Home › Nota van toelichting op Bouwbesluit 2003 › 1 Inleiding › 1.1 Algemeen
Staatsblad 2001, 410
De voorliggende herziening van het Bouwbesluit, ook wel aangeduid als 'conversie', betreft een ingrijpende verandering in de opbouw en redactie van het besluit. Het doel van deze conversie is om het Bouwbesluit toegankelijker en gebruiksvriendelijker te maken. Deze operatie vond plaats naar aanleiding van de evaluatienota 'Herziene Woningwet en Bouwbesluit' (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 XI, nr. 39) van 1996, het MDW-onderzoek bouwregelgeving van 1997 (kamerstukken II 1996/97, 24 036. nr. 59) en commentaren uit de bouwpraktijk. De conversie is een vormtechnische operatie waaruit op zichzelf geen inhoudelijke wijzigingen voortvloeien. Wel zijn in de voorliggende tekst devoorschriften uit de zogenaamde tweede fase en de afstemming van fase 1 op fase 2 verwerkt. Verder is een aantal voorschriften geschrapt die thans overbodig worden geacht. Dit laatste in het kader van het in het Regeerakkoord 1998 opgenomen streven om te komen tot een drastische vereenvoudiging van de bouwregelgeving. Daarnaast heeft de Nota Mensen, Wensen, Wonen (kamerstukken II 2000/2001 27 559, nr. 2) geleid tot enige aanpassingen van de voorschriften voor woningen. Tot slot zijn er voorschriften opgenomen over de integrale toegankelijkheid bij utiliteitsgebouwen en heeft afstemming plaatsgevonden met de arbovoorschriften.
Staatsblad, 2002, 203
Na de publicatie van het geconverteerde Bouwbesluit in het Staatsblad in september 2001 (Stb. 2001, 410), zijn vanuit de bouwpraktijk diverse commentaren en vragen ontvangen. Op basis van deze praktijkinbreng is nagegaan in hoeverre het noodzakelijk was nog voor de inwerkingtreding van het geconverteerde Bouwbesluit daarin aanpassingen aan te brengen. Deze aanpassingen moeten worden beschouwd als een kwalitatieve verbeterslag, waarmee enkele onbedoelde effecten en inhoudelijke inconsistenties bij de introductie van de prestatie-eisen voor de utiliteitsbouw (Stb. 1998, 618) worden weggenomen. Deze aanpassingen zijn opgenomen in het besluit van 17 april 2002, houdende wijziging van het Bouwbesluit en enige andere algemene maatregelen van bestuur (Stb. 2002, 203) (het eerste wijzigingsbesluit). Bij het voorbereiden van dit besluit bleek het onder meer nodig het begrip 'nevenfunctie; gebruiksfunctie die ten dienste staat van een andere gebruiksfunctie' te introduceren en een aantal voorschriften daar op aan te passen. Voorts zijn door het herformuleren van enkele onderdelen onduidelijkheden weggenomen. Op een enkel onderdeel is sprake van aanpassing als gevolg van nadere politieke besluitvorming. Dit betreft de bezettingsgraadklasse B1, die wordt gebonden aan een maximale bezetting en de hoogte van de toegang (vrije doorgang) van de lift die voorlopig 2,1 m blijft. Voorts zijn in dit Staatsblad de noodzakelijke aanpassingen van andere besluiten ten gevolge van verwijzingen naar het oude Bouwbesluit of als gevolg van het gebruik van andere terminologie dan in het geconverteerde Bouwbesluit opgenomen.
