte wordt geen inhoudelijke wijziging aangebracht in de reikwijdte van de oorspronkelijke definitie, er wordt derhalve volledig recht gedaan aan de doelstellingen van de richtlijn.

Uitwendige scheidingsconstructie

Als uitwendige scheidingsconstructie kunnen onder meer worden aangemerkt de gevel en het dak. Voorts is als uitwendige scheidingsconstructie bijvoorbeeld aan te merken de scheidingsconstructie tussen een woning en een niet besloten verkeersruimte, zoals een galerij. De begane-grondvloer van een woning of ander gebouw die boven een kruipruimte is gelegen, is niet als uitwendige scheidingsconstructie aan te merken, aangezien de vloer niet de scheiding vormt met de grond, de buitenlucht of het water.

Veiligheidstrappenhuis

Een veiligheidstrappenhuis is een vluchttrappenhuis waarin geen brand en rook kan doordringen. De bepaling dat een veiligheidstrappenhuis in de vluchtrichting uitsluitend kan worden bereikt vanuit een niet besloten ruimte, is bedoeld om de door dat trappenhuis voerende vluchtroute te beschermen tegen het binnendringen van rook.

Verblijfsgebied

Volgens het begrip verblijfsgebied moet, voor zover het gaat om het bouwen van gebouwen, een verblijfsruimte te allen tijde in een verblijfsgebied zijn gelegen. Met andere woorden, een verblijfsgebied kan worden opgedeeld in verblijfsruimten en andere ruimten. Door het geven van voorschriften voor het verblijfsgebied, wordt een minimumniveau voor de verblijfsruimte gewaarborgd. Op deze wijze wordt zoveel mogelijk recht gedaan aan de vrije indeelbaarheid van het verblijfsgebied. De aanvrager van de bouwvergunning kan zelf aangeven welk deel van de gebruiksfunctie wordt benoemd als verblijfsgebied. Voor een toelichting op het begrip verblijfsgebied niet bestemd voor het verblijven van mensen, wordt verwezen naar het overeenkomstig gestelde voor het begrip verblijfsruimte.

Verblijfsruimte

In artikel 1, derde lid, is per gebruiksfunctie aangegeven welke activiteiten daarvoor kenmerkend zijn. Op die activiteiten zijn de voorschriften voor een verblijfsruimte van die gebruiksfunctie afgestemd. Van bijvoorbeeld een kantoorfunctie moeten de werkvertrekken voor administratieve werkzaamheden en voor een school de klaslokalen als verblijfsruimten worden aangemerkt. Behalve voor het verblijven van mensen kan een verblijfsruimte in bepaalde gevallen zijn bedoeld voor activiteiten waarbij het verblijven van mensen geen rol van betekenis speelt. Dit is bijvoorbeeld het geval indien het opslaan van goederen de kenmerkende activiteit is (een pakhuis). Een dergelijke verblijfsruimte wordt in dit besluit aangegeven als een verblijfsruimte niet bestemd voor het verblijven van mensen. Voor deze ruimten gelden op de desbetreffende situatie afgestemde (lichtere) voorschriften. Het Bouwbesluit kent, behalve een verblijfsruimte ook een verblijfsgebied niet bestemd voor het verblijven van mensen.

Verkeersruimte

Als een verkeersruimte kan bijvoorbeeld worden aangemerkt een gang, hal of portaal in een woning of een galerij, corridor of trappenhuis in een al of niet tot bewoning bestemde gebruiksfunctie. Als de ruimte waardoor een andere ruimte bereikt kan worden een verblijfsgebied, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte is, is deze ruimte niet een verkeersruimte doch een ruimte waardoor een verkeersroute voert.

Verkeersroute

Een verkeersroute is bijvoorbeeld de route die vanaf een slaapkamer via een gang, een trap, de woonkamer en de hal naar de toegang van de woning voert. Voor de verkeersroute geldt het volgende:

  • De verkeersroute behoort bij de gebruiksfunctie die er op is aangewezen en moet aan de voorschriften die voor die gebruiksfunctie gelden voldoen.
  • De ruimte waardoor een verkeersroute voert behoeft daarentegen niet tot de gebruiksfunctie te horen.

Het is dus mogelijk dat voor de ruimte de voorschriften van een andere gebruiksfunctie gelden dan voor de route die er doorheen loopt. In dat geval gelden voor het gedeelte van de route dubbele voorschriften waarbij aan de zwaarste zal moeten worden voldaan.

