Contact Help
9 Voorlichting
Inhoud
Sluit inhoud voor documentview -->
Alles aan
Alles uit
Filterselectie
Gebruiksfuncties
Type
Pagina afdrukken
0 topics gevondenNieuw topic starten


9 Voorlichting

Staatsblad 2005, 528

De invoering van deze wijzigingen van het Bouwbesluit 2003 zal vooraf worden gegaan door voorlichtingsactiviteiten. Ook zal een doorlopende tekst van het Bouwbesluit 2003, waarin deze wijzigingen zijn verwerkt, alsmede een integrale versie van de toelichting via www.vrom.nl. beschikbaar zijn. Verder is op internet de lijst meest gestelde vragen met antwoorden van de helpdesk bouwregelgeving beschikbaar.

Staatsblad 2006, 257

De invoering van deze wijzigingen van het Bouwbesluit 2003 zal vooraf worden gegaan door voorlichtingsactiviteiten. Ook zal een doorlopende tekst van het Bouwbesluit 2003, waarin deze wijzigingen zijn verwerkt, alsmede een integrale versie van de toelichting via www.vrom.nl. beschikbaar zijn. Verder is op internet de lijst meest gestelde vragen met antwoorden van de helpdesk bouwregelgeving beschikbaar.

Staatsblad 2008, 325

De invoering van deze wijziging van het Bouwbesluit 2003 zal vooraf worden gegaan door voorlichtingsactiviteiten. Ook zal een doorlopende tekst van het Bouwbesluit 2003, waarin deze wijzigingen zijn verwerkt, alsmede een integrale versie van de toelichting via www.vrom.nl. beschikbaar zijn.

Beleidsdoelstellingen van enkele grotere wijzigingen die in werking getreden zijn na 1 januari 2003

Staatsblad 2005, 1, per 1 september 2005

2. Deregulering

a. Onderwijsfunctie en de sportfunctie voor onderwijs

Na overleg met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) zijn de specifieke voorschriften voor het speciaal en basisonderwijs in de hoofdstukken veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid geschrapt. Deze voorschriften vloeiden voort uit voormalige subsidieregelingen van OCW. Het uitsluitend opnemen van basiseisen voor onderwijs biedt meer helderheid, omdat deze voor elke onderwijssoort gelijk zijn. Het biedt de schoolbesturen ook meer flexibiliteit. Zij kunnen zonodig hun specifieke wensen, gerelateerd aan het voorgestane gebruik van het gebouw, per bouwplan vastleggen in een programma van eisen.

b. Oppervlaktemaat voor een standplaats

De voorgeschreven minimum afmetingen voor een standplaats worden uit het besluit geschrapt. De standplaatsbeheerders kunnen aan de hand van de plaatselijke situatie per woonwagencentrum en per wagen afzonderlijk de gewenste maatvoering voor de standplaatsen bepalen.

Het schrappen van dit voorschrift is een eerste stap in de actualisering van de bouwtechnische eisen voor deze woonvorm. Ten behoeve van een verdergaande bijstelling wordt op dit moment onderzoek verricht. Het voornemen is om bij een volgende wijziging van het Bouwbesluit 2003 de voorschriften voor woonwagens te herzien.

3. Afstemming met technische regelgeving van andere ministeries

Overeenkomstig artikel 5 van de Woningwet is dit besluit afgestemd met technische voorschriften in het Arbeidsomstandighedenbesluit van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Tevens zijn de wijzigingen inzake kinderopvang afgestemd met SZW.

a. Arbeidsomstandighedenbesluit

Het bedrijfsleven heeft bij meerdere gelegenheden de verschillen tussen de voorschriften met betrekking tot nooddeuren in het Arbeidsomstandighedenbesluit en die met betrekking tot toegangen in het Bouwbesluit 2003 aan de orde gesteld. Om deze reden is besloten deze voorschriften op elkaar af te stemmen. Dit heeft geleid tot het opnemen in het Bouwbesluit 2003 van het begrip nooddeur en het stellen van beperkingen aan het toepassen van schuifdeuren in vluchtroutes.

b. Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet

In het onderhavige besluit wordt voor bestaande bouw de plafondhoogte voor een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik in overeenstemming gebracht met de maatvoering in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet voor nieuwe horecagelegenheden in bestaande bouwwerken. Dit komt neer op een hoogte boven de vloer van 2,4 m. Een uitzondering wordt gemaakt voor horecagelegenheden die reeds voor 1 november 2000 over een vergunning op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet beschikten. Deze horecagelegenheden mogen voortaan onder de in het Bouwbesluit 2003 gegeven voorwaarden een lagere plafondhoogte hebben.