Staatsblad 2002, 516
Hierna bleek het nodig nog een tweede wijzigingsbesluit te maken (Stb. 2002, 516). Ten tijde van de totstandkoming van het wijzigingsbesluit werd ervan uitgegaan dat het geconverteerde Bouwbesluit op 1 juli 2002 in werking zou treden. Omdat de voorbereidingstijd voor de praktijk op een aantal onderdelen van het geconverteerde Bouwbesluit, te weten de trap en de plafondhoogte, te beperkt bleek, zijn die onderdelen eerst in artikel 1 van het wijzigingsbesluit teruggedraaid naar de situatie van voor het geconverteerde Bouwbesluit. In artikel 2 van het wijzigingsbesluit zijn de voorschriften van het geconverteerde Bouwbesluit vervolgens opnieuw opgenomen. Deze laatste voorschriften zouden dan op 1 januari 2003 in werking treden. In het eerste lid van de inwerkingtredingsbepaling in het wijzigingsbesluit was daarom bepaald dat het besluit, met uitzondering van artikel 2, op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treedt. In het tweede lid was bepaald dat artikel 2 op een later tijdstip dan het in het eerste lid bedoelde tijdstip in werking zou treden. Nu besloten is de inwerkingtreding van het gehele geconverteerde Bouwbesluit in een keer op 1 januari 2003 te laten plaatsvinden, is de hierboven beschreven constructie met het zowel in artikel 1 als in artikel 2 opnemen van wijzigingen van bepaalde voorschriften overbodig geworden. Om deze overbodig geworden wijzigingen te laten vervallen is dit besluit nodig. Voorts zijn in dit besluit nog een aantal wijzigingen van het geconverteerde Bouwbesluit opgenomen. Het gaat hier zowel om aanpassingen van het geconverteerde Bouwbesluit als om correcties van het wijzigingsbesluit. In die gevallen waar het toch noodzakelijk bleek om nog een correctie in het wijzigingsbesluit aan te brengen is er voor gekozen om het desbetreffende artikel in het wijzigingsbesluit te laten vervallen en de wijziging in het geconverteerde Bouwbesluit (Stb. 2001, 410) aan te brengen.
Staatsblad 2002, 518
Staatsblad 2002, 518 maakt ook onderdeel uit van het Bouwbesluit 2003. Dit derde wijzigingsbesluit op het geconverteerde Bouwbesluit voorziet uitsluitend in een aan scherping van de grenswaarden van de energieprestatiecoëfficiënten voor een aantal gebruiksfuncties in utiliteitsgebouwen. Naar aanleiding van een motie van het Tweede Kamerlid De Boer c.s. van 29 november 2000 (kamerstukken II 2000/2001, 27 400 XIII, nr. 26) - waarin wordt verzocht de energieprestatie-eisen aan te scherpen voor zowel woningen als utiliteitsgebouwen - zijn de mogelijkheden hiertoe onderzocht. Besloten is dat een aanscherping voor utiliteitsgebouwen in de rede ligt. De aanscherping is gericht op het verder terugdringen van energieverbruik voor verwarming, mechanische ventilatie, warm watergebruik, koeling, bevochtiging en verlichting voor nieuwe utiliteitsgebouwen, waarmee een verdere bijdrage geleverd wordt aan het terugdringen van de CO2-uitstoot. Concreet kan met de voorgestelde aanscherping in 2010 8%van de doelstelling van 1 Mton CO2-reductie voor de utiliteitsbouw worden ingevuld. De voorgestelde aanscherping maakt onderdeel uit van een totaalpakket aan maatregelen dat is aangekondigd in de brief van staatssecretaris Remkes over 'Klimaatbeleid gebouwde omgeving' aan de Tweede Kamer van 27 november 2001 (kamerstukken II 2001/2002, 26 603, nr. 26).