Vrije vloeroppervlakte (Stb. 2005, 1)

Gezien het uitgangspunt van het Bouwbesluit 2003 met name eisen te stellen aan het gebouw en niet zozeer aan installaties (lees de hoogte van liften) bleek dat het gebruik van het begrip vrije vloeroppervlakte in een aantal gevallen tot onbedoelde effecten leidde. Onder vrije vloeroppervlakte werd namelijk verstaan 'een vloeroppervlakte waarboven zich een vrije hoogte bevindt van ten minste 2,3 m voor een woonfunctie niet zijnde een woonfunctie van een woonwagen en ten minste 2,1 m voor een andere gebruiksfunctie' (artikel 1.1, eerste lid, voor inwerkingtreding van dit besluit). Deze definitie had bijvoorbeeld tot gevolg dat in artikel 4.7, waar een voorschrift is gegeven voor de afmetingen van de liftkooi met het oog op de toegankelijkheid voor rolstoelgebruikers, onbedoeld ook een eis aan de hoogte van de liftkooi werd gesteld (zie toelichting op artikel 4.7). Om een dergelijk effect te voorkomen is er voor gekozen om het begrip vrije vloeroppervlakte te laten vervallen en overal in het Bouwbesluit 2003 te spreken van vloeroppervlakte. Waar nodig is dan tevens een eis aan de hoogte boven de vloer gesteld. Op die manier kan bovendien een onderscheid worden aangebracht tussen de minimum aan te houden vrije hoogte voor nieuwbouw en voor bestaande bouw.

Wegtunnel (Stb. 2006, 148)

tunnel of tunnelvormig bouwwerk uitsluitend dan wel mede bestemd voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994. Hiermee is zekergesteld dat de voorschriften voor wegtunnels in het Bouwbesluit 2003 uitsluitend betrekking hebben op tunnels voor auto- en vrachtverkeer over de weg.

Tweede lid

Brandweerlift

Een brandweerlift (als bedoeld in richtlijn nr. 95/16/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 juni 1995, inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende liften (pbEG L 213)) is noodzakelijk om de brandweer in de gelegenheid te stellen met geëigend materieel de hoger gelegen verdiepingen te kunnen bereiken en doorzoeken naar achtergebleven personen. Een brandweerlift is voorgeschreven wanneer een gebouw hoger is dan 20 meter en boven die hoogte voor het verblijf van mensen bestemde ruimten zijn gelegen. Aan de inrichting van een brandweerlift worden bepaalde eisen gesteld ten einde die lift ook als zodanig te kunnen laten functioneren. Om duidelijk te maken aan welke eisen een brandweerlift moet voldoen is aansluiting gezocht bij bijlage Z.4 van de oude NEN-EN 81-1 (Stb. 2002, 516) verwezen, maar naar een nieuwe norm (Stb. 2005, 1). In deze norm (NEN-EN 81-72) is namelijk de begripsbepaling uit de bijlage van de eerdere norm opgenomen.

Bijdrage tot brandvoortplanting

Om te voorkomen dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het oppervlak van constructie-onderdelen, moet de bijdrage tot brandvoortplanting van een constructie-onderdeel beperkt worden. De bijdrage tot brandvoortplanting moet worden bepaald volgens NEN 6065. Deze norm voorziet erin dat de combinatie van bouwmaterialen die over een diepte van 0,15 m in een constructie-onderdeel is toegepast, aan een beproeving moet zijn onderworpen om de bijdrage tot brandvoortplanting van een constructie-onderdeel te kunnen vaststellen. Omdat de brandvoortplanting van de bovenzijde van horizontale vlakken sterk afwijkt van die van niet-horizontale vlakken, moet de bijdrage tot brandvoortplanting aan deze zijde zijn bepaald volgens NEN 1775. Ingevolge deze norm moet de combinatie van bouwmaterialen die over een diepte van 0,03 m, grenzend aan het oppervlak van de vloer of tredenvlak, is toegepast, aan de beproeving zijn onderworpen.

CLV-systeem

Onder een CLV-systeem wordt verstaan het Combinatie-Luchttoevoer-Verbrandingsgas-afvoersysteem als bedoeld in NEN 2757. Dit systeem werkt op natuurlijke trek en bestaat uit een combinatie van een leiding voor de gemeenschappelijke toevoer van verbrandingslucht en een leiding of kanaal voor de gemeenschappelijke afvoer van rook. Het CLV-systeem is uitsluitend bestemd voor met gas gestookte toestellen die voorzien zijn van een ventilator.

Energieprestatiecoëfficiënt

De energieprestatiecoëfficiënt is een waarde waarmee de mate van energiezuinigheid wordt berekend. De wijze van berekening is voor woonfuncties vastgelegd in NEN 5128 en voor andere gebruiksfuncties in NEN 2916 (Stb. 2002, 203).