4. Nieuwe en geactualiseerde voorschriften

a. Bouwtechnische eisen voor kinderopvang

In het Bouwbesluit 2003 zoals dit luidde per 1 januari 2003 was reeds aangegeven dat (bedrijfsmatige) kinderopvang onder de bijeenkomstfunctie valt, zonder verbijzondering van de eisen naar de specifieke vormen van kinderopvang, zoals buitenschoolse opvang, kindercentra, of de zogenoemde 24-uurs opvang. In de praktijk stelden gemeenten voor de diverse vormen van kinderopvang eigen verordeningen op, die waren gebaseerd op het toenmalige Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang. Bij het opstellen en toepassen van deze gemeentelijke voorschriften speelde de visie van de plaatselijke GGD en brandweer een belangrijke rol. Deze plaatselijke voorschriften werden door de brancheorganisaties veelal als onnodig gedetailleerd en rigide ervaren. De brancheorganisaties vroegen daarom aandacht voor het probleem van de naar hun oordeel sterk uiteenlopende voorwaarden voor het verlenen van een vergunning voor kinderopvang en vervolgens een gebruiksvergunning. Gevolg hiervan was dat de exploitanten regelmatig tot kostbare en naar hun oordeel onnodige bouwkundige aanpassingen werden gedwongen. Voorts bleek dat voor de bedrijfsmatige kinderopvang de bouwtechnische voorschriften voor de bijeenkomstfunctie op een aantal punten te kort schoten. De wens om te komen tot adequate landelijk uniforme bouwtechnische voorschriften was derhalve groot. Dit werd onderschreven door SZW. Uitgebreid overleg heeft vervolgens geleid tot het opnemen van specifieke bouwkundige voorschriften voor bedrijfsmatige kinderopvang in dit besluit.

Deze voorschriften voor kinderopvang zijn gebaseerd op genoemd Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang en het onderzoeksrapport 'Bouwbesluit 2003 toegespitst op kinderopvang' (Van Overveld Bouwbesluit Advies bv, oktober 2002). Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Stichting Waarborgfonds Kinderopvang en begeleid door de brancheorganisaties voor de kinderopvang, GGD-Nederland, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het kennisinstituut voor brandweer en rampenbestrijding (NIBRA), SZW en VROM. Het onderzoek was aanleiding om de voorschriften voor de bijeenkomstfunctie op diverse plaatsen te verbijzonderen. Daarom is in dit besluit de nieuwe subgebruiksfunctie 'bijeenkomstfunctie voor kinderopvang' opgenomen. In de tabellen is waar nodig een verdergaande onderverdeling van de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang aangebracht. Daarbij wordt voor de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar rekening gehouden met de beperkte zelfredzaamheid van die kinderen en de omvang van de groepen. Omdat zowel bij de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar als bij 24-uursopvang (kinderopvang voor slapen) slaapgelegenheid wordt geboden, gelden daarvoor zwaardere brandveiligheidseisen.

Voor het niveau van eisen voor kinderen in de basisschoolleeftijd (de zogenoemde buitenschoolse opvang) is aansluiting gezocht bij het niveau van eisen voor de onderwijsfunctie. Op deze wijze is zeker gesteld dat dit type kinderopvang in een regulier schoolgebouw kan plaatsvinden. Voor de gevallen waar een dergelijke verbijzondering niet noodzakelijk is, gelden de basiseisen voor de bijeenkomstfunctie. Over de in dit besluit opgenomen voorschriften is overleg gevoerd met de brancheorganisaties, GGD-Nederland en het Landelijk Netwerk voor de Brandpreventie (LNB).

Voor een bestaande of een nieuwe kinderopvang in een bestaand gebouw zijn met name uit veiligheids- en gezondheidsoverwegingen nadere voorschriften opgenomen, bijvoorbeeld bij vloerafscheidingen en luchtverversing. Verder blijven bij bestaande bouw vooral de basisvoorschriften voor de bestaande bijeenkomstfunctie van toepassing. Zo gelden voor kinderdagverblijven in de bestaande bouw geen zwaardere eisen voor de sterkte bij brand. Dergelijke zwaardere eisen zouden onevenredige beperkingen stellen aan het kunnen vestigen van kinderopvangvoorzieningen in bestaande bouw. Dit betekent echter niet dat het brandveiligheidsniveau daarmee onvoldoende gewaarborgd zou zijn. Het uitgangspunt is namelijk dat deze bouwkundige voorschriften, tezamen met de gebruiksvoorschriften in de gemeentelijke bouwverordening, het gewenste brandveiligheidsniveau voor kinderopvang waarborgen.

Om ook voor kinderopvang landelijke uniformiteit in de gemeentelijke bouwverordeningen te bewerkstelligen, heeft de VNG het voornemen nadere voorwaarden voor het brandveilig gebruik in de model-bouwverordening op te nemen (zie voor nadere informatie over brandveilig gebruik van gebouwen de VROM-circulaire MG 2003-19, de VROM-brochure Vluchten bij brand, handreiking voor gebruiksvergunningen en de website www.vrom.nl).