Staatsblad 2005, 1
Op 1 januari 2003 is het geconverteerde Bouwbesluit in werking getreden. Dit Bouwbesluit 2003 (Stb. 2001, 410; 2002, 203; 2002, 516; 2002, 518) betreft een ingrijpende verandering in de opbouw en structuur van het Bouwbesluit uit 1991. In deze conversie was een relatief beperkt aantal inhoudelijke wijzigingen opgenomen. Het voorliggende wijzigingsbesluit is een volgende stap in het traject naar een meer gebruiksvriendelijke bouwregelgeving, dat met de inwerkingtreding van het geconverteerde Bouwbesluit is begonnen. Een belangrijk uitgangspunt hierbij is de deregulering ofwel vermindering van de regeldruk. Reeds bij brief van 9 april 2002 over de bouwregelgeving 2002-2006 (Kamerstukken II 2002/2003, 28 325, nr. 1) is de noodzaak van vereenvoudiging van de bouwregelgeving besproken. Hierna hebben de toenmalige bewindspersonen bij brief van 23 oktober 2002 (Kamerstukken II 2002/2003, 28 600 XI, nr. 10) hun voornemens uiteengezet met betrekking tot de herijking van de VROM-regelgeving. Ook in het Hoofdlijnenakkoord van 16 mei 2003 is de nadruk gelegd op het waar mogelijk verminderen van de regeldruk. Dit heeft meer concreet geresulteerd in de brief Herijking VROM-regelgeving van 17 oktober 2003 (Kamerstukken II 2003/2004, 29 383, nr. 1). Vermindering van regeldruk wordt dus gerealiseerd door het vereenvoudigen of schrappen van voorschriften en vindt in deze wijziging vooral plaats op het terrein van de onderwijsfunctie en de sportfunctie voor onderwijs, alsmede op diverse meer ondergeschikte punten. Een andere belangrijke conclusie uit de hiervoor genoemde stukken is de noodzaak van verdergaande afstemming van het Bouwbesluit 2003 met technische regelgeving van andere departementen. Artikel 5 van de Woningwet biedt hiervoor de grondslag. In dit besluit wordt hieraan gevolg gegeven door het opnemen van enkele voorschriften uit het Arbeidsomstandighedenbesluit en uit het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. Verder is een beperkt aantal nieuwe voorschriften opgenomen en is een aantal bestaande voorschriften geactualiseerd. Nieuwe voorschriften zijn in dit besluit opgenomen ten behoeve van de nieuwe gebruiksfunctie 'bijeenkomstfunctie voor kinderopvang'. Tevens worden voor de bestaande bouw voortaan eisen gesteld aan de toelaatbare concentratie aan asbestvezels in een ruimte. Hiermee is het bij een te hoge concentratie asbestvezels eenvoudiger daartegen op te treden wegens strijd met het Bouwbesluit 2003. De actualisering van voorschriften betreft vooral de aanscherping van de plafondhoogten voor nieuwe utiliteitsgebouwen en de aanpassing van de eis voor het aantal toiletten in een nieuw te bouwen winkelfunctie. Ook zijn in dit besluit een aantal inconsistenties en onbedoelde neveneffecten als gevolg van de invoering van de prestatie-eisen voor de utiliteitsbouw (de zogenoemde tweede fase, Stb. 1998, 618, in werking getreden als onderdeel van Stb. 2001, 410) weggenomen. Als laatste zijn in dit besluit een aantal technische onvolkomenheden hersteld, die bij een dermate omvangrijke operatie als de conversie van het Bouwbesluit, veelal eerst na de inwerkingtreding zichtbaar worden.
Staatsblad 2005, 528 [hernieuwd vastgesteld bij Staatsblad 2006, 257]
De onderhavige wijziging van het Bouwbesluit 2003 bevat een aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt voor tot bewoning bestemde gebouwen en enkele correcties op het besluit van 17 december 2004, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2003 (wijzigingen in verband met het opnemen van de subgebruiksfunctie kinderopvang, het dereguleren van de onderwijsfunctie en enkele andere wijzigingen van het Bouwbesluit 2003, Stb. 2005, 1). De aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt voor tot bewoning bestemde gebouwen van 1,0 naar 0,8 is reeds aangekondigd in de behandeling van de VROM-begroting in de Tweede Kamer in november 2003 en bevestigd in de brief inzake de modernisering bouwregelgeving aan de Tweede Kamer van 23 mei 2005 (Kamerstukken II 2004/2005, 28 325, nr. 17). Voorts is na publicatie gebleken dat met de inwerkingtreding van het zeer omvangrijke wijzigingsbesluit van 17 december 2004 een (beperkt) aantal onvolkomenheden correctie behoeft. Vanuit de praktijk is aangegeven dat het wenselijk is deze correcties zo snel mogelijk na inwerkingtreding op 1 september 2005 van genoemd wijzigingsbesluit door te voeren. Het is mijn voornemen het onderhavige wijzigingsbesluit per 1 januari 2006 in werking te laten treden.