Funderingselement (Stb. 2005, 1)

Deze definitie vervalt omdat het begrip funderingselement sinds de invoering van het Bouwbesluit 2003 niet meer in de voorschriften wordt gebruikt.

Gebruiksoppervlakte

Onder de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie wordt verstaan het totaal van de tussen omsluitende wanden gelegen vloeroppervlakten van in die gebruiksfunctie gelegen ruimten. Tot die gebruiksoppervlakte worden niet gerekend de oppervlakten die worden ingenomen door dragende constructie-onderdelen, de oppervlakten van vloeren waarboven een hoogte aanwezig is van minder dan 1,5 m en de vloeroppervlakten van bijvoorbeeld een buiten een woning in het woongebouw gelegen bergruimte, stookruimte of trappenhuis. De gebruiksoppervlakte van een in een woongebouw gelegen woonfunctie bestaat uit het totaal van de tussen omsluitende wanden gelegen vloeroppervlakten van de niet-gemeenschappelijke ruimten van de woonfunctie, vermeerderd met het evenredig deel van bepaalde, in het woongebouw gelegen gemeenschappelijke ruimten waarop die woonfunctie is aangewezen.

Derde lid

In het Bouwbesluit worden twaalf (hoofd)gebruiksfuncties onderscheiden, te weten elf functies voor gebouwen en één functie voor een bouwwerk geen gebouw zijnde. Het bouwwerk geen gebouw zijnde is niet gedefinieerd. In artikel 1 van de Woningwet is gebouw gedefinieerd. Een definitie van bouwwerk is opgenomen in de Model- bouwverordening van de Vereniging van Nederlandse gemeenten. Voorts is hierover ruime jurisprudentie voorhanden. Uit een en ander volgt voldoende duidelijk wat een bouwwerk geen gebouw zijnde is. Een voorbeeld van een bouwwerk geen gebouw zijnde is een brug.

Woonfunctie

Onder woonfunctie vallen ruimten die een woonbestemming hebben zoals vrijstaande woningen, eengezinswoningen, flat- of portiekwoningen, kamers in een stu dentenhuis en woonwagens. Een ruimte van een woonboot valt daar niet onder. Een woonschip is namelijk geen bouwwerk in de zin van de Woningwet.

Uit jurisprudentie blijkt echter dat op deze regel uitzonderingen mogelijk

Bijeenkomstfunctie

Onder deze gebruiksfunctie kan bijvoorbeeld worden verstaan de kenmerkende ruimten van een congrescentrum, een kerk, een wijkgebouw, een bioscoop, een theater, een casino, een café, een restaurant, een kantine, een discotheek, een tentoonstellingsgebouw, een museum, een kinderdagverblijf en een tribune in een sportgebouw.

Celfunctie

Een celfunctie kan bijvoorbeeld een gevangenis- of een politiecel zijn maar ook een kamer in een tehuis voor dwangmatige verpleging.

Gezondheidszorgfunctie

Hierbij gaat het bijvoorbeeld om ruimten voor de behandeling of verpleging van patiënten in een ziekenhuis, een verzorgingstehuis, een psychiatrische inrichting, een medisch centrum, een polikliniek en een praktijkruimte voor een huisarts, fysiotherapeut of tandarts. Verder dient te worden opgemerkt dat een verpleeghuis, vanwege het feit dat de bewoners er over het algemeen permanent verblijven, naast de gezondheidszorgfunctie, tevens een woonfunctie omvat.

Industriefunctie

Een industriefunctie omvat bijvoorbeeld een werkplaats of een magazijn van een fabriek, een opslagruimte in een pakhuis, of een stal van een boerderij.

Kantoorfunctie

Een kantoorfunctie is bijvoorbeeld onderdeel van een accountantsbureau, een adminitratiekantoor, een advocatenkantoor, een bankgebouw, of een gemeentehuis.

Logiesfunctie

Een logiesfunctie ligt onder meer in een zomerhuisje en in een hotel, een motel of een pension.

Onderwijsfunctie

Een onderwijsfunctie omvat bijvoorbeeld een klaslokaal in een schoolgebouw of een collegezaal van een universiteit. Een tot een school behorend gymnastieklokaal is echter een sportfunctie.

Sportfunctie

Een sportfunctie kan bijvoorbeeld liggen in een zwembad, een gymnastieklokaal, een sporthal of een fitnesscentrum. Een ruimte voor toeschouwers valt onder de bijeenkomstfunctie.