Daarnaast nemen ook de brancheorganisaties voor de kinderopvang BOINK, MO-groep en 'Branche-vereniging kinderopvang' hun verantwoordelijkheid en hebben voor hun leden een convenant opgesteld met kwaliteitsregels, onder meer op het gebied van veiligheid en gezondheid. Dit convenant zal voor alle nieuwe en reeds bestaande kinderopvangvoorzieningen gelden en sluit aan op de bouwtechnische eisen in dit besluit.

b. Asbest

Bij de aanwezigheid van een te hoge concentratie aan asbestvezels in een ruimte van een bestaand bouwwerk, was het aanschrijven door burgemeester en wethouders op basis van de Woningwet wegens strijd met de eisen in het besluit te gecompliceerd. Met het opnemen van een paragraaf voor de bestaande bouw (§ 3.15.2, beperking van de toepassing van schadelijke stoffen) wordt optreden in die situatie beter mogelijk gemaakt.

c. Maatvoering utiliteitsbouw

Op verzoek van consumentenorganisaties zijn, ook met het oog op de steeds langer wordende mens, voor nieuw te bouwen utiliteitsgebouwen de plafondhoogte en de hoogte van de vrije doorgang aangescherpt. Voor een verblijfsgebied en een verblijfsruimte gaat die hoogte van 2,4 m naar 2,6 m en voor de vrije doorgang (deuren, verkeersroutes en verkeersruimten), toilet- en badruimten van 2,1 m naar 2,3 m.

Deze voorschriften zijn nu gelijk gesteld aan de reeds eerder aangescherpte voorschriften voor nieuw te bouwen woningen. Daarmee is gevolg gegeven aan de aanbevelingen uit de rapportage 'Aanbevelingen voor verbetering bestaande dan wel opname van nieuwe toegankelijkheidseisen in het Bouwbesluit n.a.v. onderzoek Minimumkwaliteit- Integratie Toegankelijkheidseisen' (99cb-948/mvd/jvf, 18 oktober 1999) onder auspiciën van de Chronisch zieken en Gehandicapten Raad en in samenwerking met (woon)consumentenorganisaties en het Overleg Platform Bouwregelgeving. Een door DHV Bouw en Milieu uitgevoerd onderzoek naar de bedrijfs- en milieueffecten (BET/MET-analyse) (B&M 20020028, 27 februari 2003) heeft uitgewezen dat als gevolg van de wijzigingen van deze maatvoeringen in de utiliteitsbouw de extra bouwkosten marginaal en de milieueffecten nihil zijn. Dit komt voornamelijk doordat de meeste utiliteitsbouw nu al een plafondhoogte heeft van ten minste 2,6 m, waarmee in wezen sprake is van vastlegging van de in de huidige praktijk veelal reeds als minimum gehanteerde maatvoering.

Een uitzondering op de regel van ten minste 2,6 m is opgenomen bij de plafondhoogte voor de celfunctie. Hier is namelijk rekening gehouden met de programma's van eisen voor penitentiaire inrichtingen van het Ministerie van Justitie. De plafondhoogte voor een dergelijk verblijfsgebied of verblijfsruimte is op ten minste 2,5 m gesteld.

Staatsblad 2005, 528, per 1 januari 2006

2. Aanscherping energieprestatiecoëfficiënt

Dit besluit voorziet in een aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt (EPC) voor tot bewoning bestemde gebouwen van 1,0 naar 0,8. Deze aanscherping is gericht op het verder terugdringen van het energiegebruik voor verwarming, mechanische ventilatie, warmwatergebruik, koeling, bevochtiging en verlichting van nieuwe woningen, waarmee een verdere bijdrage geleverd wordt aan het terugdringen van de CO2-uitstoot. Reeds in 2003 zijn de resultaten van een regeleffecttoets voor deze aanscherping voorgelegd aan het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB). Het OPB heeft destijds, vanwege de ongunstige kosteneffectiviteit, geadviseerd om af te zien van aanscherping per 1 januari 2004.

Uit vervolgonderzoek (rapport Regeleffecttoets aanscherping EPC, DHV, mei 2005) blijkt dat als gevolg van (installatie)technische ontwikkelingen én de hogere energieprijzen een kostenneutrale aanscherping thans wel mogelijk is. De gemiddelde reductie in de CO2-uitstoot per woning is bij aanscherping van de EPC van 1,0 naar 0,8 begroot op ca. 510 kg per jaar, hetgeen bij een jaarlijkse bouwproductie van 80.000 woningen overeenkomt met een reductie van ca. 40.800 ton CO2-uitstoot per jaar.

Op basis van de gehanteerde uitgangspunten wordt verwacht dat de initiële extra investeringen voor bouwkosten - afhankelijk van de keuze van maatregelen en het type woning - tussen de 0,5% en 3% bedragen. Voor de koopprijs van woningen bedragen de initiële meerkosten minder dan 1%. Deze kosten worden in de loop van de tijd terugverdiend door de lagere energiekosten vergeleken met de energiekosten bij een EPC van 1,0.

Aangezien dergelijke kosteneffectieve maatregelen in de regel snel ingang vinden in de bouwpraktijk en daarmee tot schaalvoordelen in de productie leiden wordt een verdere kostendaling verwacht.

Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen (EPBD) richt zich mede op het vaststellen van energieprestatie-eisen. Nederland heeft aan artikel 4, eerste lid, van de EPBD nu reeds voldaan doordat in het Bouwbesluit 2003 (en daarvoor in het Bouwbesluit uit 1991) al sedert 1995 een energieprestatiecoëfficiënt is opgenomen. Met de aanscherping van de EPC wordt dit onderdeel van de EPBD op een hoger niveau ingevuld.