Staatsblad 2006, 148
Deze wijziging van het Bouwbesluit 2003 is ter implementatie van richtlijn 2004/54/EG van het Europees parlement en de raad van 29 april 2004 inzake minimum veiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet. Artikel 1.1 van deze richtlijn stelt: "Deze richtlijn beoogt een minimaal veiligheidsniveau te verzekeren voor weggebruikers in tunnels van het trans-Europese wegennet door preventie van kritische gebeurtenissen die mensenlevens, milieu en tunnelinstallaties in gevaar kunnen brengen, en door bescherming te bieden bij ongevallen". Deze richtlijn is van toepassing op alle tunnels gelegen in het trans-Europese wegennet met een lengte van meer dan 500 m, ongeacht of deze in gebruik, in aanbouw, dan wel in de ontwerpfase zijn. De implementatietermijn verstrijkt op 30 april 2006. Implementatie van deze richtlijn vindt onder meer plaats door het stellen van regels met betrekking tot de veiligheid van voor het wegverkeer toegankelijke tunnels in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Kamerstukken II 2004/2005, 30 209, nr. 2), het Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Barvw) en een daarop gebaseerde regeling. In het Barvw zijn met name de voorschriften voor een veilig gebruik van wegtunnels opgenomen. De noodzakelijke bouwtechnische voorschriften zijn opgenomen in een op dit wijzigingsbesluit gebaseerde wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2003. De bijgevoegde transponeringstabel biedt een overzicht van de artikelen van deze richtlijn en de implementatie daarvan, voorzover nodig, in de Nederlandse regelgeving. Reden om de noodzakelijke bouwtechnische wijzigingen als gevolg van implementatie van deze richtlijn niet in de regelgeving inzake de tunnelveiligheid op te nemen ligt in het voorschrift van artikel 2 van de Woningwet. Op grond van artikel 2 van de Woningwet worden alle bouwtechnische voorschriften opgenomen in het Bouwbesluit 2003 en in de daarop gebaseerde Regeling Bouwbesluit 2003. In het systeem van het Bouwbesluit 2003 vallen tunnels of tunnelvormige bouwwerken onder de gebruiksfunctie "Bouwwerk geen gebouw zijnde". Tot de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit gelden voor deze gebruiksfunctie geen voorschriften die specifiek op langere wegtunnels zijn gericht. In dit wijzigingsbesluit is een nieuwe afdeling 2.26 Tunnelveiligheid opgenomen. In deze afdeling is een paragraaf voor nieuwbouw en een paragraaf voor bestaande bouw opgenomen. Overeenkomstig het systeem van het Bouwbesluit 2003 geeft het eerste lid van het eerste artikel de functionele eis. Waarna de tabel van het tweede lid voor de gebruiksfunctie wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 meter aanwijst welke voorschriften van toepassing zijn. In dit specifieke geval is ervoor gekozen zoveel mogelijk voorschriften in een specifiek hoofdstuk in de Regeling Bouwbesluit 2003 op te nemen. Op deze wijze wordt de toegankelijkheid voor zowel de reguliere gebruiker van het Bouwbesluit 2003 als voor de opdrachtgevers voor tunnels zo goed mogelijk gediend.
Hoewel het hierboven genoemde wetsvoorstel zich in beginsel beperkt tot implementatie van de richtlijn, gaat het wetsvoorstel op een beperkt aantal onderdelen iets verder. Ditzelfde geldt derhalve voor het Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels en voor dit wijzigingsbesluit. Voorzover hier van belang: de richtlijn heeft betrekking op tunnels in het trans-Europese wegennet langer dan 500 m. In dit wijzigingsbesluit is in lijn met het bovengenoemde wetsvoorstel echter uitgegaan van voorschriften voor alle wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar overweging 25 van de richtlijn die de lidstaten aanspoort vergelijkbare veiligheidsniveaus toe te passen voor wegtunnels op hun grondgebied die geen deel uitmaken van het trans-Europese wegennet. Voor een onderbouwing van de keuze voor een tunnellengte van 250 m in plaats van 500 m wordt ook verwezen naar de op 8 juli 2005 aan de Tweede Kamer aangeboden Beleidsvisie Tunnelveiligheid deel B (Kamerstukken II, 2004/2005, 29 296, nr. 3). In deze beleidsvisie wordt uitgegaan van het in Nederland bestaande veiligheidsniveau van tunnels. De conclusie hierbij is dat het, om aan dit veiligheidsniveau te blijven voldoen, noodzakelijk is het in deze wijziging van het Bouwbesluit 2003 opgenomen veiligheidsniveau van toepassing te verklaren op tunnels met een lengte vanaf 250 m.