Winkelfunctie

Een winkelfunctie ligt bijvoorbeeld in een winkelcentrum, warenhuis, supermarkt of reisbureau. Het stationsloket en de verkoop bij een tankstation vallen hier eveneens onder.

Overige gebruiksfunctie

Hieronder worden verstaan alle gebruiksfuncties die niet onder hierboven genoemde gebruiksfuncties vallen. Een overige gebruiksfunctie is bijvoorbeeld een trafohuisje.

Vierde lid

Naast de twaalf (hoofd)gebruiksfuncties zijn er nog (sub)gebruiksfuncties gedefinieerd in het Bouwbesluit. Dit is een aantal veelvoorkomende ondersoorten van de in het derde lid genoemde gebruiksfuncties.

Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang (Stb. 2005, 1)

Om een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang te kunnen onderscheiden van andere bijeenkomstfuncties is deze begripsbepaling opgenomen. Onder de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang vallen dagopvang met slaapgelegenheid voor kinderen tot 4 jaar, de buitenschoolse opvang en de 24-uurs opvang. Het gaat om bedrijfsmatige opvang. De oppas aan huis of de gastouder die één of meer kinderen in de eigen woning opvangt of verzorgt, vallen buiten de reikwijdte van de begripsbepaling. Voorzieningen waar kinderen wonen, zoals bijvoorbeeld een 'weeshuis', worden niet gerekend tot de bijeenkomstfunctie. Deze vallen onder de woonfunctie. Medische voorzieningen zoals een medisch kinderdagverblijf of een kinderziekenhuis vallen onder de gezondheidszorgfunctie.

Lichte industriefunctie

Een lichte industriefunctie is bijvoorbeeld een opslagloods, een kas of een stal. Onder een lichte industriefunctie wordt niet een hondenhok of een daarmee vergelijkbaar bouwwerk verstaan. Op een fabrieksterrein kunnen de industriefunctie en de lichte industriefunctie gelijktijdig aanwezig zijn.

Vijfde lid

Het Bouwbesluit verbindt bepaalde eisen aan een aantal specifieke verzamelingen van gebruiksfuncties. Duidelijk is dat er geen sprake meer behoeft te zijn van een gebouw of gedeelte van een gebouw met slechts één gebruiksfunctie. Met de gewijzigde formulering (Stb. 2002, 203) wordt beter recht gedaan aan de praktijk om andere gebruiksfuncties waaronder ook nevenfuncties gebruik te laten maken van de gemeenschappelijke verkeersroutes in dergelijke gebouwen. Die andere gebruiksfuncties zijn veelal op een of andere wijze verbonden met deze gebouwtypen, zoals in een woongebouw de bergingen (overige gebruiksfunctie) met de woningen, in een penitentiaire inrichting de ziekenboeg (gezondheidszorgfunctie) of werkplaats (industriefunctie) met het cellengebouw en in een hotel/restaurant de receptie (kantoorfunctie) of restaurant/bar (bijeenkomstfunctie) met de hotelkamers in het logiesgebouw.

Woongebouw

Een woongebouw is bijvoorbeeld een bouwwerk waarin een portiek- of een galerijflat is gelegen. Ruimten met een andere gebruiksfunctie dan een woonfunctie, bijvoorbeeld de kelder- of garageboxen onder een flatgebouw, zijn geen onderdeel van een woongebouw als bedoeld in het Bouwbesluit.

Cellengebouw

Een cellengebouw is bijvoorbeeld een cellenblok in een gevangenis, een huis van bewaring of een politiebureau. Ruimten met een andere gebruiksfunctie dan een celfunctie, bijvoorbeeld de kantoorruimten, sportzalen en werkplaatsen zijn geen onderdeel van een cellengebouw als bedoeld in het Bouwbesluit.

Logiesgebouw

Een logiesgebouw is bijvoorbeeld een hotel of een pension. Ruimten met een andere gebruiksfunctie dan een logiesfunctie, bijvoorbeeld de kantoorruimten, vergaderruimten, eetzaal en keuken zijn geen onderdeel van een logiesgebouw als bedoeld in het Bouwbesluit.