Staatsblad 2006, 257
Dit besluit strekt tot hernieuwde vaststelling van de wijziging van het Bouwbesluit 2003 inzake de aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt voor tot bewoning bestemde gebouwen en enkele andere wijzigingen. Tevens worden in dit besluit een tweetal artikelen van het Bouwbesluit 2003 gewijzigd als gevolg van de wijziging van de Wet luchtvaart inzake de inrichting en het gebruik van de luchthaven Schiphol (Stb. 2002, 374).
De wijziging van het Bouwbesluit 2003 inzake de aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt voor tot bewoning bestemde gebouwen en enkele andere wijzigingen, zoals deze is vastgesteld en gepubliceerd (Stb. 2005, 528) en op 1 januari 2006 in werking getreden, is ten onrechte niet genotificeerd. Sedert de Securitel-affaire is het beleid dat een dergelijk onvolkomen besluit wordt vervangen door een gelijkluidend besluit dat wel genotificeerd is. Dit wordt gerealiseerd door het opnieuw vaststellen van de eerdere wijziging van het Bouwbesluit 2003.
[Zie onder Staatsblad 2005, 528, voor de toelichting op deze wijziging.]
Staatsblad 2006, 586 (artikel XXVII van de aanpassings-amvb aan wijziging Wet geluid-hinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase; Stb 2006, 350))
Deze algemene maatregel van bestuur hangt direct samen met de wet van 5 juli 2006 houdende wijziging van de Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase; Stb. 2005, 350)(hierna te noemen: de wet). Een belangrijk onderwerp dat regeling vindt in deze wet is de decentralisatie op het gebied van het vaststellen van de zogenaamde hogere waarden: gemeenten zullen in een groot aantal gevallen zelf deze hogere waarden gaan bepalen. Een ander onderwerp is nog de introductie van de dosismaat Lden, overigens met uitzondering van de categorie industrielawaai. Ter uitvoering van de wet is vastgesteld het Besluit geluidhinder. Dat besluit bevat onder meer regels over industrieterreinen, wegen en spoorwegen, naast bijvoorbeeld een opsomming van welke gebouwen worden bedoeld met andere gezondheidszorggebouwen.
Het onderhavige besluit voorziet in de noodzakelijke aanpassingen in de lagere regelgeving ten gevolge van de wet. Het besluit ziet louter op regelingen die reeds in werking zijn getreden. Bij nieuwe uitvoeringsregelgeving die nog niet inwerking is getreden, zal de eventuele aanpassing aan de onderhavige wet in dat traject worden meegenomen.
Als sluitstuk is nog een wijziging in voorbereiding van de ministeriële regelingen waarin verwijzingen staan naar de "oude" regelgeving. Gelet op het grote aantal artikelen waarnaar in de aanhef wordt verwezen waar het betreft het verlenen van de regelgevende bevoegdheid, is er van afgezien deze specifiek te vermelden. Dit is des te minder bezwaarlijk omdat het onderhavige besluit niet meer regelt dan de zuiver technische aanpassing aan de wet.
Het onderhavige besluit strekt mede tot de aanpassing van het Bouwbesluit 2003 aan de wijziging van de Wet luchtvaart inzake de inrichting en het gebruik van de luchthaven Schiphol (Stb. 2002, 374).
Staatsblad 2007, 439
Deze wijziging van het Bouwbesluit 2003 vindt plaats ter verdere implementatie van de bouwproductenrichtlijn. Naar aanleiding van opmerkingen van de Europese Commissie zijn vragen gerezen bij de uitleg van met name artikel 1.7 van het Bouwbesluit 2003 zoals dat tot de inwerkingtreding van dit besluit luidde. Een consequentie van dat artikel zou namelijk kunnen zijn dat een kwaliteitsverklaring in gebruik blijft voor producten waarvoor al een CE-markering beschikbaar is. Met deze wijziging van de artikelen 1.6 en 1.7 is zeker gesteld dat het voor producten waarvoor een CE-markering is vastgesteld, verboden is een op de eisen waarop die CE-markering betrekking heeft toegesneden nationale kwaliteitsverklaring te eisen of verplicht te stellen. Zaken waarover de CE-markering geen uitspraak doet, zoals bijvoorbeeld de installatie van een product in het bouwwerk, kunnen derhalve onderdeel uit blijven maken van een kwaliteitsverklaring. Er is voor gekozen om de uitgangspunten voor de onderwerpen CE-markering en kwaliteitsverklaringen voortaan in twee verschillende artikelen op te nemen.
Staatsblad 2008, 325
Dit besluit strekt tot wijziging van het Bouwbesluit 2003 inzake de aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt (hierna ook EPC) voor niet tot bewoning bestemde gebouwen.
Zoals aangegeven in het werkprogramma Schoon en Zuinig; Nieuwe energie voor het klimaat (Kamerstukken II 2007/2008, 31 209, nr.1) zijn terzake van klimaat- en energiebeleid ambitieuze doelstellingen geformuleerd.
De aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt voor niet tot bewoning bestemde gebouwen is onderdeel van het pakket maatregelen dat nodig is om deze doelstellingen te realiseren. De vorige aanscherping van de utiliteitsfuncties heeft plaatsgevonden per 1 januari 2003. De in dit besluit opgenomen aanscherping is gebaseerd op een rapport van DGMR Bouw B.V. van 15 september 2005, Aanscherping EPC-eisen utiliteitsbouw (Rapport E.2005.0139.00.R001). In dit onderzoek is de haalbaarheid van de aanscherping van de EPC voor utiliteitsgebouwen onderzocht op basis van berekeningen aan 22 gebouwen en een groot aantal mogelijke energiebesparende maatregelen. De conclusie in 2005 was dat aanscherping kosteneffectief mogelijk was. Op dat moment is echter nog niet tot aanscherping overgegaan, omdat in de bouwpraktijk een aantal knelpunten bij het toepassen van warmtepompen werden gesignaleerd.
Bovengenoemde rapportage heeft de afgelopen jaren echter al wel een positief effect op de inspanningen van het bouwbedrijfsleven gehad. De aandacht voor de nieuwe technieken zoals de warmtepomp heeft ertoe geleid dat de eerder gesignaleerde knelpunten inmiddels grotendeels zijn opgelost. Er is dan ook geen reden meer om niet tot aanscherping over te gaan.
Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen (EPBD) richt zich mede op het vaststellen van energieprestatie-eisen. Nederland heeft aan artikel 4, eerste lid, van de EPBD voldaan doordat in het Bouwbesluit 2003 (en daarvoor in het Bouwbesluit uit 1991) al sedert 1995 een energieprestatiecoëfficiënt is opgenomen. Met deze aanscherping wordt de omzetting van deze richtlijn op dat onderdeel voortaan op een hoger niveau ingevuld.
Staatsblad 2009, 393
Aanleiding voor deze wijziging van het Bouwbesluit 2003 is de afspraak in het kader van het Aanvullend Beleidsakkoord (Kamerstukken II 2008/09, 31 070, nr. 24) om met het doen van gerichte investeringen een stimulans te geven aan de economie. In dat kader is in het Aanvullend Beleidsakkoord aangekondigd: «De minister-president zal in samenspraak met de bewindslieden van Verkeer en Waterstaat en van VROM een crisis- en herstelwet bij de Tweede Kamer indienen gericht op versnelling en vereenvoudiging van planprocedures voor infrastructurele en andere grote bouwprojecten».