Zesde lid

Bezettingsgraadklasse

De indeling in bezettingsgraadklassen is nodig om nuances aan te brengen in zwaarte van de voorschriften. Voor zover gebouwen in de praktijk op verschillende manieren kunnen worden gebruikt, zijn klassen te onderscheiden naar het gemiddeld aanwezige aantal personen per m2 vloeroppervlakte aan verblijfsgebied. Het Bouwbesluit onderscheidt twee soorten bezettingsgraadklassen, te weten m2 gebruiksoppervlakte per persoon en m2 vloeroppervlakte aan verblijfsgebied per persoon. De klassen lopen van klasse B1 tot klasse B5 waarbij B1 het kleinste aantal meters per persoon, ofwel, het grootste aantal personen per m2 weergeeft en B5 de lichtste bezettingsgraad is met het grootste aantal m2 per persoon. Het is de bedoeling dat een aanvrager om bouwvergunning bij zijn aanvrage kenbaar maakt voor welke klasse hij een gebruiksfunctie geschikt wil doen zijn. Dit bepaalt vervolgens het niveau van eisen dat aan de desbetreffende gebruiksfunctie wordt gesteld. Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat de bezettingsgraad niet uitsluitend per gebruiksfunctie wordt bepaald, maar ook, afhankelijk van het voorschrift, bijvoorbeeld per gebouw, rookcompartiment of verblijfsgebied. In de praktijk is gebleken dat de voorschriften voor de zwaarste bezettingsgraadklasse (B1) bij een extreem hoge bezettingsgraad tekortschoten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie in discotheken. Indachtig ook de ervaringen in Volendam is er nu voor gekozen bezettingsgraad B1 te begrenzen (Stb. 2002, 203). Een hogere bezetting is dan niet toegestaan tenzij betrokkene met een beroep op de gelijkwaardigheidsbepaling aantoont dat dezelfde mate van veiligheid wordt geboden als beoogd met het desbetreffende voorschrift. Met deze wijziging sluiten de sturingsmogelijkheden via de bouwvergunning, zodat bijvoorbeeld extra voorzieningen aan vluchtwegen kunnen worden geëist, beter aan bij het beoogde gebruik.

Onderdeel A (Stb. 2010, 144) voegt aan artikel 1.1, eerste respectievelijk vijfde lid, van het Bb definities van de begrippen «standplaats» en «woonwagen» toe. Deze definities waren eerst opgenomen in artikel 1, eerste lid, onderdelen e en h, van de Woningwet. Bij de Invoeringswet Wabo zijn deze echter komen te vervallen, omdat het onderscheiden van de begrippen standplaats en woonwagen voor de toepassing van de Woningwet zelf niet meer noodzakelijk is. Wat betreft de standplaats houdt dit verband met het feit dat het aanleggen van een standplaats niet langer als bouwen in de zin van de Woningwet wordt aangemerkt. Wat betreft de woonwagen houdt dit verband met het feit dat met de intrekking van de Woonwagenwet en de Wet op de woonwagens en woonschepen in 1999 het afzonderlijke wettelijke regime voor de woonwagens is komen te vervallen. Woonwagens vallen thans onder het gewone begrippenkader van de Woningwet. Voor de toepassing van het Bb zijn de begrippen standplaats en woonwagen echter onverminderd van belang. Het Bb bevat specifieke eisen ten aanzien van een als woonwagen aan te merken gebouw. In relatie tot die eisen wordt in een beperkt aantal voorschriften naar het begrip standplaats verwezen. Om die reden zijn definities van deze begrippen aan artikel 1.1, eerste respectievelijk vijfde lid, van het Bb toegevoegd. Deze definities komen volledig overeen met de definities zoals deze waren opgenomen in de Woningwet. Materieel wijzigt er in dit opzicht dus niets.

Artikel 1.2

De aanduiding gemeenschappelijk wordt gebruikt bij gedeelten van een bouwwerk, ruimte of voorzieningen die ten dienste staan van meer dan een gebruiksfunctie. Dit kunnen dan zowel verschillende soorten gebruiksfuncties zijn als meerdere gebruiksfuncties van dezelfde soort. Als gemeenschappelijke ruimte voor meerdere gebruiksfuncties van de zelfde soort is bijvoorbeeld aan te merken een gezamenlijke badruimte van een aantal studentenwoningen in een studentenflat. Alleen indien dat bij het desbetreffende voorschrift uitdrukkelijk is aangegeven, mag een ruimte of voorziening gemeenschappelijk zijn. Als gevolg van de invoeging van de definitie voor nevenfunctie is de tweede volzin van artikel 1.2 aangepast (Stb. 2002, 203).

§ 1.2 Toepassing NEN en NEN-EN

Artikel 1.4

Ingevolge de EG-Richtlijn inzake voor de bouw bestemde producten kunnen door de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN) zogenoemde geharmoniseerde normen worden opgesteld die voor de Lid-Staten verbindend zijn. Die geharmoniseerde normen treden dan binnen een in de normen gestelde termijn in de plaats van de voor het desbetreffende onderwerp geldende Nederlandse norm. Ten einde te voorkomen dat in zo'n geval het onderhavige besluit moet worden gewijzigd, is in het eerste lid bepaald dat een dergelijke Europese norm in de plaats treedt van een NEN-norm. Op die manier kan snel en doeltreffend worden ingespeeld op ontwikkelingen die ter zake voortvloeien uit de richtlijn. Niet uitgesloten is dat met het oog op een Europese geharmoniseerde norm moet kunnen worden afgeweken van een in het onderhavige besluit gegeven voorschrift. Te denken valt bijvoorbeeld aan een situatie waarin de klasse-indeling in een geharmoniseerde norm niet overeenkomt met een bij of krachtens dit besluit gegeven voorschrift. Derhalve is in het tweede lid voorzien in de mogelijkheid om bij ministeriële regeling ter zake voorschriften te geven. Daarmee blijft een snelle implementatie van Europese geharmoniseerde normen gewaarborgd.

§ 1.3 Gelijkwaardigheidsbepaling

Artikel 1.5

Dit artikel biedt de aanvrager van een bouwvergunning de mogelijkheid om van een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gestelde prestatie-eis af te wijken. De aanvrager die een beroep op dit gelijkwaardigheidsartikel doet moet ten genoegen van burgemeester en wethouders aantonen dat het bouwwerk tenminste eenzelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt als is beoogd met het betrokken voorschrift.

§ 1.4 CE-markeringen en kwaliteitsverklaringen

Artikel 1.6

Toelichting op Paragraaf 1.4  Met de wijziging van de volgorde in het opschrift van paragraaf 1.4 wordt de CE-markering voortaan eerst genoemd en daarna de kwaliteitsverklaring, hiermee wordt beter recht gedaan aan het belang van de CE-markering (Stb. 2007, 439). Ook de volgorde van de artikelen 1.6 en 1.7 is omgedraaid. In artikel 1.6 zijn voorschriften over de CE-markering opgenomen en in artikel 1.7 voorschriften over de kwaliteitsverklaring.  

In het eerste lid van artikel 1.6 is bepaald (Stb. 2007, 439) dat wanneer er een verklaring wordt gevraagd omtrent de kwaliteit van een bouwproduct dat voldoet aan de fundamentele voorschriften als bedoeld in artikel 3 van de richtlijn bouwproducten dit alleen een CE-markering mag zijn. Dit betekent dat voor producten waarvoor een CE-markering is vastgesteld, geen kwaliteitsverklaring voor de eisen waarop die CE-markering betrekking heeft is toegestaan.  

In het tweede lid is bepaald (Stb. 2007, 439) dat een bouwproduct met CE-markering, dat is toegepast overeenkomstig de CE-markering voldoende bewijs oplevert dat aan de bij of krachtens het Bouwbesluit 2003 gegeven voorschriften is voldaan.  

In het derde lid is een bepaling opgenomen (Stb. 2007, 439) omtrent de verklaring van conformiteit als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de richtlijn bouwproducten. Dit voorschrift is vergelijkbaar met hetgeen voor de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit in het tweede lid van artikel 1.7 was opgenomen. Met het derde lid blijft de vrije verhandelbaarheid van producten die ingevolge de richtlijn bouwproducten geen CE-markering behoeven te dragen, omdat zij slechts van geringe betekenis zijn voor de volksgezondheid en veiligheid, gewaarborgd.

Artikel 1.7

Toelichting op Paragraaf 1.4  Met de wijziging van de volgorde in het opschrift van paragraaf 1.4 wordt de CE-markering voortaan eerst genoemd en daarna de kwaliteitsverklaring, hiermee wordt beter recht gedaan aan het belang van de CE-markering (Stb. 2007, 439). Ook de volgorde van de artikelen 1.6 en 1.7 is omgedraaid.

In artikel 1.6 zijn voorschriften over de CE-markering opgenomen en in artikel 1.7 voorschriften over de kwaliteitsverklaring.  

In artikel 1.7 zijn de uitgangspunten die gelden bij de toepassing van een kwaliteitsverklaring opgenomen (Stb. 2007, 439). Onder een kwaliteitsverklaring wordt verstaan een kwaliteitsverklaring die is afgegeven op basis van een door de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie erkend stelsel van kwaliteitsverklaringen voor de bouw. De uitgangspunten van dit stelsel op vrijwillige basis zijn opgenomen in de artikelen 1.17 tot en met 1.19 van de Regeling Bouwbesluit 2003.  