In dat verband is gebleken dat bij grote projecten, zoals met name de renovatie van bruggen, knelpunten kunnen ontstaan doordat bij de vergunningaanvraag voor renovatie of verbouw wordt vastgehouden aan het nieuwbouwniveau zoals dat voor constructieve veiligheid op grond van het Bouwbesluit 2003 geldt. Er zou dan geen ruimte zijn voor het toepassen van de ontheffingsmogelijkheid tot het niveau bestaande bouw op grond van het bepaalde in artikel 1.11 van het Bouwbesluit 2003. In dit artikel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid toegekend om bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk ontheffing te verlenen van de nieuwbouwvoorschriften tot het niveau van de bestaande bouw respectievelijk een lager niveau dan het nieuwbouwniveau. Met name wanneer bij verbouw of renovatie van bruggen (bouwwerken geen gebouw zijnde) geen toepassing wordt gegeven aan de ontheffingsmogelijkheid van artikel 1.11 kan dit leiden tot een onnodige vertraging in de procedure of tot een eisenniveau dat strikt genomen niet nodig is bij die verbouw of renovatie.
In zijn algemeenheid bieden de voorschriften voor bestaande bouw voldoende ruimte om bij verbouw de primaire beleidsdoelstellingen op het gebied van veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid te waarborgen. Wanneer voor een bepaald aspect bij verbouw een hoger niveau noodzakelijk wordt geacht dan is dit expliciet in de desbetreffende afdeling van het Bouwbesluit 2003 aangegeven. Bij constructieve veiligheid is er geen noodzaak om bij renovatie een hoger niveau dan het bestaande bouwniveau toe te passen. Om die reden kan met deze beperkte wijziging van het Bouwbesluit 2003 een mogelijke procedurele belemmering bij het renoveren van bouwwerken geen gebouw zijnde structureel worden weggenomen.
Hoewel deze wijziging van het Bouwbesluit 2003 haar aanleiding in de economische crisis vindt, ligt de oorzaak vooral in de reikwijdte en de consequenties van het huidige artikel 1.11. Om die reden wordt een meer algemene wijziging (wijziging van artikel 1.11) die qua strekking gelijk is aan de wijziging in dit besluit voorbereid.
Die wijziging is voorzien in het kader van het zogenoemde derde wijzigingspakket en zal daarmee onderdeel uitmaken van het besluit waarmee het Bouwbesluit 2003 en het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken zullen worden geïntegreerd. Dat besluit is voorzien voor de tweede helft van 2010. Omdat voor de meer gecompliceerde wijziging zoals deze voorzien is in het geïntegreerde besluit nog verder onderzoek noodzakelijk is en de hiervoor geschetste problematiek bij de renovatie van grote projecten op dit moment knellend is, is besloten om deze wijziging vooruitlopend op de wijziging in meer algemene zin door te voeren. Hiermee wordt de haalbaarheid van grote projecten als de hiervoor al genoemde renovatie van bruggen vergroot. De grondslag voor de onderhavige wijziging is artikel 2 van de Woningwet.
Wanneer de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt, naar verwachting 1 januari 2010, dan zal artikel 2.4a in het Staatsblad 2009 393 3 Invoeringsbesluit Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden aangepast aan het begrippenkader van die wet.
Staatsblad 2009, 400
Het onderhavige besluit [Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens] bevat juridisch-technische aanpassingen van een aantal algemene maatregelen van bestuur aan de wijzigingswet van 18 december 2008, 1 waarbij onder meer de regeling voor het aanwijzen van luchthavens in de Luchtvaartwet is vervangen door een regeling in de Wet luchtvaart. Het gaat met name om terminologische aanpassingen en om het vervangen van verwijzingen naar de Luchtvaartwet door verwijzingen naar de Wet luchtvaart. Zo wordt het begrip «luchtvaartterrein» vervangen door «luchthaven» en wordt «geluidszone» vervangen door «beperkingengebied».
Daarnaast bevat dit besluit enkele wetstechnische correcties.
[In onderdeel XII van het besluit Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens is een wijziging van het Bouwbesluit 2003 opgenomen]