Wanneer een dergelijke kwaliteitsverklaring is afgegeven voor een bouwproduct, of bouwproces en dat product, of dat proces is toegepast overeenkomstig de kwaliteitsverklaring dan levert dit voldoende bewijs op dat aan de bij of krachtens het Bouwbesluit 2003 ter zake gegeven voorschriften is voldaan.  

Artikel 1.8

In dit artikel is bepaald dat bouwproducten die geen CE-markering mogen dragen, omdat zij niet voldoen aan de Europese Technische Specificaties, niet in de handel mogen worden gebracht. Dit verbod vloeit voort uit artikel 2 van de richtlijn bouwproducten, waarin is voorgeschreven dat de Lidstaten de nodige maatregelen nemen om er voor te zorgen dat de in die richtlijn bedoelde voor de bouw bestemde producten alleen dan in de handel kunnen worden gebracht, wanneer zij voor het beoogde doel geschikt zijn. Uit het derde lid volgt dat overtreding van het verbod een economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten is. Uitzondering op dit verbod vormen, zo is in het tweede lid bepaald, bouwproducten die vallen onder de artikelen 4, vijfde lid, en 6, tweede lid, van de richtlijn bouwproducten.  

Artikel 1.9

In het eerste lid is, om misleiding te voorkomen, overeenkomstig artikel 15 van de richtlijn bouwproducten, bepaald dat geen met de CE-markering gelijkende markering mag worden gebezigd. Aan de hand van deze verbodsbepaling kan tegen onjuist gebruik worden opgetreden door bijvoorbeeld het verdere gebruik te verbieden en de reeds in de handel gebrachte bouwproducten uit de handel te (laten) nemen. In het tweede lid is bepaald dat overtreding van dit verbod een economisch delict is.

Artikel 1.10

Dit artikel biedt de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de mogelijkheid om bij ministeriële regeling snel en doeltreffend in te spelen op bijvoorbeeld ontwikkelingen met betrekking tot de toepassing van de richtlijn bouwproducten

§ 1.5 Verbouw en bouwewerken

Artikel 1.11

In dit artikel is bepaald dat burgemeester en wethouders bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of vergroten van een bouwwerk ontheffing mogen verlenen tot het niveau van de voorschriften voor een bestaand bouwwerk. Alleen in die gevallen dat bij een bepaald aspect anders is bepaald, hebben burgemeester en wethouders die vrijheid niet. Met het aan het tweede lid van artikel 1.11 toevoegen van 'tenzij bij het voorschrift anders is aangegeven', is zeker gesteld, dat in gevallen dat geen voorschrift voor bestaande bouw aanwezig is, doch wel een ontheffingsniveau is aangegeven, dit ontheffingsniveau als ondergrens geldt (Stb. 2005, 1). Er kan zowel sprake zijn van een voorschrift dat verplicht tot ontheffingverlening, een voorschrift dat het verlenen van een ontheffing verbiedt, of een voorschrift dat aan de ontheffingsmogelijkheid nadere grenzen stelt. Onderdeel C (Stb. 2010, 144) wijzigt artikel 1.11 van het Bb in verband met het feit dat, zoals hiervoor in de toelichting bij onderdeel B (Stb. 2010, 144) uiteengezet, de in dat artikel bedoelde ontheffing is geïntegreerd in de omgevingsvergunning. Om die reden wordt thans in het artikel gesproken over het afwijken van voorschriften bij een omgevingsvergunning en niet langer over het verlenen van ontheffing van voorschriften. Daarbij is aansluiting gezocht bij de terminologie van artikel 6 van de Woningwet, zoals gewijzigd door de Invoeringswet Wabo, dat ten grondslag ligt aan artikel 1.11 van het Bb. Het niveau tot waar op basis van artikel 1.11 van het Bb kan worden afgeweken is materieel ongewijzigd gebleven; dit betreft het niveau van het desbetreffende voorschrift voor de staat van een bestaand bouwwerk. Bij het ontbreken van een dergelijk voorschrift kan worden afgeweken tot het rechtens verkregen niveau. Het vorenstaande is anders voor zover bij of krachtens het Bb anders is bepaald, bijvoorbeeld in de vorm van een voorschrift waarin een specifiek niveau is opgenomen tot waar kan worden afgeweken.

Artikel 1.12

Met dit artikel wordt voorkomen dat bij bouwwerkzaamheden aan een monument, de voorschriften van het Bouwbesluit onwenselijke effecten op het karakter van het monument zouden kunnen hebben. Als de voorschriften in een monumentenvergunning afwijken van de voorschriften terzake in het Bouwbesluit, dan zijn de voorschriften van de monumentenvergunning op dat onderdeel bij uitsluiting van toepassing. Onderdeel D (Stb. 2010, 144) wijzigt artikel 1.12 van het Bb. Dit artikel regelt hoe in het kader van de toepassing van de voorschriften van het Bb met het belang van de monumentenzorg moet worden omgegaan. Er zijn situaties denkbaar, waarin toepassing van die voorschriften onwenselijke effecten op het karakter van een monument zou kunnen hebben. In artikel 1.12 (oud) was geregeld, samengevat weergegeven, dat indien sprake is van het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk waarvoor tevens een vergunning is vereist ingevolge de Monumentenwet 1988 (hierna: de Mw) of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening, en een aan die vergunning verbonden voorschrift afwijkt van een voorschrift van het Bb, uitsluitend dat vergunningvoorschrift van toepassing is. Artikel 1.12 (oud) zag niet alleen op de situatie waarin voor de desbetreffende verbouwactiviteit een vergunning was vereist, maar ook op de situatie waarin die verbouwactiviteit vergunningvrij was. In artikel 1.12 (nieuw) is voornoemde regeling in aangepaste vorm overgenomen. Onder de Wabo is er niet langer sprake van een volgtijdelijke situatie waarbij eerst de monumentenvergunning wordt verleend en dan pas de bouwvergunning kan worden verleend. De monumentenvergunning voor een monument als bedoeld in de Mw, niet zijnde een archeologisch monument, of in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is immers met de bouwvergunning opgegaan in de omgevingsvergunning, zodat beide toestemmingen gelijktijdig onder die paraplu worden verleend. In verband hiermee is artikel 1.12 thans opgesplitst in een artikellid dat betrekking heeft op de situatie waarin voor de desbetreffende verbouwactiviteit een omgevingsvergunning is vereist en een artikellid dat betrekking heeft op de situatie waarin voor die verbouwactiviteit geen omgevingsvergunning is vereist. Ten aanzien van de laatste categorie gevallen, die is geregeld in artikel 1.12, tweede lid (nieuw), is het in artikel 1.12 (oud) neergelegde uitgangspunt dat er eerst een monumentenvergunning is voordat zal worden gebouwd, voortgezet. Bepaald is dat indien sprake is van een vergunningvrije verbouwactiviteit en een voorschrift van het Bb afwijkt van een voorschrift van de omgevingsvergunning voor het wijzigen van het monument, uitsluitend dat vergunningvoorschrift van toepassing is. Voor de gevallen waarin zowel voor de verbouwactiviteit als voor het wijzigen van het monument een omgevingsvergunning is vereist, is in artikel 1.12, eerste lid (nieuw), bepaald dat het bevoegd gezag bij een zodanige omgevingsvergunning in het belang van de monumentenzorg kan afwijken van een bij of krachtens het Bb vastgesteld voorschrift. De verschuiving van de volgtijdelijkheid naar de gelijktijdigheid van de vergunningverlening wordt hiermee zichtbaar. In artikel 1.12 (nieuw) is niet de afstemming met een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Mw voor het wijzigen van een archeologisch monument betrokken. Deze vergunning, die niet is opgegaan in de omgevingsvergunning, is buiten de reikwijdte van artikel 1.12 gehouden, omdat conflictsituaties tussen het Bb en een dergelijke vergunning zich naar verwachting niet zullen voordoen.

§ 1.6

Artikel 1.13

In dit artikel is bepaald dat een tijdelijk bouwwerk minimaal aan de voorschriften voor bestaande bouw moet voldoen. Alleen voorzover dat in de desbetreffende afdeling expliciet voor die gebruiksfunctie is aangegeven, wordt hiervan afgeweken. Bekende voorbeelden van een tijdelijk bouwwerk zijn een bouwkeet, een wisselwoning in een stadsvernieuwingswijk of een noodwinkel. Voor niet-permanente bouwwerken bestond in het Bouwbesluit uit 1991 een onderscheid tussen nieuw te bouwen, bestaande en te verplaatsen niet-permanente bouwwerken. Met het tussenvoegen van twee nieuwe leden (Stb. 2002, 203) in artikel 1.13 van het geconverteerde Bouwbesluit wordt dit onderscheid weer aangebracht. Het nieuwe derde lid spreekt van verplaatsen, omdat bijvoorbeeld noodwinkels of bouwketen juist zijn bedoeld om relatief korte tijd ergens te worden geplaatst en vervolgens tijdelijk elders worden gebruikt. Het vierde lid spreekt van herplaatsen, omdat bij woonwagens sprake is van een vaste standplaats.